| Websophia | Uw reactie |
Eerste kennismaking met Fukuyama´s einde-van-de-geschiedenis-hypothese
Het einde van de geschiedenis kende twintig vertalingen en voerde overal de bestsellerlijsten aan. En ook na tien jaar wist het zich staande te houden tegenover concurrerende 'standaardwerken' over het postcommunisme tijdperk als After liberalism van de socioloog Immanuel Wallerstein (die zoals de titel van zijn boek al doet vermoeden, precies het tegenovergestelde beweert als Fukuyama), als ook The clash of civilizations van Samuel Huntington, dat een nieuwe strijd niet zozeer tussen ideologieën als wel tussen beschavingen (denk aan islam versus het westen) ziet losbarsten.1 Vooral onder linkse intellectuelen veroorzaakte Het einde van de geschiedenis veel opschudding. Zij zagen er een misplaatste lofzang op het kapitalisme in. Veel van die kritiek was gebaseerd op een verschillende interpretatie van woorden. Talloze keren moest Fukuyama uitleggen dat hij geschiedenis bedoelde in Hegeliaanse zin, als een voortdurend terugkerende klassenstrijd en niet als een opeenvolging van ingrijpende gebeurtenissen - zoals oorlogen, die uiteraard gewoon door zou gaan. Na 11 september gingen er vele stemmen op die meenden dat Fukuyama zich blijkbaar vergist had. Een opvatting die de filosoof rechtstreeks naar de prullenmand verwijst. De fundamentalistische islam is volgens hem slechts een achterhoedegevecht tegen de moderniteit - waar zij overigens zelf met één been in staat gezien het belang van oliedollars in veel islamitische landen - en kan niet tippen aan de overweldigende aantrekkingskracht van de liberale democratie. De geschiedenis is volgens hem nog altijd ten einde. Klik hier voor een beschrijving van de overige boeken van Fukuyama. Dit essay laat de lezer kennismaken met de centrale hypothese uit het eerste boek: The End of History.DEEL I: HET EINDE VAN DE GESCHIEDENIS De logica van de moderne natuurwetenschappen Fukuyama stelt, dat de huidige liberale democratie "de best mogelijke oplossing vormt voor de problemen van de mens" (3602). Daarmee zegt hij nogal wat. Door namelijk van de problemen van de mens te spreken, stelt hij dat er sprake is van een "Universele Geschiedenis" als "één enkel, samenhangend evolutionair proces, wanneer de ervaring van alle volken in alle tijden in aanmerking wordt genomen" (14), en dat deze Geschiedenis met de liberale democratie ten einde loopt. Voor een dergelijke opvatting dient men in het bezit te zijn van beginselen waarmee men 1. kan verklaren hoe men in de geschiedenis tot de best mogelijke oplossing kon komen (hoe er van uniforme doelgerichtheid en vooruitgang sprake kon zijn), en 2. kan beweren dat de liberale democratie superieur is aan al die andere samenlevingsvormen die zich in de geschiedenis manifesteerden en manifesteren. Beide punten vereisen inzicht in de universele logica van mens en geschiedenis. De laatste Universele Geschiedenis die vóór die van Fukuyama geschreven werd en bekend staat als moderniseringstheorie, verkondigde ook de liberale democratie als eindpunt, maar werd de genadeslag toegebracht met de beschuldiging van etnocentrisme. De (vooral Amerikaanse) sociologen die de theorie hadden opgesteld, gaven toe aan de beschuldiging en beleden dat ze inderdaad geen wetenschappelijke of empirische gronden hadden waarop ze de waarden van de liberale democratie konden verdedigen. Ze konden alleen benadrukken dat ze niet de bedoeling hadden etnocentrisch te zijn. (93) Waarom durft Fukuyama het wél aan om de liberale democratie als meest geavanceerde en beste mogelijke samenlevingsvorm te beschouwen? Ter beantwoording van deze vraag volstaat hij in eerste instantie met het opsommen van enkele feiten uit de laatste decennia:
Deze feiten rechtvaardigen volgens Fukuyama de vraag, of deze mondiale tendens naar liberalisering nu op een gelukkig toeval berust of deel uitmaakt van een dieper onderliggend verband. Oftewel:
Wat de eerste reden betreft, wijst Fukuyama erop dat de steeds verdergaande verovering van de natuur heeft plaatsgevonden volgens bepaalde welomlijnde regels, die niet zijn neergelegd door de mens, maar door de natuur en haar wetmatigheid. Het wetenschappelijke inzicht in de natuur is, met andere woorden, cyclisch noch toevallig. Zeker toen met de komst van de wetenschappelijke methode een gerichtheid op natuurbeheersing ontstond, kon men niet meer naar eigen goeddunken wat filosoferen over de natuur, maar werd de waarde en betekenis van ieder inzicht onverbiddelijk bepaald door de mate waarin met dit inzicht technologische en economische vooruitgang kon worden geboekt. Met name sinds deze pragmatische insteek is de inzichtvergaring een cumulatief en doelgericht proces gebleken. En "dictators noch parlementen kunnen de wetten van de natuur herroepen, hoe graag ze dat ook zouden willen" (96).
Ten eerste zorgden de moderne natuurwetenschappen voor een zowel richtinggevende als historische verandering via militaire competitie. Want elke staat die politiek autonoom wil blijven, is genoodzaakt de technologie van zijn vijanden en rivalen over te nemen, indien deze superieur is. Sterker nog, de oorlogsdreiging dwingt staten hun sociale systemen te herstructureren op een manier die het gunstigst is voor het produceren en inzetten van technologie. Zo blijkt de mogelijkheid van oorlog een belangrijke motor te zijn voor de rationalisering van samenlevingen en voor het ontstaan van uniforme sociale structuren in alle culturen. (97) Fukuyama spreekt van "defensieve modernisering" en geeft diverse voorbeelden, waaronder dat van Michel Gorbatsjovs perestrojka (99). Uit de toespraken van hem en andere hooggeplaatste sovjetfunctionarissen blijkt dat een van de voornaamste redenen waarom ze in eerste instantie overwogen de sovjeteconomie grondig te hervormen was, dat een niet-hervormde Sovjet-Unie slechts met zeer veel moeite de economische en militaire concurrentiepositie tot in de 21ste eeuw zou kunnen handhaven. En inderdaad blijkt uit de geschiedenis van de Sovjet-Unie, China en andere socialistische landen, dat sterk gecentraliseerde landen economieën weliswaar het industrialisatieniveau kunnen bereiken dat Europa in de jaren vijftig had, maar dat ze absoluut niet in staat zijn om zogeheten complexe "post-industriële" economieën te scheppen waarin informatie en technologische innovatie een veel grotere rol spelen. Alleen door aanpassing van de eigen samenleving aan de economische en sociale principes van de superieure landen, alleen door liberalisering, door perestrojka en glasnost, kan en kon de achterstand door deze landen worden ingehaald (17/121).3
De tweede manier waarop de moderne natuurwetenschappen voor een doelgerichte historische verandering kunnen zorgen en hebben gezorgd, is via de steeds verdergaande onderwerping van de natuur ter bevrediging van menselijke behoeftes, een onderneming die we doorgaans aanduiden met economische ontwikkeling. Industrialisering is niet slechts het intensief toepassen van technologie op het productieproces en het maken van nieuwe machines. Het is ook het probleem van de rationele benadering van sociale organisatie en het creëren van een rationele verdeling van arbeid. Zo moeten industriële samenlevingen overwegend stedelijk zijn, omdat men alleen in steden voldoende geschoolde arbeiders vindt die de moderne industrieën kunnen laten functioneren en omdat steden de infrastructuur en diensten hebben waarop grote, sterk gespecialiseerde ondernemingen steunen. "De apartheid in Zuid-Afrika stortte uiteindelijk in omdat ze berustte op het geloof dat men zwarte industriearbeiders permanent uit de stad zou kunnen weren" (101). En wil de arbeidsmarkt efficiënt functioneren, dan moet de arbeid steeds mobieler worden: arbeiders kunnen niet permanent gebonden blijven aan een specifieke baan, plaats of aan sociale banden, maar moeten de vrijheid krijgen om te veranderen, nieuwe taken en technologieën te leren en hun arbeidskracht aan de hoogste bieder te verkopen. Dit betekent een sterke ondermijning van traditionele sociale groepen als stammen, clans, families van meerdere generaties, religieuze groeperingen, enzovoort. Deze groepen mogen in bepaalde opzichten bevredigender zijn om in te leven, maar omdat ze niet zijn georganiseerd volgens de rationele principes van economische efficiëntie, leggen ze het langzamerhand af tegen de groepen die dat wel zijn. (101) De "logica van de moderne natuurwetenschappen", zoals Fukuyama het noemt, kan dus veel verklaren over onze wereld. Want krachtens deze logica moet iedere samenleving die niet wil achterblijven een nationale eenheid vormen in een gecentraliseerde staat, verstedelijken, de traditionele sociale structuren vervangen door economisch rationele structuren, en voorzieningen treffen voor basisonderwijs. Daarbij raken dergelijke samenlevingen ook nog eens steeds meer met elkaar verbonden door wereldomspannende markten (als gevolg van technologische verbeteringen in communicatie en transport) en de verspreiding van een algemene consumptie-cultuur. (16) Zo is dan tegelijk antwoord gegeven op de vraag, "waarom wij, de inwoners van ontwikkelde democratieën, op kantoor zitten en niet ons kostje op het land bijeenscharrelen, waarom we lid zijn van vakbonden of beroepsorganisaties en niet van stammen of clans, waarom we een bureaucratische chef gehoorzamen en niet een priester, waarom we geletterd zijn en een gemeenschappelijke nationale taal spreken" (17). "Maar economische interpretaties van de geschiedenis zijn incompleet en onbevredigend omdat de mens niet simpelweg een economisch dier is" (18). Hoewel het historische mechanisme, dat wordt vertegenwoordigd door de moderne natuurwetenschappen, volstaat om het bestaan van een Universele Geschiedenis, van uniforme doelgerichtheid en vooruitgang, aan te tonen en het karakter van de historische verandering en de toenemende eenvormigheid van moderne maatschappijen grotendeels te verduidelijken, kan het verschijnsel democratie als eindpunt van deze Geschiedenis er niet door worden verklaard.
Er is meer voor nodig dan economische principes om van mensen democraten te maken, dat wil zeggen voorvechters van het principe van volkssoevereiniteit en van gegarandeerde grondrechten die wettelijk zijn vastgelegd. Waarom is er de afgelopen decennia dan toch sprake van een "wereldomvattende liberale revolutie"? Om die vraag te beantwoorden wendt Fukuyama zich tot Hegels beschrijving van de Geschiedenis als een strijd om erkenning.4 De strijd om erkenning De strijd om erkenning is als concept al zo oud als de politieke filosofie5; het verwijst naar een verschijnsel dat samenvalt met het politieke leven zelf. De term mag ons dan tegenwoordig vreemd en onbekend toeschijnen, maar dat komt volgens Fukuyama omdat ons denken in de afgelopen vierhonderd jaar volledig is "geëconomiseerd" (171). En wij burgers van moderne egalitaire democratieën "herkennen het verlangen naar erkenning in onszelf vaak niet eens meer als zodanig" (189). In zijn beschrijving van de Geschiedenis aan de hand van het beginsel van de strijd om erkenning, begint Hegel met de eerste mens. Hoe ziet die eruit, de mens van vóór alle culturele en maatschappelijke verschillen, de mens in de natuurtoestand, waaraan alleen die eigenschappen te onderscheiden zijn die alle mensen als mens gemeen hebben? Oftewel: hoe ziet het wezen van de mens eruit? Volgens Hegel onderscheidt de mens zich van de dieren doordat alleen hij in staat is te verlangen naar zaken die volstrekt niet materieel zijn. Bovenal verlangt hij ernaar door anderen gewenst of erkend te worden. Volgens Hegel zou een individu zich zonder de erkenning van andere mensen niet eens van zichzelf als afzonderlijk mens bewust kunnen worden. De mens is dus van meet af aan een sociaal wezen: zijn gevoel van eigenwaarde en identiteit is nauw verbonden met de waarde die anderen aan hem toekennen. Dieren vertonen weliswaar ook sociaal gedrag, maar dat gedrag is instinctief en gebaseerd op de wederzijdse bevrediging van natuurlijke behoeften. Alleen een mens kan verlangen naar "een voorwerp dat uit biologisch oogpunt volslagen nutteloos is, zoals een medaille of de vlag van de vijand" (Kojève); daarbij verlangt hij niet naar deze voorwerpen om zichzelf maar omdat andere mensen ernaar verlangen. Er is echter een nog fundamenteler verschil tussen Hegels eerste mens en de dieren. Want de mens wil niet alleen door andere mensen erkend worden om één of andere verdienste, hij wil ook als mens worden erkend. En daar vrijheid de mens wezenlijk menselijk maakt, betekent als mens erkend willen worden dat men als vrij wezen wil worden erkend. Maar net als het verlangen naar erkenning staat ook de vrijheid bij Hegel lijnrecht tegenover de natuur. Vrijheid betekent niet de vrijheid om in de natuur of in overeenstemming met de natuur te leven; vrijheid begint pas waar de natuur eindigt. Menselijke vrijheid ontstaat volgens Hegel als de mens uitstijgt boven zijn natuurlijke, dierlijke bestaan en zich een nieuw zelf schept. En de mens die zijn leven waagt, bewijst dat hij kan ingaan tegen zijn sterkste en diepste instinct: de drang tot zelfbehoud. Hoe kan de mens nu door zijn leven te wagen de ander aanzetten om hem als mens te erkennen? Door zijn leven te wagen in een gewelddadige strijd met andere mensen, zonder enig biologisch nut, enkel om puur prestige. Alleen zo toont hij zich een vrij en daarmee echt menselijk wezen. Zou zijn strijd wél nuttig zijn, is het hem erom te doen zijn gezin te beschermen of het land en de bezittingen van de tegenstander te veroveren uit overlevingsdrang, dan zou hij toegeven aan zijn dierlijke behoeften en zich niet anders gedragen dan de dieren. Maar door zijn minachting voor zijn eigen leven te tonen en een bloedig gevecht aan te gaan om puur prestige, bewijst hij dat hij meer is dan een ingewikkelde machine of een "slaaf van zijn hartstochten" (Rousseau) en toont hij zijn specifiek menselijke waardigheid. (176) Zo leidt de ontmoeting van de eerste mens met andere mensen tot een gewelddadige strijd waarin ieder door zijn leven te riskeren probeert de ander te dwingen hem te erkennen. Weliswaar is de mens een sociaal wezen dat wezenlijk op anderen is gericht. Maar zijn sociale aard leidt hem niet naar een vreedzame burgermaatschappij, doch naar een gewelddadige strijd om puur prestige. En leidt deze strijd tot de dood van beide partijen, dan is er niets bereikt. Leidt de strijd tot de dood van één van beide partijen, dan is er geen erkenning mogelijk en is er opnieuw niets bereikt. De strijd moet dus eindigen in een relatie van heerschappij en horigheid, d.w.z in een toestand waarin één van beide partijen zich liever onderwerpt aan een leven van slavernij dan een gewelddadige dood te riskeren. Alleen dan kan er één, de meester, tevreden zijn omdat hij zijn leven heeft gewaagd en daarvoor erkenning heeft gekregen van een ander menselijk wezen. (173) Daarmee is tegelijk gezegd dat de aanvankelijke strijd op leven en dood noodzakelijk leidt tot een eerste verdeling van de menselijke samenleving in een klasse van meesters, bereid hun leven te riskeren, en een klasse van slaven, toegevend aan hun natuurlijke angst voor de dood. In de geschiedenis treft men dan ook allerlei vormen van ongelijke, aristocratische samenlevingen aan. Maar de relatie tussen heerschappij en horigheid is onbevredigend voor zowel meesters als slaven. De slaaf is uiteraard helemaal niet geaccepteerd als menselijk wezen. En de erkenning die de meester geniet is eveneens onvolwaardig, omdat hij niet wordt erkend door andere meesters maar door slaven die vooralsnog incomplete mensen zijn. Deze ontevredenheid met de afwezige resp. onbevredigende erkenning die aristocratische samenlevingen kunnen bieden, vormt een tegenstelling die leidt tot volgende stadia in de geschiedenis. (19) Deze tegenstelling werd volgens Hegel uiteindelijk overwonnen door de Franse en Amerikaanse revolutie. Deze democratische revoluties schaften het onderscheid tussen meesters en slaven af doordat de vroegere slaven hun eigen meester werden en doordat de principes van volkssoevereiniteit en rechtsstaat werden vastgelegd. De intrinsiek ongelijke erkenning van meesters en slaven wordt vervangen door universele en wederzijdse erkenning, waarbij elke burger de waardigheid en menselijkheid van elke andere burger erkent en die waardigheid ook weer door de staat wordt erkend omdat deze rechten verleent. (19) De aanzet voor de laatste stap namelijk van de Franse en Amerikaanse slaaf die zijn leven waagt voor de vrijheid werd volgens Hegel gegeven door het christelijk geloof, waarin voor het eerst de universele gelijkheid van alle mensen in het aangezicht van God werd geponeerd op grond van hun vermogen te geloven en zedelijke keuzen te maken. Mensen die duidelijk ongelijk zijn in schoonheid, talent, intelligentie of vaardigheid, zijn desalniettemin gelijk voor zover ze zedelijk handelende personen zijn.6 Het lelijkste en onhandigste weeskind kan in de ogen van God een mooiere ziel hebben dan de begaafdste pianist of de briljantste natuurkundige. (221) De bijdrage van het christendom aan het historische proces was dus de slaaf dit visioen van menselijke vrijheid te geven en voor hem vast te stellen in welke zin alle mensen een bepaalde waardigheid hadden. Tegelijk echter hield het christendom de slaven voor ogen dat ze de bevrijding niet in dit leven moesten verwachten. Het christendom toonde de slaaf dus wel hoe de menselijke vrijheid eruit zou moeten zien, maar verzoende hem tegelijkertijd met zijn slavernij. Voor de voltooiing van het historische proces moest het christendom daarom nog worden geseculariseerd en vertaald worden naar het hier en nu. En er was nog één bloedig gevecht nodig, waarin de slaaf zich bevrijdt van de meester. De Franse en Amerikaanse revolutie vormden het begin van deze eindstrijd. (222) Nu beschouwden Thomas Hobbes, John Locke, en de stichters van Amerika, zoals Thomas Jefferson en James Madison, de liberale maatschappij als een maatschappelijk verdrag tussen individuen die bepaalde natuurlijke rechten bezaten, met name het recht op leven of zelfbehoud en het recht op het streven naar geluk, wat algemeen werd opgevat als het recht op particulier bezit. De liberale maatschappij is dus een onderlinge afspraak van gelijke burgers om van elkaars leven en eigendom af te blijven. (225) De hegeliaanse opvatting van liberalisme geeft volgens Fukuyama een nobeler beeld van het liberalisme en tegelijk een nauwkeuriger verklaring van wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze in een democratie willen leven. Voor Hegel is de liberale maatschappij een onderlinge afspraak van gelijke burgers om elkaar te erkennen. Als het hobbesiaanse en lockeaanse liberalisme bestaat uit het nastreven van rationeel eigenbelang, bestaat dat van Hegel uit het nastreven van rationele erkenning, dat wil zeggen erkenning op een universele basis waarbij de waardigheid van ieder mens als een vrij en autonoom wezen door allen wordt erkend. Wanneer we in een liberale democratie willen leven, gaat het ons niet alleen om de vrijheid geld te verdienen en onze behoeften te bevredigen. Belangrijker en uiteindelijk bevredigender is dat de liberale democratie ons erkenning van onze waardigheid biedt. Het leven in een liberale democratie kan leiden tot grote materiële overvloed, maar het wijst ons ook de weg naar ons niet-materiële doel, namelijk erkenning van onze vrijheid. (226) Met de Amerikaanse en Franse revolutie komt zo een einde aan de geschiedenis omdat de hunkering die het historische proces had voortgestuwd de strijd om erkenning is bevredigd in een samenleving met universele en wederzijdse erkenning. Geen enkele andere ordening van menselijke sociale instellingen kan deze hunkering zo goed bevredigen. Daarom kan verdere historische verandering geen verbetering opleveren. (20) Het verlangen naar erkenning kan ook de sterke empirische correlatie verklaren die er bestaat tussen kapitalistische, geïndustrialiseerde samenlevingen en de liberale democratie. Weliswaar is er geen economisch motief voor democratie, maar de maatschappelijke veranderingen waarmee industrialisering gepaard gaat, met name de veranderingen in opleidingsniveau, lijken te leiden tot een vraag om erkenning die onder armere en minder hoog opgeleide mensen niet bestond. Als mensen rijker, kosmopolitischer en beter opgeleid zijn, eisen ze niet slechts meer rijkdom maar ook erkenning van hun status. Uit deze niet-economische, niet-materiële impuls is te verklaren waarom mensen in Spanje, Portugal, Zuid-Korea, Taiwan en de Volksrepubliek China niet alleen een markteconomie maar ook een vrije regering door en voor het volk eisten. (231) Tot zover deze kennismaking met Hegels en Fukuyama´s einde-van-de-geschiedenis hypothese. De grote vraag die overblijft en door Fukuyama in het laatste deel van zijn boek aan de orde wordt gesteld, luidt: Kan de stelling dat de liberale democratie de "best mogelijke oplossing vormt voor de problemen van de mens" wel berusten op het principe van de strijd om erkenning?7 Want laat men de geschiedenis beginnen met deze strijd, als behorende tot het wezen van de mens, kan deze dan aan het einde van de geschiedenis wel als overwonnen worden beschouwd? Is de mens voorgoed tevreden gesteld nu hij door alle andere mensen als gelijk wordt erkend, of zal hij op den duur meer willen? (232) DEEL II: DE LAATSTE MENS Het gevaar van links Fukuyama ziet met de overwinning van de liberale democratie allerminst een paradijselijke tijd aanbreken. In het vijfde deel en laatste van zijn boek, getiteld De laatste mens, toont hij zich welbewust van de gevaren en (mogelijke) gevolgen van het liberale gelijkheidsbeginsel. Fukuyama maakt onderscheid tussen een linkse en een rechtse bedreiging van ons huidige liberalisme. In het eerste geval kan de democratie van binnenuit ontwricht worden door een zucht naar gelijkheid (egalitarisme), in het tweede geval door een zucht naar ongelijkheid.
Wat is dit gevaar van links dat onze democratie van binnenuit bedreigt? Een extreem doorgevoerde toepassing van het gelijkheidsbeginsel, waardoor alles en iedereen bij voorbaat als even waardevol wordt beschouwd en boven de kritiek wordt gesteld. Het gevolg is de ontmoediging van ieder eigenzinnig, eigenkrachtig en onderscheidend gedrag en daarmee een schromelijke verwaarlozing van de menselijke autonomie, authenticiteit en competitiviteit. Fukuyama wijst op de "gevoel van eigenwaarde"-beweging in de Verenigde Staten. Deze beweging wil alle mensen omhelzen en hun vertellen dat ze waarde hebben, dat ze iemand zijn, hoe miserabel en verloederd hun leven ook is. Ze willen geen enkel mens en geen enkele daad als onwaardig uitsluiten. Nu is dat, schrijft Fukuyama, misschien een goede manier om iemand die volkomen in de put zit op een cruciaal moment op te monteren door zijn waardigheid of mens-zijn onvoorwaardelijk te accepteren. "Maar uiteindelijk weet de moeder die haar kind verwaarloosd heeft, weet de vader die weer aan de drank is geraakt, weet de dochter die gelogen heeft, dat het fout was, want de trucs waar anderen intrappen, zijn van nul en generlei waarde in dat goed verlichte steegje waar men zichzelf tegenkomt. Zelfrespect moet gebaseerd zijn op prestaties, hoe bescheiden ook. Hoe groter de prestatie, hoe groter het gevoel van eigenwaarde" (328). De "gevoel van eigenwaarde"-beweging zal met haar universele omhelzing daarom vooral het omgekeerde bewerken. Want om ervoor te zorgen dat iedereen tevreden is met zichzelf, moet iedere uitdaging die men mogelijk niet aankan, worden vermeden. Niemand moet dan nog worden aangemoedigd zich met grote prestaties te onderscheiden of eigenkrachtig uit zijn ellende op te werken. Want stel dat het mislukt! Bang voor het tegendeel maakt een beweging als deze aldus het tegendeel juist actueel. Fukuyama wijst ook op de massas mensen die vandaag de dag in het democratische Amerika hun leven wijden aan het elimineren van alle sporen van ongelijkheid; ze zien erop toe dat een meisje niet meer hoeft te betalen om haar lokken te laten knippen dan een jongetje, dat de padvinderij homoseksuele hopmannen niet afwijst, dat er geen gebouw wordt neergezet zonder een helling voor rolstoelen bij de voordeur. "Mensen in de Amerikaanse samenleving zetten zich voor dit soort zaken in dankzij, en niet ondanks, het feit dat er nu nauwelijks nog ongelijkheden bestaan" (319). Alexis de Tocqueville constateerde al dat wanneer de verschillen tussen sociale klassen of groepen groot zijn en steunen op oude tradities, men zich erbij neerlegt of ze accepteert. Maar wanneer de maatschappij in beweging is en groepen dichter bij elkaar komen te staan, wordt men zich meer bewust van de overblijvende verschillen en gaat men zich eraan storen.8 Deze constatering blijkt thans maar al te waar, en het is op zich een goede zaak dat ook de meer subtiele vormen van onderdrukking worden uitgebannen. Maar tegelijk is het zo dat deze emancipatie niet tot in het oneindige door kan gaan; op een gegeven moment keert zij zich tegen ons. Het mag daarom zorgwekkend heten dat de hedendaagse egalisatiestrijd nog altijd in bepaalde elementaire behoeften voorziet: hij bezorgt de mens erkenning vanwege de politieke correctheid ervan en de dankbaarheid der onderdrukten, hij voert mensen in hun gezamenlijke strijd tot elkaar en bezorgt hen een gevoel van saamhorigheid, en tenslotte biedt hij de mens een einddoel waaraan men levenszin kan ontlenen. Tel daar de afwezigheid van post-emancipatorische einddoelen in onze tijd bij op, waardoor de elementaire behoeften van de mens alléén bevredigd kunnen worden door emancipatorische fenomenen als de egalisatiestrijd, en wij mogen constateren dat achter de hedendaagse egalisatiestrijd een immense levenskracht schuilt die misschien niet vandaag maar wel op de lange duur een niet te onderschatten gevaar kan vormen voor onze democratie. Fukuyama ziet in westerse democratieën de egalisatietrijd tevens zichtbaar worden in de "gigantische groei" van het aantal nieuwe rechten. Veel democratieën beperken zich niet tot het beschermen van leven, vrijheid en bezit, maar hebben ook rechten gedefinieerd als die van het kind, het recht op privacy, reizen, werk, recreatie, seksuele voorkeur, abortus enzovoort. Dat veel van deze rechten een twijfelachtige sociale context hebben en onderling tegenstrijdig zijn, behoeft geen betoog. Het is niet moeilijk situaties te voorzien waarin grondrechten die in bijvoorbeeld de onafhankelijkheidsverklaring en de constitutie zijn vastgelegd, ernstig worden beknot door nieuwe rechten die een diepgaander gelijkmaking in de maatschappij tot doel hebben. (320) Daarbij is de huidige discussie over de aard van de rechten volgens Fukuyama bovendien bijzonder onsamenhangend, "doordat er een diepere filosofische crisis is over de vraag of het karakter van de mens rationeel kan worden verklaard". Dit drijft ons in de armen van reductionistische en deterministische wetenschappers, waardoor het niet ondenkbaar is "dat in de toekomst een supra-universalisering van rechten optreedt, waarbij het verschil tussen menselijk en niet-menselijk verdwijnt" (320). Tegelijkertijd zien wij in westerse democratieën het gemeenschapsleven verzwakken doordat het gelijkheidsbeginsel bij velen niet alleen de neiging oproept andere leefwijzen te tolereren maar ook de gedachte dat het niet uit mág maken welke men verkiest. Een soort terreur van de onverschilligheid dient zich aan, met als repercussie dat de mens als gemeenschapswezen het moeten stellen zonder gemeenschapszin.
Tenslotte moet met betrekking tot het linkse gevaar nog genoemd worden, dat de sociaal-economische ongelijkheid die eigen is aan het kapitalisme het verschillend belonen en met verschillende waardigheid bekleden van diverse beroepen natuurlijk een doorn in het oog zal blijven van de linkse liberalen. Ondanks de huidige ineenstorting van het communisme zal men volgens Fukuyama daarom blijven proberen een alternatief voor de liberale democratie en het kapitalisme te vinden. (323) Maar "hoewel de ongelijke erkenning van gelijke mensen het meest vertrouwde verwijt aan het adres van de librale democratie is," vervolgt Fukuyama, "zijn er redenen om te veronderstellen dat de grootste en uiteindelijk ernstigste bedreiging van rechts komt, oftewel van de liberaal-democratische neiging gelijke rechten toe te kennen aan ongelijke mensen". (323) Het gevaar van rechts Het rechtse gevaar is het gevaar van een overmatige tegenreactie op de gelijkheid die met de liberale democratie gegeven is. Fukuyama schrijft: |