© 2007 Websophia - Over de auteur: Evert Jan Ouweneel - Uw reactie naar: mail@websophia.com

Onderstaand Voorstel voor een meerstemmige democratie is een uitwerking van het essay Mea vota dat op 12 maart 2003 de juryprijs van 500 euro won in een essaywedstrijd georganiseerd door het Forum voor Democratische Ontwikkeling. Juryleden waren: mr. F. Korthals Altes (minister van Staat), prof.dr. A.C. Zijderveld (emeritus hoogleraar Algemene Sociologie en voorzitter FDO), H.A. van Wijnen (journalist en oud-bijzonder hoogleraar Persgeschiedenis) en dr. L.E.M. Klinkers (directeur Klinkers Public Policy Consultans). De essaywedstrijd had als thema: "Hoe krijgt de burger de politiek die hij verdient? Hoe krijgt de politiek de burgers die zij verdient?"

Fragment uit het juryrapport: "Het winnende essay biedt geen kant en klaar ontwerp voor een ander democratisch stelsel, maar wel voldoende intelligente, intrigerende en deels oorspronkelijke bouwstenen om ons te prikkelen daarmee verder te puzzelen. Het biedt een duidelijke en bruikbare aanzet om een samenhangend model voor een anders gekozen parlement te ontwikkelen, dat wellicht in simulaties getest kan worden. De ideeën zijn helder verwoord en het essay is goed leesbaar." 

Op 2 mei 2003 verscheen een bewerking van Mea vota op de opiniepagina van het NRC Handelsblad. In het artikel wordt het voorstel van Ouweneel voor een nieuw kiessysteem gepresenteerd als beter alternatief voor het door D66, CDA en VVD omarmde systeem van districtsvertegenwoordiging.

Wat nu volgt werd geschreven ter voorbereiding op de Masterclass "Democratie: doel of middel?" die door Evert Jan Ouweneel samen met Maurice de Hond werd gegeven tijdens het junicongres van de JOVD (de jongerenorganisatie van de VVD) in 2003.

Naar een meerstemmige democratie 

Evert Jan Ouweneel



1. INLEIDING

Vroeger was het duidelijk. Toen ging het er om de juiste ideologie de Kamer in te krijgen door op een vertegenwoordiger daarvan te stemmen. Eén stem kon volstaan, want de ideologie was één. Maar nu? Iedereen weet hoe weinig de ´linkse´ en ´rechtse´ ideologieën nog als bindmiddel fungeren tussen mensen onderling en in de geest van de enkeling. Heeft de kiezer nu nog aan één stem genoeg?
  Zeker komt men nog wel eensgezindheid tegen, maar het is een fenomeen geworden dat om allerlei redenen plotseling op kan komen en weer ondergaan. En zeker valt er nog wel inhoudelijke eenheid te bespeuren, maar uiteindelijk wordt die niet meer door de makers van partijprogramma´s, maar door de psyche van de enkeling bepaald.
  Onze tijd wordt gekenmerkt door politiek syncretisme. Hoezeer de partijen hun visie ook als eenheid trachten af te zetten tegen die van andere partijen, in feite vormen alle politieke programma´s één grote ´polimarkt´ (als variant op de bestaande ´relimarkt´), waaruit een ieder pakt wat van zijn gading is. Kiezers kunnen op het ene punt meer met GroenLinks instemmen, op een ander punt meer met de SP, en op nog een ander punt meer met de VVD. Het is allemaal uitstekend mogelijk, daar bij velen de drang is verdwenen om uit principe en over de hele linie groen, blauw, paars of rood te zijn. Iemand kan een zero tolerance beleid op veiligheidsgebied voorstaan (meer blauw dan rood) en tegelijk ingrijpende overheidsmaatregelen in zorg en onderwijs bepleiten (meer rood dan blauw). Zo denkt de hedendaagse ´polishopper´, en Pim Fortuyn is er het prototype van geworden.
  Maar als onze individuele visie werkelijk nog zo weinig aansluit bij de visie van één partij, hoe zullen wij dan naar tevredenheid onze stem uitbrengen op één partij? We zijn dan met onze ene stem een anachronisme geworden, “nog slechts de komediant van een wereldorde, waarvan de echte helden gestorven zijn” (zoals Marx zou zeggen).
  Toch moet ons oordeel nog altijd uitmonden in één stem. En dus bewandelen wij allerlei wegen om toch maar genoeg te hebben aan die ene stem. In plaats van vóór, stemmen wij tegen een partij, en in plaats van partijen op hun inhoud te beoordelen, laten wij ons leiden door het charisma van de lijsttrekker. Een positief-inhoudelijke uitspraak van de kiezer over een toekomstig kabinetsbeleid blijft zodoende achterwege.
  Er wordt echter ook een derde weg bewandeld: die van de thematische prioriteit.
Mensen worden tot een thematische stem gedreven, wanneer zij merken dat niet al hun standpunten vertegenwoordigd worden door één partij. Hierdoor moeten zij besluiten welke van hun standpunten zij zó belangrijk vinden, dat zij daar hun stem van laten afhangen. Het kan dan gebeuren dat burgers eerst vooral veel aandacht hadden voor het milieu (zodat zij op GroenLinks stemden), toen voor werkgelegenheid (VVD), toen voor de sociale voorzieningen (SP), en toen voor veiligheid en integratie (LPF). Het lijkt alsof deze mensen ineens verlinksen of verrechtsen. Maar zoals zij stemden, zo dachten zij al veel langer. Wat veranderde was slechts hun prioriteitenlijstje, wellicht omdat er een nieuwe partij ontstond die over een bepaald thema “eindelijk eens hardop zei wat zij dachten”.  
  Groot manco aan dit stemgedrag is niet alleen, dat media en charisma in sterke mate het prioriteitenlijstje bepalen (en daarmee de verkiezingsuitslag), maar ook, dat partijen slechts op enkele thema´s worden beoordeeld en met enkele rake punten groot kunnen worden, terwijl zij misschien zeer matige (ondoordachte) ideeën verkondigen op andere gebieden.  
  Toch, ondanks dit manco, lijkt alleen de thematische stem een positief-inhoudelijk alternatief te vormen voor de ideologische stem van weleer, en daarmee de enige ´verharde weg´ uit onze anachronistische toestand.
  Laten wij daarom het manco proberen weg te werken door eens serieus de mogelijkheid te overwegen, dat de kiezer niet meer noodgedwongen op één partij, maar over diverse thema´s en daarmee op meerdere partijen zal kunnen stemmen. Hoe zou zo´n situatie er uit kunnen zien?

 

2. VERBETERLIJKE PROBLEMEN IN DE HUIDIGE DEMOCRATIE

Welke problemen in de huidige democratie kunnen worden aangepakt in een vernieuwingsvoorstel?

- De richting waarin ik de problemen zoek:

  1. Ons systeem veronderstelt dat de kiezer nog steeds in ideologieën denkt:
    1. één stem per burger betekent dat men het in principe of over de hele linie eens kan zijn met één partij; dit is een achterhaalde veronderstelling;
    2. niet-ideologische kiezers hebben niet genoeg aan één stem, daar zij het slechts op punten met partijen eens zijn; om tóch genoeg te hebben aan hun stem, kunnen zij de volgende drie wegen bewandelen:

                                                               i.     eerste weg: tégen stemmen — kiezen welke partij de Kamer uit moet (niet positief-inhoudelijk);

                                                             ii.     tweede weg: stemmen op charisma — bepalen in welke politicus men het meeste vertrouwen heeft (niet inhoudelijk);

                                                             ii.     derde weg: thematisch stemmen — besluiten welke van de eigen stand­punten men zó belangrijk vindt, dat men daar zijn stem van laat afhangen.

 

  1. Partijen kunnen momenteel groot worden met één punt of leider:
    1. een partij kan (vanwege het niet-ideologische stemgedrag van de kiezer) groot worden met enkele rake punten, maar voor de rest zeer matige (ondoordachte) ideeën erop nahouden;
    2. achter een leider kunnen allerlei matige kandidaten de Kamer in komen.
  2. Zeer indirecte vertaalslag tussen stemmen op ideeën en vorming v.h. regeerakkoord:
    1. in het huidige systeem moet men maar afwachten wat er uit de kabinetsformatie rolt; de belangrijkste machtsvraag (wie regeert?) wordt voor het grootste gedeelte door de kiezer open gelaten, terwijl het wel degelijk mogelijk is dat de kiezer deze vraag veel concreter beantwoordt;
    2. huidige formaties (als pogingen tot het combineren van partijprogramma's) hebben vaak als uitkomst een zeer verwaterde versie van wat de kiezer wilde.

- De richting waarin ik de oplossingen zoek:

  1. Kiezer kán nog altijd ideologisch stemmen en denken, maar hoeft dat niet meer:
    1. kiezer kan per thema bepalen welke partij het beste beleid voorstaat;
    2. er is ruimte voor zowel politiek syncretisme als principiële keuzes op partijen;
    3. kiezer hoeft niet noodgedwongen tégen, of op charisma te stemmen.  
  2. Partijen kunnen niet meer groot worden met één punt of leider:
    1. de kiezer kiest per thema een kandidaat, waardoor álle kandidaten hun beleid met ferve dienen te verdedigen.
    2. Moeilijker te profiteren van andermans charisma of van enkele populaire standpunten
    3. Op alle gebieden en door iedere kandidaat moet kwaliteit geleverd worden!  
  3. Directe vertaalslag tussen stemmen op ideeën en vorming v.h. regeerakkoord:
    1. Door per thema te stemmen, wordt de inhoud van het regeerakkoord veel directer door de kiezer bepaald; het is vooral de taak van het kabinet om tot een financieel verantwoorde eenheid van de beleidskeuzes te komen;
    2. Omdat de kiezer veel concreter heeft gestemd, kan hij ook veel duidelijker nagaan wat de consequenties van z´n eigen keuzes zijn.

3. PROBLEMEN GECONSTATEERD DOOR MAURICE DE HOND (TER AANVULLING)

Zie zijn voorstel voor een ´slagvaardige democratie´ op www.mauricedehond.nl.

- Door De Hond geconstateerde problemen:

  1. Bestuur heeft te weinig slagkracht:
    1. afgelopen 30 jaar ruim 15% een demissionaire regering;
    2. zeer trage besluitvorming.
  2. Zeer indirecte vertaalslag tussen stemmen op partijen en vorming v.h. landsbestuur:
    1. partijen maken onderling uit met welke combinatie de regering wordt gevormd;
    2. na val op 16 oktober 2002 pas na ruim een half jaar een nieuwe regering.

- Mijn oplossing voor de problemen geconstateerd door Maurice de Hond:

  1. Regering heeft meer slagkracht doordat het van kiezer concrete mandaten krijgt:
    1. regering krijgt per thema van de kiezers te horen wat hun te doen staat;
    2. hierdoor snellere besluitvorming.
  2. Directe vertaalslag tussen stemmen en vorming v.h. landsbestuur:
    1. de samenstelling van het kabinet ligt vast tegelijk met de verkiezingsuitslag;
    2. eerste opdracht van het kabinet: het samensmelten van de zes beleidskeuzes tot één financieel verantwoord regeerakkoord.

4. VERGELIJKING MET HET VOORSTEL VAN MAURICE DE HOND:

Wat zijn de overeenkomsten en de verschillen met de ´slagvaardige democratie´ van De Hond?

- Overeenkomsten:

  1. Kiezer kan stemmen per internet, telefoon en stembureau.
  2. Gekozen premier.
  3. Staatshoofd speelt geen rol meer na de verkiezingen.
  4. Eventueel diverse mogelijkheden tot het organiseren van een referendum.
    1. Argument tegen: Het fenomeen referendum heeft als bezwaar, dat er een zwart-wit-besluitvorming plaatsvindt. Volksvertegenwoordigers zijn beter in staat belangen af te wegen en genuanceerd te oordelen.
    2. Argument voor: het alleen maar toenemende gebruik van internet maakt een politieke rol voor het referendum steeds voordehandliggender.
    3. Eerste Kamer evt. vervangen door laagdrempelige mogelijkheid v. referendum

- Bij De Hond wel, bij mij niet:

  1. Premier vormt zijn eigen kabinet.

  2.  Premier moet meer dan 50% van de stemmen hebben (evt. tweede ronde).

  3. Het lijkt mij voor de kiezer aangenamer om één keer per vier jaar over 5 thema´s zijn stem uit te brengen dan het in eerste instantie geforceerd met één partij helemaal eens te moeten zijn en vervolgens per wet voor of tegen te moeten stemmen.

  4. Districtenstelsel. — Mijn bezwaren hiertegen:

a.      Nederlanders zijn veel te individualistisch voor een regionaal wij-gevoel. Mijn hart gaat niet sneller kloppen wanneer ik een Utrechtenaar in de Kamer zie.

Ø      In mijn systeem kan men zo individualistisch of collectivistisch zijn als men maar wil.

b.      Het gaat in de Kamer om algemeen beleid, niet om regionaal beleid. En is het toch de bedoeling dat districtkandidaten hun eigen gebied vertegenwoordigen in de Kamer, dan zie ik liever dat zij een thema vertegenwoordigen, want dat is toch inhoudelijk relevanter dan het knokken voor een regio.

Ø      In mijn systeem profileren Kamerleden zich door hun ideeën over thema´s die de hele samenleving en niet alleen een bepaalde regio ten goede komen.

c.      Mensen in de directe omgeving delen niet per se dezelfde zorgen en dromen. Denk opnieuw aan ons individualisme en aan de vele forensen.

Ø      In mijn systeem hangt de waarde van een kandidaat niet af van het feit dat hij uit mijn regio komt, maar van het feit dat hij een goed beleid op een bepaald thema voorstaat.

d.      Het gevaar van cliëntelisme, doordat kandidaten een hele specifieke achterban hebben. Een kloof tussen kiezer en gekozene is natuurlijk slecht, maar te nauwe banden ook! De volksvertegenwoordiger moet het algemeen belang nastreven.

Ø      In mijn systeem is het belang niet een bepaalde groep, maar een bepaald thema.

e.      Regionale kandidaten bevorderen alleen maar de hedendaagse neiging om meer op de persoon te letten dan op de inhoud. En een aardige, vertrouwen wekkende persoonlijkheid zegt nog niets over zijn politieke ideeën.

Ø      Mijn systeem bevordert niet de persoonsgerichtheid, maar de beleidsgerichtheid, hoewel men natuurlijk altijd meer op de persoon dan op de inhoud kan letten.

- Bij mij wel, bij De Hond niet:

  1. Kiezer stemt per thema.
  2. Samenstelling van het kabinet ligt onmiddellijk vast na de verkiezingen.
  3. Mijn voorstel past binnen het regeerakkoord van D66-CDA-VVD, waarvolgens de vernieuwing geen grondswetswijziging mag betekenen.

5. AANWIJZINGEN VOOR HET BEOORDELEN VAN EEN VERNIEUWINGSVOORSTEL

Op welke zaken moet men letten wanneer men een vernieuwingsvoorstel op zijn merites wil beoordelen?  

- Werp een vernieuwingsvoorstel niet tegen wat je iedere democratie kan tegenwerpen

  1. Geef je burgers vrijheid, dan zijn absurde/onbevredigende toestanden altijd mogelijk.
  2. Een meritocratie genereert doorgaans onvrede aan de onderkant v.d. samenleving.

- Beoordeel een voorstel óók op de richting waarin wordt gedacht

Het voorstel kan beroerd zijn, terwijl de richting waarin wordt gedacht correct is!

- Ga na of een nieuw systeem misschien een andere manier van denken veronderstelt

  1. Pas de huidige manier van denken niet klakkeloos toe op een nieuw systeem.
  2. Besef dat het wijzigen v.h. spel ook het strategisch en psychologisch denken wijzigt.

- Beoordeel ieder democratisch systeem niet op zichzelf, maar t.o.v. andere systemen

  1. Het gaat niet om de waarde van ieder democratisch systeem op zich, maar om de waarde ervan vergeleken met alternatieve systemen.
  2. Systemen die 40 jaar geleden nog als goed vernieuwingsvoorstel konden gelden (zoals het districtenstelsel), moeten nu opnieuw op hun merites worden beoordeeld.
  3. Ga voor het minst beroerde systeem (Churchill: “it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried”)!

6. UITWERKING VAN MIJN VERNIEUWINGSVOORSTEL

Implicaties en concretiseringen van de richting waarin ik de oplossing voor de problemen zoek

- Ik beperk mij tot Tweede Kamer, maar het systeem is op alle niveaus toe te passen

  1. Kiezer stemt per thema op gemeentepartijen; samenstelling van het College van B&W ligt vast na de verkiezingen; burgemeester wordt gekozen per referendum.
  2. Kiezer stemt per thema op provinciale partijen; samenstelling van het College van Gedeputeerde Staten ligt vast na de verkiezingen; Commissaris van de Koningin wordt gekozen per referendum.

- De Tweede Kamer en de Kamerleden:

  1. De Kamerzetels zijn opgedeeld in zes themagebieden van elk 25 zetels.
  2. Kamerleden vertegenwoordigen niet alleen een partij, maar ook een thema. Weliswaar denken en beslissen zij over alle zaken mee, maar het thema dat zij vertegenwoordigen is steeds hun eerste aandachtsveld.
  3. De nieuwe Kamerleden zullen lijken op de huidige Tweede Kamerspecialisten. Maar vóór de verkiezingen is al duidelijk wie welk thema zal vertegenwoordigen.

- De thema´s en departementen:

  1. Per thema stellen partijen een lijst van kandidaten samen en bepaalt de kiezer wie het beste beleid propageert. (Electronisch stemmen zal hierbij bevorderlijk zijn.)
  2. De thema´s vallen samen met die van de departementen (indien het aantal sterk wordt teruggebracht), of met een cluster van departementale thema´s.
  3. Twee suggesties, waarbij een maximum van zes thema´s wordt aangehouden:

Geen wijzigingen in de huidige departementen

 

1. Buitenland

- Min. van Buitenlandse Zaken
- Min. van Defensie

2. Binnenland

- Min. van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Min. van Vreemdelingenbeleid en Integratie
- Min. van Justitie

3. Inrichting

- Min. van Volkshuisv., Ruimt. Ordening & Milieubeheer
- Min. van Landbouw, Natuurbeheer van Visserij
- Min. van Verkeer en Waterstaat

4. Samenleving

- Min. van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
- Min. van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

5. Werk

- Min. van Economische Zaken
- Min. van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

6. Financiën

- Min. van Financiën

Wijzigingen in de huidige departementen

 

1. Buitenland       

- Min. van Buitenlandse Zaken
- Min. van Defensie

2. Binnenland

- Min. van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Min. van Vreemdelingenbeleid en Integratie
- Min. van Justitie

3. Natuur

- Min. van Milieubeheer, Natuurbeheer en Waterstaat
- Min. van Volksgezondheid en Sport

4. Samenleving

- Min. van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
- Min. van Volkshuisvesting, Ruimt. Ordening & Verkeer
- Min. van Sociale Zaken en Welzijn

5. Economie

- Min. van Economische Zaken en Werkgelegenheid
- Min. van Landbouw en Visserij

6. Financiën

- Min. van Financiën

 
  1. De thema´s dient men zo te clusteren, dat de gebruikelijke meningsverschillen onder kiezers (de rode, blauwe, groene, expliciet-godsdienstige benadering) duidelijk tot uitdrukking kunnen komen.
  2. De inhoud van zowel de thema´s als de departementen staat vast en kan door de Kamer alleen bij een tweederde meerderheid worden gewijzigd.

Ø      Dit moet voorkomen dat een coalitie vlak voor een verwachte verkiezingsnederlaag nog snel de thema´s en departementen in eigen voordeel verandert.

  1. De partij met binnen een thema de meeste stemmen, levert de minister voor het betreffende ministerie (of voor de ministeries die tot het cluster van thema´s behoren).
  2. Keuzemogelijkheid: Of álle ministeries zijn vertegenwoordigd in het kabinet, of (zoals D66 voorstelt) er is sprake van een kernkabinet bestaande uit de premier en per thema één kernminister. In het laatste geval berust de dagelijkse leiding over de departementen bij onderministers die verantwoording schuldig zijn aan de kernminister.

- De premier:

  1. De premier wordt per referendum gekozen, staat boven de thema´s en houdt toezicht op het totaalbeleid.
  2. De premierkandidaat hoeft niet te behoren tot de gevestigde (of grootste) partijen, maar kan zich op andere terreinen hebben bewezen als een uiterst bekwaam voorzitter en bemiddelaar.

- Financiën:

  1. De kiezer bepaalt grofweg wat de financiële koers moet zijn van het kabinet; deze koers bepaalt mede de wijze waarop, en de mate waarin, aan de beleidskeuzes van de kiezer kan worden tegemoetgekomen.
  2. Omdat in dit systeem niet partijprogramma´s maar thematische beleids­programma´s centraal staan, verandert ook het zwaartepunt in het kabinet: dit moet inhoudelijk veel directer aansluiten bij de beleidskeuzes van de kiezer.
  3. Dit systeem vereist dus een andere manier van denken: niet de principiële partijvisies over financieel overheidsbeleid vormt hier de voornaamste richtlijn tijdens het opstellen van het regeerakkoord (zoals in het huidige systeem), maar de beleidskeuzes van de kiezer.

- De macht:

  1. Er vindt geen letterlijke kabinetsformatie plaats, daar bij de verkiezingsuitslag al vaststaat wie de premier wordt en welke partij welke (onder)ministers levert. De ´kabinetsformatie´ bestaat alleen uit het opstellen van het regeerakkoord.

  2. De macht van partijen is tijdens het opstellen van het regeerakkoord aanmerkelijk kleiner dan nu, doordat de kiezer veel preciezer heeft aangegeven welk beleid per thema moet worden aangehouden.

  3. Het kabinet, door de kiezer samengesteld, heeft minder te zeggen over de te varen koers en moet er vooral voor zorgen dat de verschillende beleidskeuzes van de kiezer worden verenigd tot één financieel verantwoord regeringsbeleid, waarbij eventuele tegenstellingen tussen de zes beleidskeuzes worden wegonderhandeld.

  4. Belangrijk in dit systeem: Policiti zullen willen voorkomen dat een meerderheid van de partijen binnen een thema dezelfde visie deelt, terwijl een partij met een minderheidsvisie toch de meeste stemmen behaalt en dus de minister levert. Daarom zullen partijen binnnen een bepaald thema met één kandidatenlijst komen, wanneer hun beleid binnen dit thema voldoende overeenkomt. — Het aantal partijen waaruit men per thema kiezen kan, zal dus naar alle waarschijnlijkheid dalen. Alleen de partijen met onverenigbare standpunten blijven binnen de thema´s over.

7. SLOTOPMERKINGEN

Wat niet te vergeten bij de beoordeling van dit voorstel

  1. Werp een vernieuwingsvoorstel niet tegen wat je ieder democratisch systeem kan tegenwerpen! Geef je burgers vrijheid, dan zijn extreme toestanden altijd mogelijk.
    1. Mijn systeem laat bijv. toe, dat de zes beleidskeuzes van de kiezers onderling nogal tegenstrijdig zijn. Daarom geldt voor dit systeem: hoe tegenstrijdiger de zes winnende beleidskeuzes van de kiezer, hoe meer het kabinet een mandaat wordt gegeven om knopen door te hakken en te komen tot een compromis.
    2. In plaats van dat de burger almaar klaagt over het regeringsbeleid, kan de regering in dit systeem ook de bal terugspelen en heel duidelijk aangeven wat de gevolgen zijn van de (tegenstrijdige) beleidskeuzes van de kiezer.
  2. Besef dat het huidige politieke denken niet klakkeloos is toe te passen op mijn voorstel. Wie de regels van het politieke spel verandert, wijzigt onvermijdelijk ook de strategische en psychologische mogelijkheden van politici.
    1. In mijn systeem gaat het niet meer alléén (of zozeer) om het verenigen van partijprogramma´s, maar óók — en zelfs vooral — om het verenigen van de zes beleidskeuzes van de kiezer, zodat er één regeringsbeleid ontstaat.
    2. Ook het politieke denken wordt daarom meer een bestuurlijke aangelegenheid en minder een samenspel van partijprogramma´s. Kabinetsleden zullen minder ´op hun ideologische strepen´ kunnen staan dan nu, want de kiezer heeft niet alleen voor het beleid gekozen dat zij afzonderlijk moeten realiseren, maar ook voor het beleid dat door de andere kabinetsleden wordt vertegenwoordigd. De premier moet vooral eenheid scheppen en kan zelfs partijloos zijn, d.w.z. wel een bestuurder maar geen vertegenwoordiger van een partijprogramma.
    3. Omdat kiezers veel concreter (want per thema) aangeven wat zij verwachten van de overheid, zullen de leden van het kabinet veel concreter dan nu moeten bezien hoe zij gezamenlijk de uiteenlopende wensen van de kiezer kunnen realiseren.
  3. Beoordeel niet alleen de concretiseringen in dit voorstel, maar ook — en afzonderlijk — de richting waarin wordt nagedacht over een oplossing voor huidige problemen.
  4. Beoordeel dit voorstel niet op zichzelf, maar in vergelijking met alternatieve systemen.
  5. Een ideale democratie bestaat niet. Ga voor het minst beroerde systeem.!

© 2007 Websophia - Over de auteur: Evert Jan Ouweneel - Uw reactie naar: mail@websophia.com