| Websophia | Evert Jan Ouweneel | Uw reactie |
Wat is filosoferen?Evert Jan Ouweneel
Eén ding kan echter niet snel genoeg worden opgemerkt: de wijsbegeerte mag nog zoveel basale antwoorden hebben voortgebracht, het zijn niet filosofen geweest die die antwoorden hebben gegeven. Mensen hebben ze uiteindelijk gegeven, levend in een bepaalde tijd, in een bepaald land, in bepaalde culturele, politieke en lichamelijke omstandigheden, enz. Filosoof-zijn is maar een deelverzameling van mens-zijn. Een mens in zijn hoedanigheid als filosoof (een mens die filosofeert) beredeneert wat hij denkt; een mens in zijn hoedanigheid als mens (met alles erop en eraan) gelooft ook wat hij denkt. En het geloof heeft altijd het laatste woord, want redenaties schieten altijd tekort. Hoezeer men de eigen standpunten ook weet te beargumenteren, het twijfelen houdt nooit op - behalve dan over het feit dát men twijfelt, zoals Descartes opmerkt. Wie daarom toch nog iets durft te beweren over God, mens en wereld, zal dat uiteindelijk alleen in geloof kunnen doen. Als mens geeft de filosoof antwoord, als filosoof slaat de mens vervolgens aan het redeneren om de redelijkheid van de eigen antwoorden aan te tonen. Als filosoof streeft men naar de argumentatieve (of logische) bekrachtiging van dat wat men uiteindelijk als mens slechts kan geloven. Niet dat de meeste filosofen dat zo zagen in het verleden. Veelal meenden zij dat het verstand wel degelijk de ultieme bewijskracht kan leveren en daarmee het geloof juist overwinnen kan. Pas in de 18de eeuw begonnen Hume en Kant deze verstandsverheerlijking wat in te dammen en in de Romantiek van de 19de eeuw moest het verstand het zelfs afleggen tegen het gevoel. En nu, nu zijn de meesten het met Richard Rorty eens dat alleen ons geloof het "laatste woord" heeft, en dat de bestempeling van iets als kennis of als waarheid niet meer is dan "een compliment aan het adres van overtuigingen die wij zo aannemelijk vinden, dat er op dit moment geen nadere rechtvaardiging voor nodig is". Als beeld voor het geloof als laatste woord gebruikt Rorty (geb. 1931) een term uit de bergbeklimmerij, n.l. footholds: dat zijn steunpunten voor een voet. In een wereld waarin redenaties niet onze laatste zekerheid vormen, hebben we volgens Rorty nog niet eens zulke steunpunten voor een voet, maar alleen toeholds: steunpunten voor een teen. Deze toeholds zijn stellingen, opvattingen en overtuigingen die we niet bereid zijn ter discussie te stellen. We kúnnen ze ook niet op rationele wijze verantwoorden, in elk geval niet zonder in cirkelredeneringen te vervallen. Ze bieden ons namelijk oriëntatie in wat we wél ter discussie willen stellen. Volgens Rorty hebben wij allemaal zon laatste woord. We gebruiken het voor de plaats waar we staan, hoewel dat ons kwetsbaar maakt: liberalisme, Jezus en het proletariaat noemt Rorty als voorbeelden. Hoe kunnen we nu standhouden, hoe houden we het vol in deze wereld als we alleen maar toeholds hebben? Rorty beweert dat wij alleen maar hoop kunnen hebben en het geloof dat een gemeenschap aan deze hoop ontleent. Er is dus zelfs nog een kracht achter die van het (opbouwend) geloof: de kracht van de hoop Het is belangrijk te beseffen dat ook de filosofen uit de geschiedenis van de wijsbegeerte zon laatste woord hadden. Zo is immers meteen duidelijk dat wie slechts aan wil geven hoe spitsvondig deze filosofen wel niet waren, of hoe vermakelijk hun gedachtenspinsels zijn, de menselijke levenskracht ervan ontkent en blijft steken in de onverschilligheid. De wijsbegeerte krijgt pas werkelijk voor ons betekenis, wanneer wij beseffen dat al die filosofen gepassioneerd in iets geloofden, en vervolgens de werkelijkheid op argumentatieve wijze interpreteerden vanuit dit geloof. En wat men gelooft, wortelt in wat men beleeft. De vele antwoorden op levensvragen die men in de wijsbegeerte aantreft, zijn niet het product van de logica, maar van vooral de persoonlijke worsteling met de ellende in onze wereld. Als mens hebben de filosofen antwoord gegeven op deze worsteling. En hun antwoord was vaak een hartstochtelijk geloof in de mogelijkheid de eigen worsteling (vaak letterlijk) het hoofd te bieden. Vanuit deze hartstocht, dit geloof, deze hoop, poneerden zij hun bevrijdingsfilosofie. Het verhaal dat de verschillende filosofen schreven, krijgt daarmee een heel menselijk karakter. Maar toegegeven: het blijven filosofen; men zal hun geredeneer voor lief moeten nemen, hoe abstract het vaak ook is. Voor andersoortige credos - kunstzinniger, muzikaler - moet men elders zijn. Wat de inhoud betreft bestaat er, zoals gezegd, niet zoiets als een typisch wijsgerige kwestie of een typisch wijsgerig antwoord, maar wel wat de vorm betreft. Daaraan moet overigens onmiddellijk worden toegevoegd, dat het expliciete argumenteren toch ook onvermijdelijk de inhoud bepaalt, doordat het een bepaalde kwestie onderzoekt, voor zover deze zich in een logische redenatie vangen laat. En dat het argumenteren over het leven zo zijn begrenzingen heeft, moge blijken uit het feit dat het ons nog altijd niet is gelukt om het bestaan van enerzijds het kwaad en anderzijds een algoede, almachtige en alwetende God in een bevredigende redenatie met elkaar te verzoenen. Toch geloven sommigen dat beide bestaan. Er bestaan grote verschillen in de wijze waarop de filosofen in het verleden de argumentatieve inzichtverwerving nader hebben ingevuld. Om deze onderlinge verschillen enigermate in het vizier te krijgen, is het behulpzaam de filosofie op drie manieren te benaderen, en wel aan de hand van de volgende drie vragen: 1. Hoe drukt de filosoof zich uit? 1. Hoe drukt de filosoof zich uit?Wijsbegeerte valt niet samen met wetenschap, noch met kunst, noch met religie. Maar vaak drukken filosofen zich wel wetenschappelijk, kunstzinnig of religieus uit. Veel hedendaagse analytische filosofen willen zich vooral wetenschappelijk uitdrukken, terwijl Plato dialogen en mythen schreef. Nietzsche en Sartre hebben zich vaak literair uitgedrukt, en Augustinus, Eckhart en Kierkegaard bedienden zich vaak van religieuze uitdrukkingswijzen als preken en gebeden. Niet zelden bewegen filosofen zich dus binnen kunst, religie en wetenschap, maar hun argumenteren valt toch niet helemaal samen met het kunstzinnige, religieuze en wetenschappelijke handelen. Want typerend voor de filosoof is - en ik zeg het nu wat nauwkeuriger - het bevorderen en bekrachtigen (of ontkrachten) van algemene inzichten over God, mens en wereld, door verantwoordbaar te argumenteren. Een wetenschapper onderscheidt zich van de filosoof, doordat hij kwesties tracht te beantwoorden met resultaten uit meetbaar onderzoek (vaak maar uit één bepaald vakgebied, zoals bijv. de natuurkunde of de psychologie). De filosoof daarentegen houdt zich met kwesties bezig die te algemeen zijn om nog beantwoord te kunnen worden door meetbaar onderzoek. Het gaat de filosoof om vragen waarop een antwoord al is voorondersteld in wetenschappelijk onderzoek. Denk aan de vraag: Wat is wetenschap? De wetenschapper kan die vraag per definitie niet door wetenschappelijk onderzoek beantwoorden, en evenmin door onderzoek de waarde van de verschillende mogelijke antwoorden meten. De filosoferende mens kan dit laatste wel. Hetzelfde geldt voor vragen als: Wat is kennis of waarheid? Is er wel ruimte voor menselijke vrijheid als onze wereld (ook) door vaste wetten wordt bepaald? Wat is de mens eigenlijk voor een wezen, vergeleken met de rest? Wat maakt het verschil uit tussen goed en kwaad? De filosoferende mens tracht steeds weer aan te tonen, hoe redelijk of onredelijk de diverse mogelijke antwoorden op deze kwesties zijn. Nu de literator. Die streeft net als de wetenschapper en de filosoof naar de formulering van inzichten, en niet zelden ook nog eens naar de formulering van logische inzichten, door een hoop geredeneer. Maar zolang hij zich nog achter zijn fictieve personages en omstandigheden kan verschuilen, wanneer men hem over zijn ideeën ter verantwoording roept, is hij toch geen filosoof. Weliswaar filosofeert hij en heeft hij een bepaalde filosofie, maar een filosoof kan men aanspreken op wat hij beweert, en strikt genomen een literator niet. Voor zover iemand bidt of profeteert én daarin een bepaald God-, mens- en/of wereldbeeld beredeneert, is hij óók filosoof, want hij redeneert én kan ter verantwoording worden geroepen voor wat hij beweert. Maar om nog werkelijk te bidden of te profeteren, zal men toch ook deels niet filosoof moeten zijn. Want spreken tegen God of over God of namens God, getuigt juist van het feit dat argumentaties ten diepste tekort schieten en dat het geloof de diepste basis vormt voor onze overtuigingen. 2. Waar vertrekt de filosoof?Beschikkende over een rijke verzameling van wijsgerige ideeën, is het allerminst vanzelfsprekend dat wij allereerst beginnen met wat wij zélf van een bepaalde kwestie vinden. Het is inmiddels, na 2500 jaar filosoferen, evenwel mogelijk om allereerst te zien wat de "grote denkers" van een kwesties vinden of hebben gevonden. We moeten dus besluiten waar wij willen vertrekken, wanneer wij met een bepaalde kwestie worden geconfronteerd: bij onszelf of bij de anderen. Natuurlijk beginnen wij altijd allereerst bij onszelf, voor zover wij altijd op een of andere wijze gemotiveerd zijn om ons met de kwestie bezig te houden. Maar dan? Willen wij eerst onze eigen positie tegenover de kwestie bepalen, of gaan wij eerst bij andere denkers te rade? Aan beide vertrekpunten kleven voor- en nadelen. Beginnen wij bij onszelf, dan is de kans kleiner dat de kwestie los komt te staan van ons alledaagse bestaan, dan wanneer wij ons eerst met allerlei ideeën van anderen gaan bezig houden. Tegelijk echter zullen wij niet profiteren van de geëffende en bewegwijzerde wegen uit het verleden, waardoor ons filosoferen waarschijnlijk meer hobbels en omwegen zal kennen dan dat van degene die bij de anderen is begonnen. Wat ons vertrekpunt is, wordt cultureel-historisch, psychologisch en fysiologisch bepaald. Cultureel-historisch: de tijd waarin wij leven. Wanneer wij in een tijd leven als vandaag, waarin met wantrouwen naar de grote verhalen uit het verleden wordt gekeken, zullen wij eerder geneigd zijn bij onszelf te beginnen dan wanneer wij in een tijd leven waarin dit wantrouwen niet bestaat. Psychologisch: het beeld dat wij hebben van onszelf en dat deels sociaal-cultureel is bepaald. Vinden wij onszelf maar n matig denkertje, dan zullen wij eerder geneigd zijn bij de anderen te beginnen dan wanneer wij onszelf wél in staat achten respectabele brouwsels te brouwen. Fysiologisch: onze introverte of extraverte persoonlijkheid. Er zijn introverte (meer in zichzelf gekeerde) en extraverte (meer naar buiten gekeerde) mensen. Neurofysiologisch gezien schijnt dit verschil bepaald te worden door de hoeveelheid prikkels die worden toegelaten tot de hersenschors. Introverte mensen krijgen meer prikkels te verwerken dan extraverte mensen, waardoor zij vanzelf meer met zichzelf bezig zijn, d.w.z. meer door zichzelf in beslag wordt genomen. Worden introverte mensen dan met een bepaalde kwestie geconfronteerd, dan zullen zij dus eerder geneigd zijn bij zichzelf, bij dat wat hen prikkelt, te beginnen dan extraverte mensen (die vaak juist op zoek zijn naar prikkels van buitenaf). 3. Wat is het doel van de filosoof?De specifieke rol van de filosofie als redelijkheidsverschaffer blijkt niet bepaald eenduidig te zijn: sommige filosofen waren vooral systematicus, anderen zijn weer vooral therapeut of vooral prediker. 1. De systematicus zoekt naar de totaliteit, naar het systeem dat alles verenigt in één orde Systematici zijn op zoek naar de ultieme argumentatie, waarin alles logisch met elkaar verbonden wordt. Zij willen de grondstructuren van de werkelijkheid blootleggen, dat zijn de structuren die ten grondslag liggen aan alle structuren die bijv. in de vakwetenschappen worden blootgelegd: door de grondstructuur van de werkelijkheid te kennen, kunnen wij de eenheid ontwaren van bijv. sociologische kennis en wiskundige kennis. De vraag naar de grondstructuur van de werkelijkheid is de vraag van de ontologie. Ontologie is de leer van het zijn. Het zijn is datgene wat aan al de zijnden ten grondslag ligt, datgene wat alle concrete dingen doet bestaan. Het zijn is de onveranderlijke kern die overblijft, wanneer men al het veranderlijke van de concrete dingen heeft afgetrokken. Het zijn is alles wat noodzakelijk en algemeen bestaat, oftewel: alles wat niet voorwaardelijk en specifiek is. De metafysica richt zich op het geestelijke: het goddelijke en/of niet-materiële, niet-mechanische zijn: God, engelen en de menselijke ziel/geest. Terwijl de ontologie zich dus op de zichtbare dingen oriënteert, doet de metafysica dit op de onzichtbare dingen. (Het geheel van ideeën over grondstructuren en geestelijke fenomenen wordt echter ook wel metafysica genoemd.) Nu veronderstellen ontologie en metafysica een wijsgerige antropologie. Want spreken wij over de grondstructuren van de werkelijkheid en over het geestelijke, dan hebben wij het ook over onszelf, niet alleen als ziel of geest, maar als geheel. Wat is onze positie als mens in deze werkelijkheid, en hoe is onze eigen structuur in de grondstructuur verankerd: wat is de mens? wat is de verhouding tussen geest en lichaam? hoe verhoudt de mens zich tot zijn omgeving? wat maakt het mens-zijn mogelijk? wat zijn de grenzen van het menselijke? Dat zijn allemaal antropologische vragen, en hebben wij het over de grenzen van het menselijke, dan is daar ook al de vraag van de ethiek. Een vraag die vanaf de 17e eeuw vooral betekenis kreeg, was de vraag hoe wij eigenlijk de grondstructuren van de werkelijkheid kúnnen kennen, wanneer wij alleen maar veranderlijke, concrete dingen kunnen zien. Mogen wij ons rationalistisch beroepen op aangeboren ideeën die ons toegang bieden tot de waarheid, zoals Descartes deed? Empiristen als Locke en Hume meenden van niet en beweerden dat wij ons in onze kennisverwerving alléén kunnen beroepen op onze ervaring. Deze kwestie lokte de vraag uit, wat nu eigenlijk de mogelijkheidsvoorwaarde en reikwijdte van ons kennen is. Er ontstond behoefte aan een kennisleer of epistemologie (waarvan Kant de bekendste vertegenwoordiger is geworden). In de loop der eeuwen werd de ontologie steeds meer opgesplitst in deelgebieden; er ontstonden specialisten in de wijsbegeerte: voor de grondstructuur van de cultuur kwam er de cultuurfilosoof, voor de grondstructuur van de wetenschap de wetenschapsfilosoof, voor het recht de rechtsfilosoof, voor het redeneren de logicus, voor de taal de taalfilosoof, enz. Tegelijk ontstonden de vakwetenschappen die zich alleen met de empirische structuren gingen bezig houden. Zo ontstond er naast de rechtsfilosofie ook de rechtsgeleerdheid. Tot halverwege onze eeuw bestond het filosoferen nog voornamelijk uit een systematiseren van rationele of empirische inzichten, op zoek naar een logische basisorde in onze werkelijkheid. Maar er waren toch ook altijd wel filosofen die afweken en die weliswaar óók systematisch (langs de weg van de argumentatie) op zoek waren naar het bestendige in de werkelijkheid, maar niet zozeer naar zeer abstracte gróndstructuren of naar een alomvattend systeem. Deze denkers waren primair op zoek naar levenswijsheid, en wij zouden ze de predikers onder de filosofen kunnen noemen (in navolging van Salomo). 2. De prediker verdedigt de levenswijsheid die op zijn pad wordt gebracht De predikers onder de wijsgeren worden gekenmerkt door het feit, dat zij zich in hun filosoferen heel intens tot zichzelf verhouden. Hun persoonlijke existeren is heel nauw betrokken in hun denken en vormt ook de belangrijkste aanleiding tot hun denken. Zo noemt Kierkegaard zijn eigen denken nadrukkelijk subjectieve reflectie, tegenover Hegels systeemdenken als objectieve reflectie. Kierkegaard meent dat de waarheid alleen verschijnt, wanneer wij haar verinnerlijken en ons leven ermee in overeenstemming brengen. Door de werkelijkheid te objectiveren, verdwijnt de waarheid alleen maar. Grote denksystemen zijn voor Kierkegaard niet meer dan irreële en irrelevante abstracties. In De ziekte tot de dood schrijft hij: "Een denker trekt een onmetelijk bouwwerk op, een systeem, een systeem dat heel het leven en heel de wereldgeschiedenis omvat. En kijkt men naar zijn persoonlijke leven, dan komt men tot de verschrikkelijke en belachelijke ontdekking dat hij zelf niet in dit onmetelijke paleis met zijn hoge gewelven woont, maar in een schuurtje daarnaast, of in een hondehok, of hoogstens in de portiersloge." Wat predikers als Kierkegaard en Nietzsche nog meer typeert, is hun grote psychologische inzicht. Hun haarscherpe, subtiele, niets ontziende waarnemingen van de menselijke wederwaardigheden, vormen een groot deel van de levenswijsheid die zij prediken (een wijsheid die het leven d.w.z. hun persoonlijkheid en de omstandigheden waarin zij leefden vaak meer aan hen opdrong dan dat zij ernaar zochten). Met Wittgenstein ontstond rond 1950 nog een derde groep van filosofen: de therapeuten. 3. De therapeut beperkt zich geheel tot het ophelderen van kwesties Wittgenstein stelt dat de filosofie een zuiver therapeutische taak heeft: zij moet de taal verhelderen wanneer wij erin verstrikt raken. De filosofie moet, aldus Wittgenstein, "de vlieg een uitweg uit de vliegenstolp laten zien". Een probleem moeten niet zozeer worden opgelost, als wel ontward. "Het enige dat de filosofie doet is alles voor ons neerzetten, ze geeft geen verklaringen en trekt geen conclusies." Hier wordt dus de uiterste consequentie getrokken uit de gedachte dat het verstand niet overtuigt, maar motiveert: de filosoof mag niets beweren, alleen ontwarren als er iets te ontwarren valt. Eén van degenen die Wittgenstein hierin is nagevolgd, is Lyotard, die bijvoorbeeld laat zien hoe door de dominantie van het kapitalistische spreken de stem van de arbeider, die klaagt over het feit dat hij als koopwaar in het onpersoonlijke loonsysteem wordt behandeld, niet wordt gehoord, omdat zijn woorden geen plaats kunnen krijgen in het kapitalistische spreken. Het gaat hier om twee verschillende genres, waarbij het genre van de werknemer wordt onderdrukt door het genre van de werkgever. Wat is dus, samenvattend, filosoferen?Filosoferen is de bevordering en bekrachtiging (of ontkrachting) van algemene inzichten omtrent God, mens en wereld, door verantwoordbaar te argumenteren. Daarbij kunnen de filosofen op de volgende wijzen van elkaar verschillen: 1. Een filosoof kan zich meer wetenschappelijk, kunstzinnig of religieus uitdrukken. 2. Hij kan, om een cultureel-historische, psychologische en fysiologische reden, verkiezen bij zichzelf te beginnen of bij de anderen m.b.t. een bepaalde kwestie. 3. Hij kan óf proberen in de werkelijkheid een bepaalde systematiek te ontdekken, óf proberen in de werkelijkheid een bepaalde levenswijsheid te ontdekken, óf proberen het inzicht te bevorderen door bepaalde taalverwarringen te ontwarren. Geen enkele filosoof zal alléén maar systematicus, therapeut of prediker zijn. Zo veronderstelt de therapeutische filosofie al een bepaald wijsgerig inzicht in het fenomeen taal. En ook de meest systematische filosofen hebben wel iets te prediken. Zo schreef Immanuel Kant niet alleen Kritik der reinen Vernunft, maar ook zijn predikende artikel Wat is Verlichting? Met het onderscheid tussen systematici, predikers en therapeuten wil ik er maar op wijzen, dat filosofie en filosoferen allerminst een homogeen verschijnsel is. Wie zich in de filosofie verdiept, merkt het vanzelf: filosofen beweren een hoop, en sommigen hebben met hun geredeneer zelfs hele bouwwerken opgeworpen. Maar vergeet niet: het is uiteindelijk allemaal aan de kracht van een geloof ontleend, een laatste hoop die men niet los wilde laten, een perspectief dat houvast bood en van waaruit men niet alleen het aards geworstel, maar ook de bevrijding daaruit in redenaties wilde vangen. Het is zoals ik het zeg: filosofen beweren een hoop. Let maar op: ze kunnen niet anders, net als ieder ander mens. © 2002 Evert Jan Ouweneel |
| Websophia | Evert Jan Ouweneel | Uw reactie |