Websophia Evert Jan Ouweneel Uw reactie 

De zonde der gelatenheid

Evert Jan Ouweneel

samenvatting

Mede uit verzet tegen de ideeën van zijn leermeester, ontwierp Aristoteles een leer van de kosmos die bijna 2000 jaar wist stand te houden. Kenmerkend in deze kosmologie is de scheiding tussen het bovenmaanse (de hemellichamen) en het ondermaanse (de aarde), waarbij het bovenmaanse volmaakt is door zijn bolvormigheid, cirkelbeweging en volmaakte substantie. Kenmerkend is ook de gedachte, dat alle dingen gericht zijn op de verwezenlijking van hun volmaakte vorm, wat voor de volmaakte planeten betekent, dat zij alleen nog als de Onbewogen Beweger kunnen worden die boven de kosmos troont en in volmaakte rust volstrekt genoeg heeft aan zichzelf als denken van het denken. 

Vanaf de 13e eeuw zien wij het wetenschappelijke denken een revolutionaire wending nemen. Roger Bacon breekt met de ´schoolse´ onderwerping van zijn tijdgenoten aan de ´autoriteiten´, met name Augustinus en Aristoteles, en stelt: gebruik je eigen ogen! “Zonder ervaring kan niets afdoende geweten worden.” Willem van Ockham onderbouwt deze stelling door te beweren dat alleen de onmiddellijke waarneming en geen enkel algemeen dogma zekerheid kan verschaffen, daar alles kan ineens anders zijn als God het wil. Nicolaus Cusanus breekt met het Griekse matigheidsdenken en stelt vanuit de wiskunde, dat het volmaakte niet begrensd (bolvormig), maar oneindig is. Nicolaas Copernicus breekt met het geocentrisme van Aristoteles en poneert zijn heliocentrische opvatting: de zon is in rust en de aarde draait eenmaal per jaar om de zon en eenmaal per dag om haar as. Johannes Kepler stelt dat de bewegingsbaan van planeten geen cirkel is, maar een ellips. Bij Galileo Galilei treffen wij voor het eerst een duidelijke wiskundige methode der natuurwetenschap aan. Galilei bewijst onder meer een algemeen bewegingspatroon voor vallende en geworpen voorwerpen. Isaac Newton stelt de bewegingswetten van Kepler en Galilei voor als toepassingen van de wet van de zwaartekracht. Daarmee valt Aristoteles´ dualisme van bovenmaans en ondermaans definitief in duigen. De nieuwe, zgn. ´klassieke´, fysica is universeel!

Het succes van de wetenschap in de 16e en 17e eeuw roept in dezelfde tijd drie grote vragen op. Francis Bacon vraagt Wat is het doel van kennisvergaring? en antwoordt: heerschappij over de schepping, met name ter verlichting van de omstandigheden van de mensheid. René Descartes vraagt: Wanneer kan kennis als waar worden beschouwd? en antwoordt: wanneer het even evident is als de waarheid dat ik besta omdat ik denk (cogito ergo sum). Thomas Hobbes vraagt: Als alles natuurwetmatig verloopt, is er dan wel ruimte voor menselijke vrijheid? en antwoordt: jawel, maar dee mens is even noodzakelijk (of wetmatig) menselijk als een hond honds is. Zijn vrijheid is dus niet de keuze voor of tegen zijn eigen menselijkheid, maar het verschijnsel dat men ongehinderd doet wat men wil doen.

Echter, niet de vrijheidsopvatting van Hobbes, maar die van Descartes wordt door de meesten omarmd. En wat overheerst in het vrijheidsdenken van Descartes? De theologie van Aristoteles! Descartes meent namelijk, dat de autonome vrijheid van het bewust instemmen met het ware en goede leidt tot de autarkie van een geest, die door “deugd en wijsheid” “volmaakt tevreden en bevredigd” is. Waarom? Omdat de mens uiteindelijk alleen maar denken is! In het denken van het denken vindt het denken (de geest, de ziel) daarom zijn laatste rust. Later is dit het ‘zelf voelen van het zelf-gevoel’, nog weer later het ‘zelf gestalte geven van de zelf-gestalte’ en in de 20ste eeuw het ‘zelf ontwerpen van het zelf-ontwerp’ als ideale activiteit geworden. Het aristotelische streven van de westerse mens naar zelfgenoegzaamheid bleef echter ongewijzigd, waardoor wij ten slotte moeten toegeven, dat de kosmische goden van Aristoteles weliswaar onttroond zijn, maar dat zijn Oppergod nog altijd niet verslagen is. Na 2500 jaar trekt Aristoteles nog altijd aan de touwtjes!

DEEL I: DE KOSMOLOGIE VAN ARISTOTELES

In zijn geschrift Timaeus beschrijft Plato hoe de goddelijke wereldformeerder, de Demiurg, als een ambachtsman de wereld schept naar het model van de Ideeënwereld. In het tweede college (‘De zonde der onwetendheid’) werd al opgemerkt, dat Aristoteles niets moest hebben van deze gedachte, daar zij innerlijk tegenstrijdig en dus onredelijk is.

De tegenstrijdigheid klinkt alleen al door in de uitdrukking ‘goddelijke wereldformeerder’. Hoe kunnen ‘goddelijk’ en ‘formeerder’ ooit samengaan? Als God de kosmos geformeerd zou hebben, zou hij ten eerste niet meer onveranderlijk zijn. Er zou immers een verandering in zijn behoeften zijn opgetreden. En mocht de behoefte aan scheppen zelf onveranderlijk zijn, dan zou hij veranderd zijn doordat hij ineens aan deze behoefte had toegegeven. Ten tweede zou hij tijdens het scheppen niet meer onafhankelijk zijn van de behoefte om te scheppen, en dus niet zelfgenoegzaam. Ten derde zou hij aan iets lagers behoefte hebben (nl. de kosmos) en dus opnieuw niet onafhankelijk en zelfgenoegzaam zijn. De kosmos kan dus niet geschapen zijn en moet dus eeuwig zijn, in de dubbele zin van ‘ongeworden’ en ‘onvergankelijk’. Het is zelfs zo dat God de kosmos niet kent, want dan zou hij voor een deel van zijn kennis van iets lagers afhankelijk zijn. God is denken - want ‘zijn en denken is één en hetzelfde’ (Parmenides) -, maar dan wel het denken van het denken. God kan alleen op zichzelf gericht zijn in zijn denken. Zijn activiteit is de loutere intellectualiteit van een intellect dat uitsluitend op zichzelf betrokken is. God is het Ene Waarlijk Zijnde, waaraan de zes kenmerken van Parmenides kunnen worden toegeschreven.

Maar als God niets met de eeuwige kosmos te maken heeft, waarom is deze er dan? Omdat, zegt Aristoteles, God de Onbewogen Beweger is: met zijn kracht is God in de kosmos aanwezig, maar zijn wezen is transcendent en hoort niet tot de kosmos. God is als een magneet: zonder zelf te bewegen kan hij door zijn kracht anderen laten bewegen. Hierdoor kan er méér zijn dan het Waarlijk Zijnde, zonder dat er sprake is van de tegenstrijdigheid die Aristoteles bij Plato tegenkomt.

Als echter alles door het Waarlijk Zijnde wordt voortbewogen, hoe kan er dan wanorde en vergankelijkheid bestaan? Aristoteles: omdat Gods kracht op aarde alleen índirect aanwezig is. De directe invloed van Gods kracht houdt op bij de maancirkel, wat de kosmos verdeelt in het ‘bovenmaanse’ en ‘ondermaanse’. In het ondermaanse wordt Gods kracht doorgegeven via het principe van tegen elkaar aan vallende domino-stenen, met de hemellichamen als eerste Bewogen Bewegers.

Dit laatste wordt beschreven in de volgende passage uit Over de kosmos (volgens A.P. Bos een geschrift van Aristoteles, maar dit wordt betwist): "De goddelijke natuur deelt, door een enkele beweging van de eerste hemel, haar kracht mee aan het daaraan grenzende en vandaar weer aan wat verder verwijderd is, totdat zij de totale werkelijkheid doortrokken is. Want het één wordt door het ander bewogen en dat brengt zelf weer op ordelijke wijze wat anders in beweging, terwijl zij alle hun eigen activiteit realiseren, die voortvloeit uit hun constitutie. Niet volgt alles dezelfde koers, maar verschillende en ongelijksoortige, soms ook een tegengestelde, terwijl toch de eerste aanzet tot de beweging om zo te zeggen één en dezelfde was." [1]

Het ondermaanse is zelfs tot in haar grondstof onvolmaakt, doordat het uit de veranderlijke en beweeglijke elementen water, vuur, aarde en lucht bestaat. Het bovenmaanse daarentegen bestaat uit een goddelijk en onveranderlijk element aether. [2] Uit deze vijfde substantie bestaan de hemellichamen: de zon, de maan, de planeten en de sterren. Zij zijn de ‘aether-goden’.

Nog iets anders maakt de hemelgoden volmaakt: hun bolvormigheid en cirkelbeweging. Voor de Grieken stond oneindigheid gelijk met onafheid, onvolkomenheid. Parmenides vergeleek het Ene Waarlijk Zijnde daarom met "de massa van een gaaf ronde bol". Een bol is namelijk begrensd en overal gelijk, want even ver verwijderd van het middelpunt. Ook Aristoteles beschouwt de hemellichamen en de gehele kosmos als bolvormig. Bovendien meent hij (in navolging van Plato), dat de aether-goden een gelijkmatige cirkelbeweging maken, daar deze beweging niet alleen begrensd, letterlijk ´afgerond´ is, maar ook eeuwig, zonder begin of einde. [3]

Het doel (telos) van elk ding is de volmaaktheid van zijn eigen vorm of idee (vgl. Plato) te bereiken. Dat elk ding ook daadwerkelijk streeft naar zijn natuurlijke plaats en bestemming in de kosmos, komt door de vormende krachten die hij in zich draagt. En dat elk ding niet meteen volmaakt is, maar zich nog moet ontwikkelen richting de volmaaktheid, komt doordat de materie (hylè) weerstand biedt aan zijn vormende krachten. Door de materie worden elk ding vertraagd in de verwerkelijking van zijn eigen volmaaktheid. Daarom is ook de mens niet meteen een volmaakt wezen, maar wordt hij als baby geboren en moet hij zich nog ontwikkelen richting de ´volwassenheid´.

Nu hebben de hemellichamen al een volmaakte substantie (aether), de volmaakte vorm en ook al de volmaakte cirkelbeweging. Wat kan hun doel nog zijn? Door de aether-goden kan alleen nog het einde van alle beweging worden nagestreefd, oftewel: de Onbewogen Beweger. Dat maakt van de allerhoogste God niet alleen de Beweger en de Bewaarder, maar uiteindelijk ook het Doel en de magnetische Aantrekkingskracht van heel de kosmos. De beweging die van God uitgaat, is zelf ook weer een volmaakte cirkelbeweging; de eeuwige beweging die van God uitgaat, streeft ernaar weer terug te keren tot de Oorsprong. Aristoteles noemt God daarom de Doeloorzaak (Causa finalis) van de kosmos. Terugkeer is het doel, de bestemming, van de eeuwige oorzaak. Ter contrastering spreekt Aristoteles over Plato´s Demiurg als de Werkoorzaak (Causa efficiens) van de kosmos: deze brengt scheppend een beweging op gang, hetgeen voor Aristoteles onaanvaardbaar is.

Men noemt de natuurbeschouwing van Aristoteles teleologisch, daar zij steeds gericht is op het doel (telos) van elk natuurproces. Een typisch teleologische vraag is deze: Waarom valt een losgelaten steen naar beneden en niet omhoog? Het typisch teleologische antwoord erop luidt: Omdat de natuurlijke plaats van de steen de aarde en niet de lucht is.

Deze benadering heeft niet standgehouden. De moderne wetenschapper wil niet meer zozeer weten waarom of waartoe een steen valt, hij wil weten hoe de steen naar beneden valt. Op voor manier, langs welke baan, met welke snelheid of versnelling beweegt zich een voorwerp voort? Aannemend dat een bewegingsproces niet teleologisch maar mechanisch verloopt, zal hij op zoek gaan naar regelmatigheidspatronen, oftewel naar natuurwetten.

Aan deze verschuiving van de waarom-vraag naar de hoe-vraag is het volgende deel gewijd. Even onverbiddelijk als de opgaande zon zullen wij het aristotelische, dualistische, geocentrische, teleologische matigheidsdenken zien plaats maken voor een universalistisch, heliocentrisch, mechanistisch en mathematisch oneindigheidsdenken.

DEEL II: DE OVERWINNELIJKE ARISTOTELES

Roger Bacon (1212-±1294)

Om de Engelsman Roger Bacon te begrijpen, moeten wij iets van zijn tijd afweten. Bacon leefde in de tijd van de Scholastiek, dit is de tijd van 800 tot 1400 na Christus. Ooit, in een ver verleden, probeerden de kerkvaders de Bijbel verstaanbaar te maken voor de volkeren van rond de Middelandse Zee. In de Scholastiek was men een fase verder en probeerde men de ´autoriteiten´ verstaanbaar te maken voor de Germaanse volkeren. Deze ´autoriteiten´ waren enerzijds de kerkvaders als uitleggers van de Bijbel (hoofdzakelijk Augustinus), anderzijds de antieken: eerst Plato en de Neo-platonisten, vanaf de 13e eeuw vooral Aristoteles en wat Arabische en joodse denkers.

Bacon leefde in de 13e eeuw en dus in een tijd, waarin men zijn antwoorden vooral zocht in het (logisch) bevestigen van wat Augustinus en Aristoteles al hadden opgemerkt. Precies hierop richt Bacon zijn peilen. Drie verwijten maakte hij zijn tijdgenoten: 1) Zij weten niet waarover zij praten, doordat zij onvoldoende kennis hebben van de taal waarin de ´autoriteiten´ schreven: Grieks en Arabisch. De beschikbare vertalingen, óók die van de Heilige Schrift, kunnen volgens Bacon het beste worden verbrand. 2) Zij hebben onvoldoende kennis van datgene wat volgens Bacon de grondslag vormt voor alle wetenschappen, namelijk de wiskunde. En 3) zij volgen blindelings de ´autoriteiten´, in plaats van hun eigen zintuigen in te zetten. Wil men tot ware wetenschap komen, dan zal men volgens Bacon zélf moeten observeren en experimenten. "Zonder ervaring kan niets afdoende geweten worden."

Vooral met deze laatste stellingname legde Bacon de bijl aan de wortel van het aristotelische denken. Want het was de ´schoolse´ onderwerping van de late Middeleeuwers aan Aristoteles, waardoor hij nauwelijks werd bekritiseerd, en het was de onmiddellijke waarneming der natuur, waardoor veel ideeën van Aristoteles uiteindelijk onhoudbaar bleken.

De tijdgenoten van Bacon hadden zijn ondermijnende invloed enigszins door en wantrouwden zijn experimenten. Men verbood hem zijn ontdekkingen op te tekenen en aan anderen mee te delen. Voor tien jaar werd Bacon naar Frankrijk verbannen toen hij probeerde dit verbod te ontduiken. En toen de hem welgezinde paus Clemens IV gestorven was, werd hij, kort na zijn terugkeer in Engeland, gevangen gezet en voor de rest van zijn leven in een kerker gehouden, waar hij, waarschijnlijk in 1294, overleed.

Willem van Ockham (±1290-1349)

Op een heel andere wijze heeft Willem van Ockham bijgedragen aan de opkomst van het nieuwe wetenschappelijke denken. Zijn gedachtengoed zou men kunnen omschrijven als een filosofie van Gods wil. Feitelijk heeft hij namelijk alleen maar de (uiterste) consequenties getrokken uit de volgende gedachte: God is in absolute mate vrij en machtig en kan daarom alles doen wat hij wil, zolang er maar geen sprake is van een logische contradictie.

Volgens Ockham dient men dit gegeven eenvoudig in geloof te aanvaarden, daar het niet te bewijzen valt. Het behoort tot het Algemeen Onbetwijfeld Christelijk Geloof. Maar het heeft de nodige implicaties. [4] Want is de wil van God absoluut vrij, dan moet de wereld een volstrekt contingente wereld zijn. De wereld is dan niet noodzakelijk zoals zij is, maar kan ook anders zijn, als God het wil. En zijn de dingen niet noodzakelijk zoals zij zijn, dan kunnen wij alleen door ervaring erachter komen hoe de dingen zijn en hoe wij zelf zijn; dan is de enige basis voor ons kennen de onmiddellijke gewaarwording der individuele dingen: intuïtieve kennis.

Ockham sluit hier nauw aan bij Bacons nadruk op observeren en experimenteren. Maar Ockham gaat verder. Is de waarheid alleen in de individuele ervaring gelegen, dan kunnen de kerkelijke dogma’s (met name die over Christus, de Triniteit en Gods eigenschappen) alleen in geloof worden aangenomen omdat zij niet op ervaring berusten. Sterker nog: men kan ze alleen geloven tégen het verstand in! Want met het geloof beschouwt men de algemene geloofs- en leerstellingen als oorspronkelijke waarheid, maar het verstand zegt dat algemene kennis slechts afgeleide kennis is, omdat alleen in de individuele ervaring waarheid is gelegen. Wie de theologie toch als oorspronkelijke waarheid wil blijven zien, zal daarom van een "dubbele waarheid" moeten uitgaan: de waarheid van het weten (de natuurlijke kennis van filosofie en wetenschap) en de waarheid van het geloof (de boven-natuurlijke kennis van de theologie); waarbij men de laatste waarheid als absurditeit aanvaardt (credo quia absurdum).

Aldus radicaliseert Ockham de scheiding tussen geloof en weten, die eerder al door Thomas van Aquino was aangebracht. Zijn radicalisering heeft grote invloed op het verdere westerse denken. Zowel de gelovigen als de wetenschappers voelen zich bevrijd…

De gelovigen zien zich bevrijd van het rationele denken en durven het geloof in al zijn bovenverstandelijkheid uit te spreken. Met Johannes Eckhart (1260-1327) ontstaat in Europa een mystieke opwekkingsbeweging. De stelling van Ockham dat het gelovig weten boven het verstand uitgaat, kan door deze mystici van harte worden beaamd. Mystieke, bovenverstandelijke, éénwording met God, of wat het dichtst daarbij in de buurt komt, vormt het levensdoel van de mens.

De wetenschappers zien zich daarentegen juist bevrijd van het kerkelijk geloof en laten zich onbelemmerd niet meer door de kerk maar door de natuur beleren. Echter niet meer door een teleologische bril, maar door een wiskundige bril. Ontraditionele theorieën als die van Copernicus en Galilei weerstaan het verzet van de kerk. De emancipatie van de wetenschap blijkt onstuitbaar…

Nicolaus Cusanus (1401-1464)

Bij Roger Bacon en Willem van Ockham zien wij hoe het gezag van Aristoteles wordt ondermijnd. Bij kardinaal Cusanus zien wij een eerste aantasting van de aristotelische inhoud. Het beginpunt van Cusanus´ denken is namelijk niet het Griekse matigheidsdenken, maar het mathematische denken. En vanuit de wiskunde stelt hij, dat het volmaakte niet begrensd (bolvormig), maar oneindig is.

God is ook bij Cusanus, net als bij Aristoteles, het absolute Ene. Maar wiskundig gezien wordt deze eenheid alleen bereikt in het oneindige. Vóór het oneindige bestaan er namelijk nog altijd tegenstellingen. Dan zijn er nog veelhoeken die verschillen van cirkels, en cirkels die verschillen van rechte lijnen. Wanneer een veelhoek echter oneindig veel hoeken heeft, gaat hij over in een cirkel, en een cirkel met een oneindig grote straal buigt uit tot een rechte lijn. Als God dan de absolute eenheid van alle tegenstellingen vormt, dan moet Hij de Oneindige zijn. En is de kosmos de ontvouwing van God, zoals Cusanus bijna pantheïstisch beweert, dan moet ook de kosmos oneindig zijn (en niet een bol).

Nu valt dit oneindige niet te denken. God moet dus boven het denken staan. En omdat volgens Cusanus het hoogste doel van de mens bestaat in het aanschouwen van deze bovenverstandelijke eenheid (vgl. Plato en Aristoteles!), weet hij de mystiek en de mathematica van zijn tijd in één perspectief te verenigen. Intussen is het Griekse en aristotelische matigheidsdenken verleden tijd.

We lopen nu enkele wetenschappers langs, die op prominente wijze gestalte hebben gegeven aan de zgn. ´klassieke´ natuurwetenschap (klassiek heeft hier dus niets met de klassieke Oudheid van doen). En het zal overduidelijk zijn: bij iedere wetenschappers blijkt Aristoteles het kind van de rekening.

Nicolaus Copernicus (1473-1543)

Aristoteles en Ptolemeus (±100-170 na Chr.) meenden, dat de aarde het rustend middelpunt van het heelal vormt. Deze geocentrische opvatting, die de gehele Mid domineerde, was er één van het gezond verstand en de dagelijkse ervaring, volgens welke de zon ´opkomt´ en weer ´ondergaat´. Copernicus brak met dit gezond-verstand-denken en kwam met een heliocentrische opvatting: de zon is in rust en de aarde draait eenmaal per jaar om de zon, en eenmaal per dag om haar as. Copernicus bleef echter wel vasthouden aan de gedachte van Plato, dat de hemellichamen een volmaakte cirkelbeweging maken. Dat maakte zijn systeem er niet eenvoudiger en nauwkeuriger op. Maar met de theorie van Copernicus kon men de afstanden van de planeten tot de zon berekenen, en met die van Ptolemeus niet.

Johannes Kepler (1571-1630)

Copernicus had tevens de gedachte losgelaten, dat hemellichamen gelijkmatig bewegen. Hij ontdekte dat planeten dichter bij de zon een hogere snelheid hebben dan verder daarvandaan. Kepler formuleerde dit principe in zijn tweede wet. Min of meer bij toeval ontdekte hij nog een andere wet, de zgn. eerste wet, namelijk dat de bewegingsbaan van planeten geen cirkel is, maar een ellips, waarbij de zon in een van de twee brandpunten staat. Hoewel de ´aether-goden´ het nu zonder hun volmaakte beweging moesten stellen, bleek deze wet, tezamen met de tweede en nog een derde bewegingswet, nauwkeuriger berekeningen op te leveren. Zijn tijdgenoten, zelfs Galilei en Descartes, waren echter niet enthousiast. Pas omstreeks 1680 begonnen astronomen in te zien dat Keplers wetten fundamenteel juist waren.

Galileo Galilei (1564-1642)

Over de ´aether-goden´ kan men onbegrensd en onbekommerd redeneren, zolang men niet, zoals Galileo Galilei, over een telescoop beschikt, waarmee men kan constateren dat de maan bergen heeft en de zon allerlei vlekken. Dan wordt alles anders en moet het redeneren zich gaan aanpassen aan de waarneming. Dan kunnen de hemellichamen geen volmaakte bollen meer zijn en is het gedaan met de macht van de filosoof. De wetenschapper heeft het nu voor het zeggen!

Galilei komt als eerste tot een duidelijke omschrijving en consequente toepassing van de wiskun dige methode der natuurwetenschap. Galilei wil zich alleen op het hoe en niet meer, zoals Aristoteles, op het waarom en wezen der dingen richten. De eerste natuurwetenschappelijke wetten in moderne zin worden door hem geformuleerd en experimenteel bewezen, waaronder een algemeen bewegingspatroon voor vallende en geworpen voorwerpen.

Isaac Newton (1642-1727)

In het werk van Isaac Newton komen vele eerdere theorieën samen. Men spreekt daarom van de Newtoniaanse synthese. Het betreft vooral de bewegingswetten van Kepler en Galilei. Newton stelt deze wetten voor als bijzondere toepassingen van de wet van de zwaartekracht.

Ik roep in herinnering dat Aristoteles het ondermaanse en bovenmaanse radicaal tegenover plaatste. Beide zijn van een totaal verschillende orde. Het ondermaanse is onvolkomen en bestaat uit onvolkomen substanties. Het bovenmaanse is volkomen in vorm en beweging en bestaat uit een volkomen substantie. Door Newtons wet van de zwaartekracht valt dit dualistische wereldbeeld definitief in duigen. Saturnus wordt door dezelfde zwaartekracht voortbewogen als de appel die van de boom valt. De wet van de zwaartekracht geldt met andere woorden onverminderd op elk denkbeeldig punt van het heelal. Kortom, de nieuwe, zgn. ´klassieke´, fysica is niet dualistisch maar universeel! [5]

De overwinning van Pythagoras en de trouw van God

Ter afsluiting van deze passage over de klassieke natuurwetenschap twee opmerkingen.

1) In de tijd van de Copernicanen was het allerminst vanzelfsprekend dat een wiskundig wereldbeeld als dat van Newton ook de realiteit kon beschrijven. Nog in de 16e en 17e eeuw schaarden de katholieke en protestantse theologen zich achter Aristoteles, die stelde dat aan de wiskunde geen realiteitswaarde kan worden toegekend. Krampachtig hielden zij hieraan vast, ter bestrijding van Galilei´s verdediging van Copernicus in zijn Dialoog over de twee voornaamste wereldbeelden, volgens Ptolemeus en volgens Copernicus (1632). Inmiddels was echter een hernieuwde belangstelling ontstaan voor het werk van Plato. En Plato, daarin sterk beïnvloed door Pythagoras, was van mening, dat wiskundige relaties wel degelijk de realiteit kunnen afbeelden. Copernicus, Kepler, Galilei en Newton schaarden zich achter deze gedachte. En de geschiedenis getuigt van hun overwinning; Pythagoras kreeg het laatste woord. [6]

2) In de tijd van de Copernicanen was het ook allerminst vanzelfsprekend dat de natuurwetten (logisch) noodzakelijk zijn zoals ze zijn. In de geest van velen weerklonk nog altijd de boodschap van Ockham, dat alles ook anders had kunnen zijn, als God dat had gewild. God is soeverein en niet gebonden aan enige (logische) orde, zodat ook de natuurwetten als contingent (niet-noodzakelijk) moeten worden opgevat. – Kepler kwam daarom tussen 1600 en 1610 tot het inzicht, dat de planeten zich weliswaar bewegen in elliptische banen, met een snelheid die volgens een vast patroon varieert… maar dat had ook anders kunnen zijn. Newton slaagt erin te bewijzen dat Keplers wetten volgen uit de zwaartekrachtswet, maar deze wet zelf bewees hij niet. De zwaartekrachtswet is zoals hij is, maar hij had ook anders kunnen zijn, indien God dat had gewild. Tegelijk echter geloofden zowel Kepler als Newton dat God de natuurwetten niet verandert naar willekeur; Hij handhaaft ze op grond van zijn trouw aan de schepping. "Vandaar dat Kepler en Newton geloofden in de waarheid van de door hen gevonden natuurwetten. Dat geloof was niet gebaseerd op waarnemingen, waarvan ze heel goed wisten dat die feilbaar waren. Het was ook niet gebaseerd op hun logische redeneringen, waarvan ze de betrekkelijkheid ook wel inzagen. Maar ze geloofden dat God onveranderlijke wetten gegeven had voor de schepping, en ze geloofden dat deze wetten voor onderzoek vatbaar waren." [7]

Moeten wij, terugkijkend, constateren dat de Copernicanen, van Copernicus tot Newton, de ´aether-goden´ geleidelijk al hun heerlijkheid ontnamen. Of moeten wij zeggen, dat de aarde juist een plaats kreeg toegewezen onder de goden? Dick Stafleu meent het laatste en schrijft: "In het aristotelische wereldbeeld nam de aarde een lage positie in, en het door de kerk gesanctioneerde wereldbeeld sloot zich hierbij aan. Door de aarde als een planeet te beschouwen plaatsten de Copernicanen haar in de hemel. Een positie in de hemel komt beter overeen met het zelfbewustzijn van de Renaissance dan met het veel bescheidener zelfbeeld van de middeleeuwers" [8]. – De teloorgang van het aristotelische wereldbeeld betekende dus juist een verheffing van de aarde! Zij staat niet meer voor al het onvolmaakte, maar blijkt een gelijke onder de goden te zijn.

In het volgende deel zullen wij zien, hoe het aardse, materiële bestaan na de Middeleeuwen inderdaad een positieve herwaardering ondergaat. En wat blijkt bovendien? Terwijl de kosmologie van Aristoteles het moet afleggen tegen die van Copernicus en de zijnen, blijft zijn theologie hoogst actueel. Er is alleen dit verschil, dat de onafhankelijke, zelfgenoegzame God nu niet meer in de hemel troont, maar de gestalte van een mens heeft aangenomen. Anders gezegd: zoals de aarde in de hemel werd geplaatst en dezelfde eigenschappen als die der ´aether-goden´ kreeg toegeschreven, zo komt ook de mens in de hemel terecht en worden hem goddelijke attributen toegemeten.

DEEL III: DE ONOVERWINNELIJKE ARISTOTELES

Het enorme succes van de wetenschap in de 16e en 17e eeuw riep in dezelfde tijd drie grote vragen op: 1) Wat is het doel van kennisvergaring? 2) Wanneer kan kennis als waarheid worden opgevat? 3) Als alles natuurwetmatig verloopt, is er dan wel ruimte voor onze vrijheid?

Francis Bacon heeft zich vooral met de eerste vraag bezig gehouden, René Descartes vooral met de tweede vraag, Thomas Hobbes vooral met de derde vraag. In drie paragrafen worden hun ideeën besproken. In de laatste paragraaf zullen wij stuiten op de onoverwinnelijkheid van Aristoteles.

Francis Bacon (1561-1626)

Francis Bacon kan de heraut van de moderne tijd worden genoemd. Op bezielende wijze poneerden hij enkele gedachten, die het einde van de Middeleeuwen en het begin van de zgn. Nieuwe Tijd (±1500) inluiden, te weten de vooruitgangsgedachte en de emancipatiegedachte.

Bacon werd in zijn tijd niet alleen geconfronteerd met het succes der Copernicanen, maar ook met uitvindingen die grote omwentelingen teweegbrachten in het Europese leven. In de eerste plaats was er de uitvinding van het kompas, die het bevaren van de wereldzeeën mogelijk maakte en daarmee de eeuw van de ontdekkingen inluidde. Tevens was er de uitvinding van het buskruit, die de heersende positie van de ridders in de middeleeuwse maatschappij aan het wankelen bracht en een radicale sociale omwenteling inleidde. Ten slotte was er de uitvinding van de boekdrukkunst, die – samen met de verbreiding van het goedkopere papier in plaats van het kostbare perkament – de voorwaarde schiep voor de ongekende verbreiding van nieuwe geestelijke stromingen. [9]

Bacon verwijst expliciet naar deze uitvindingen om aan te tonen, dat er vooruitgang is geboekt en dat de moderne tijd superieur is aan de oudheid. In feite brak met deze uitvindingen een geheel nieuwe tijd aan, want de oudheid had nooit zulke successen voortgebracht. Alvorens de ideeën van Bacon nader aan te geven, wil ik kort stilstaan bij de vraag, waarom dit laatste zo is. Speelde de wetenschap bij de Grieken niet een even prominente rol? Waarom dan geen technisch succes?

Drie factoren verklaren het Griekse gebrek aan technische vooruitgang. In het tweede college, ´De zonde der onwetendheid´, werd al opgemerkt, dat de mens volgens Plato en Aristoteles zijn heil uiteindelijk niet moet zoeken in het materiële bestaan, maar in het intellectuele schouwen (theoria) van de hoogste wijsheid. Weliswaar verheerlijkten zij de wetenschap, maar dan wel die van de ziel. De bestemming van de mens is Godskennis, of kennis van de goddelijke Ideeën, niet de heerschappij over de (materiële) natuur. Deze gedachte heeft ook het middeleeuwse leven bepaald.

Nauw hiermee verbonden is het feit, dat de Grieken tamelijk geringschattend dachten over arbeid die gericht is op praktisch nut. Voor zover er sprake was van technische verbeteringen, hadden deze vooral betrekking op een verfijnde levensstijl van de bovenlaag, maar niet op het besparen van arbeid. Contemplatie (intellectueel schouwen) stond hoger aangeschreven dan praktisch denken. Wie ontheven was van lichamelijke arbeid, achtte zich erboven verheven.

Ten derde hadden de Grieken geen grote verwachtingen van de toekomst. Eerder was er sprake van een kosmisch kringloopidee. Plato beschrijft in de Staat een bepaalde natuurlijke cyclus van staatssystemen, en de Politica van Aristoteles gaat over de vraag hoe revoluties ontstaan en hoe het ene type staatssysteem wijkt voor het andere. Aristoteles meende, dat geen enkele staatsvorm de mens volledig kon bevredigen en dat deze ontevredenheid leidde tot een eindeloze cyclus waarin de mens de ene staatsvorm verwisselde voor de andere. [10]

Het was de Bijbel die als eerste de vooruitgangsgedachte verkondigde. De rode draad door de Bijbel is namelijk Gods herstellend handelen, waarin steeds weer nieuwe projecten (na een vorig falen) worden opgestart, die door mensen en volken worden uitgevoerd en die "tot heil van alle volken" zijn. Einddoel van al dit handelen is de verwezenlijking van "de nieuwe hemel en de nieuwe aarde". Eén mensenleven is niet genoeg voor deze projecten, de inzet van vele generaties is vereist. Maar de geschiedenis die doorlopen wordt kent vooruitgang – na Israël kwam Jezus – en is bovendien eindig: eens zal de gehele schepping van haar "barensnood" zijn verlost en het einde van de heilsgeschiedenis zijn bereikt. Dan is al het kwaad in hemel en op aarde overwonnen.

Wat gebeurde er echter in de Middeleeuwen: van de voorsprong, die de Bijbel het christendom op de Griekse wijsbegeerte gaf, werd geen gebruik gemaakt. Aansluitend bij de Griekse minachting voor het materiële ten gunste van het zieleleven, werd in het christendom de gedachte dominant, dat de bevrijding niet in dit leven te verwachten viel. Daarbij werd bovendien nogal eens beweerd, dat alles op goddelijke voorzienigheid berustte, dat de aarde eens volledig zal vergaan en dat het bestaan der verlosten in de hemel zal worden voortgezet.

Aldus gelovende werd al het herstellend handelen aan God overgelaten en werd de mens op geen enkele wijze meer opgeroepen zélf bij te dragen aan het (niet alleen geestelijke maar ook materiële) herstel van de aarde. Zij die gebukt gingen onder ziekten of onderdrukking, moesten maar hopen op een beloning in het hiernamaals en op de wederkomst van Christus. Zo deed het christendom, nauw verweven met de politieke macht, precies datgene wat Karl Marx zo razend maakte: het rechtvaardigde de status-quo, de wereld zoals die was, met al haar ongerechtigheid.

Maar toen kwamen de Copernicanen in de 16e en 17e eeuw. Zij hielden niet meer vast aan het aristorelische wereldbeeld, maar begonnen de schepping op te vatten als onderworpen aan een aantal universele wetten. Daarmee bliezen zij de bijbelse vooruitgangsgedachte nieuw leven in. Want wat wil het geval: men hoeft een wet maar één keer te ontdekken; wat één persoon over het mechaniek der schepping te weten komt, kan door de hele mensheid worden overgenomen. De mensheid zal dus alleen maar kunnen vermeerderen in kennis! Zij stal steeds beter gaan begrepen hoe de schepping in elkaar steekt. En alle extra kennis vermeerdert haar macht. Want wie de natuuur steeds beter doorgrondt, kan haar steeds beter beheersen door de wetten ervan te gehoorzamen. En wie de natuur steeds beter beheerst, kan ook het kwade daarin steeds effectiever aan banden leggen.

Het mechanistisch wereldbeeld gaf het bijbels vooruitgangsgeloof dus een nieuwe dynamiek. Men kreeg oog voor het feit, dat verlossing niet een louter hemelse aangelegenheid is, maar ook een aardse aangelegenheid. Eén mens is in staat iets te ontdekken of uit te vinden, dat ´tot heil van alle volken´ kan zijn! Kijk maar naar het buskruit, het kompas en de boekdrukkunst.

Francis Bacon heeft als één van de eersten en op bezielende wijze dit ´geloof in een betere wereld´ beschreven. Het is precies zijn verwijt aan de traditionele aristotelische wetenschappen, dat zij niet hebben bijgedragen "aan de verlichting van de omstandigheden van de mensheid" [11]. Bacon beschouwt het als de morele taak van de wetenschap de natuur steeds beter te leren kennen, met het doel de natuur steeds beter te leren beheersen, met het doel de omstandigheden van de mensheid steeds verder te verlichten. [12]

De Canadese filosoof Charles Taylor wijst erop, dat wij nog altijd erfgenamen van Francis Bacon zijn, omdat wij vandaag bijvoorbeeld grote internationale acties organiseren ter bestrijding van honger of om slachtoffers van orkanen of overstromingen te helpen. Wij beschouwen dit als kwaad dat in principe herstelbaar of te voorkomen is, omdat wij actief kunnen ingrijpen in de natuur. [13]

Voor Francis Bacon dient de wetenschap echter niet alleen ter verlichting van de mens, zij is ook doel in zichzelf. Als kind van de Renaissance meent Bacon namelijk, dat de mens door wetenschap en techniek God imiteert, en dat is een doel in zichzelf. Uitvindingen zijn voor Bacon "als het ware nieuwe scheppingen en nabootsingen van goddelijke werken" [14].

Maar de mens moet er wel voor kiezen schepper binnen Gods schepping te zijn. De Italiaanse graaf en Renaissance-denker Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494) laat de Schepper tegen de mens zeggen: "We hebben u niet hemels of aards, niet sterfelijk of onsterfelijk gemaakt, opdat ge als een vrij en soeverein kunstenaar uzelf boetseert en modelleert in de vorm, die ge verkiest. Het staat u vrij naar het lagere, het dierenrijk te ontaarden; maar ge kunt u ook verheffen, naar het hogere, het goddelijk rijk door eigen wilsbeschikking" [15].

En wat voor de mens in het algemeen geldt, geldt voor de wetenschapper in het bijzonder: iedere wetenschapper is verantwoordelijk voor de grote van zijn eigen creativiteit. Het is namelijk aan de wetenschapper het eigen denken te zuiveren van vooroordelen en overgeleverde dwalingen, teneinde nieuwe ideeën te scheppen. Bacon onderscheidt een viertal ´idolen´ (drogbeelden = idola) waarvan de wetenschapper zich dient te bevrijden: 1) de idola tribus (drogbeelden van de menselijke stam), waardoor mens zich laat leiden door allerlei neigingen die behoren tot de menselijke natuur; 2) de idola specus (drogbeelden van het hol), waardoor de mens in zijn eigen opvatting als in een hol bevangen blijft, 3) de idola fori (drogbeelden van de markt), waardoor de mens op ondoordachte wijze aan algemene gezegden blijft hangen; en 4) de idola theatri (drogbeelden van het toneel), waardoor men een bepaald wijsgerig stelsel met absoluut gezag bekleed.

Tegenover deze negatieve voorwaarden plaatst Bacon enkele positieve voorwaarden voor een succesvolle wetenschap. Deze komen overeen met die van zijn naamgenoot Roger Bacon: Beroep je niet op de traditie of op logische redenatie, want dat leidt in de wetenschap "louter tot een opeenvolging van leraren en leerlingen, niet van ontdekkers". Keer terug tot je eigen zintuigen, experimenteer en ga systematisch en zelfkritisch te werk!

Deze verantwoordelijkheid van de wetenschapper voor de scheppingskracht van zijn eigen werk, sluit nauw aan bij een bekende uitspraak van Francis Bacon: "Man is the architect of his fortune". In dit gezegde ligt het gehele nieuwe denken besloten. Het benadrukt niet meer de menselijke verantwoordelijkheid voor een geestelijke voorspoed in het hiernamaals, maar de menselijke verantwoordelijkheid voor een algehele, zowel geestelijke als lichamelijke voorspoed in het hiernumaals.

René Descartes (1596-1650)

Terwijl de Engelsman Bacon vraagt naar het doel van ware kennis, stelt de Fransman Descartes een vraag omtrent de inhoud van ware kennis: aan welk criterum moet kennis voldoen om als waar te kunnen worden aangemerkt?

Op zoek naar dit criterium zoekt Descartes een beginpunt van absolute zekerheid. Alles tracht hij weg te denken wat ook maar enigszins te betwijfelen valt. Dat voert hem, net als Augustinus 1200 jaar eerder, tot de constatering dat hij wel aan alles twijfelen kan, maar niet aan het feit dát hij twijfelt. Dit moet dus het beginpunt van alle zekerheid zijn, de eerste waarheid die "door het natuurlijk licht" voor ons helder en duidelijk is: "ik denk dus ik besta" (cogito ergo sum). Ik kan alles wegdenken, zelfs mijn eigen lichaam, maar niet het denken zelf. Blijkbaar ligt in mijn denken dus mijn identiteit, blijkbaar ben ik denken [16], en blijkbaar bestaat dit ik, dat wil zeggen, de geest of de ziel waardoor ik ben wat ik ben, lós van mijn lichaam. Want zelfs al zou het lichaam niet bestaan, zolang ik denk, kan ik er niet aan twijfelen dat ik besta. Deze eerste (of laatste) zekerheid, de zekerheid dat ik besta, voert Descartes vervolgens tot de formulering van een algemene waarheidsregel voor het wetenschappelijke denken: alles wat ik even helder en duidelijk inzie als het cogito ergo sum, is even waar.

Aldus komt de maat voor waarheid en goedheid in de mens te liggen: voor zover ik helder en duidelijk inzie dat iets waar en goed is, is het waar en goed. Zolang er dus maar niet getwijfeld wordt aan het bestaan en de bekwaamheid van het ‘ik’ – zoals later zal gebeuren –, kan er zekerheid zijn.

Maar besta ik omdat ik twijfel, vervolgt Descartes, dan is mijn bestaan toch niet volmaakt, want kennis is een grotere volmaaktheid dan twijfel. Maar waarom zou ik volmaakter willen zijn dan ik ben? Zo’n verlangen wordt niet door de dingen om mij heen opgewekt, want zij zijn niet volmaakter dan ikzelf. Tegelijk is het absurd te veronderstellen dat mijn idee van een grotere volmaaktheid op niets berust. Dus kan dit idee alleen door God zijn voortgebracht, als zijnde een wezen dat alle volmaaktheden heeft die ik noch de wereld om mij heen bezit (oneindigheid, waarachtigheid, ontijdelijkheid, onveranderlijkheid, alwetendheid, almachtigheid). En deze God moet werkelijk bestaan, anders had ik niet van deze volmaaktheden geweten. En is God volmaakt, dan zal hij geen bedrieger zijn en mij niet van alles wijs willen maken, zodat datgene wat ik even helder en duidelijk inzie als het cogito ergo sum, inderdaad even waar is.

Maar als God geen bedrieger is en zelfs de waarborg vormt voor zekere kennis, hoe kan de mens dan dwalen? Omdat, zegt Descartes, de mens soms te snel meent te weten dat hij het weet. In plaats van te zeggen dat hij het (nog) niet weet, aanvaardt hij dan een halfbakken waarheid en begeeft zich op een dwaalspoor. Dat is volgens Descartes letterlijk en figuurlijk ´zonde´.

Soms komt het inderdaad voor, dat wij gewoon nog niet helder en duidelijk inzien wat waar en goed is. Het verstand is dan nog niet zuiver genoeg, zodat het nog gemakkelijk afwijkt van het ware en goede. De beste keus is dan: géén keus te maken in plaats van een halfbakken waarheid en goedheid te kiezen. Dit is de lagere vrijheid van het opschorten, dat wil zeggen: van het onverschillig willen blijven (letterlijk: geen verschil maken) omdat men het ware en goede nog onvoldoende inziet. [17]

De hogere vrijheid van de mens is het bewust willen kiezen van het ware en goede wanneer men wél helder en duidelijk inziet wat waar en goed is. Dit is de ware ‘auto-nomie’ van de mens, die bewust de wetten van het ware en goede tot zijn eigen wetten maakt.

Daarmee is tegelijk gezegd dat de hogere vrijheid van de mens voorafgaat aan alles wat met het verstand kan worden ingezien. Immers, ook de waarheid van het cogito ergo sum moet men wíllen inzien: men moet allereerst wíllen twijfelen en vervolgens bereid zijn niet al vóór de minimale zekerheid van het cogito allerlei voorstellingen en traditionele opvattingen als het ware en goede te omarmen. Deze vrijwillige weg tot het ware en goede is voor Descartes de grootsheid van de mens: het maakt hem op een unieke wijze tot meester van zijn eigen handelen; het maakt hem tot een verantwoordelijk wezen dat lof en blaam verdient. [18]

Thomas Hobbes (1588-1679)

Maar wat nu, als de gehele kosmos door wetten wordt geregeerd. Hoe kan er dan sprake zijn van een vrije mens? Deze kwestie is onlosmakelijk verbonden geraakt met het wetenschappelijke denken sinds de val van Aristoteles. Ook voor Descartes is al het materiële, waaronder het menselijk lichaam, volkomen mathematisch-mechanisch bepaald. Toch is de mens volgens hem een vrij wezen, omdat hij in wezen geen materie, maar louter denken is. Wanneer men alles betwijfelt, blijft immers alleen de twijfel en daarmee het denken over. En denkend is de mens een verantwoordelijk wezen.

Thomas Hobbes, tijdgenoot van Descartes, moet weinig hebben van deze gedachte. Als de mens louter denken is, zo betoogt hij, dan ís er helemaal geen cogito, een ´ik´ die denkt. Niets bepaalt namelijk, wanneer het ´ik denk´ zijn diepste weten heeft bereikt. Wie iets zeker weet, kan enige afstand nemen van dit weten en zich afvragen hoe of waarom hij dat zo zeker weet, en vervolgens kan hij weer afstand nemen van dít weten en zich afvragen hoe of waarom hij zo zeker weet dat hij iets zeker weet, enz. Niets brengt dit vragen tot een einde. We moeten dus constateren, stelt Hobbes, dat de vrijheid van een geestelijk wezen niets voorstelt, bij gebrek aan een ´ik´ dat het diepste weten in zich draagt en dus de waarheid met instemming kan begroeten.

Maar waarom zo moeilijk doen? vervolgt de nuchtere Engelsman. Ons denken ís immers begrensd, namelijk door onze lichamelijkheid. Een geestelijk ´ik denk´ kan eindeloos worden teruggevoerd tot een dieper ´ik denk´, maar een lichamelijk ´ik denk´ kan niet meer zijn dan wat het is, want niemand die de feiten laat spreken, zal beweren dat het lichaam van een mens herleid kan worden tot een ander lichaam. – Keerzijde van deze gedachte is wel, dat als de mens lichamelijk denkt, zijn gedachten geheel bepaald worden door de wetten waarvolgens zijn lichaam functioneert. Is de mens dan nog wel een vrij wezen?

Dat hangt van je vrijheidsopvatting af, zegt Hobbes. Een mens is niet vrij, in die zin dat hij niet kan besluiten om nu maar eens ónmenselijk te zijn. Een mens is even noodzakelijk menselijk als een hond honds is. Dat wil echter niet zeggen dat een mens geen vrije wil heeft. Maar deze kan ook aan de dieren worden toegeschreven. De wil is volgens Hobbes "the last appetite in deliberating" [19], waarbij dit delibereren niets anders is dan het mechanisch bepalen van wat als lust moet worden nagejaagd en wat als onlust moet worden vermeden. Wilsvrijheid betekent dus: vrijheid van externe dwang (Lat. libertas a coactione); ongehinderd doen wat men wil doen. Een mens of aap die een banaan wil eten, is vrij als niets hem hindert in het eten van die banaan. Een vrij man is "he that in those things which by his strength and wit he is able to do, is not hindered to do what he has will to do" [20].

Besluit

Het debat tussen Descartes en Hobbes, ofwel tussen vrijheid en determinisme, duurt voort tot op de dag van vandaag. Zo schaarde Luc Ferry zich onlangs in De god-mens nog aan de kant van Descartes. Hij omschrijft de menselijke vrijheid als "het vermogen zich los te maken van de simpele wetten van zijn dierlijke natuur, om zich te ontrukken aan de voorschriften van het instinct teneinde voortdurend op weg te zijn naar een grotere culturele en morele volmaaktheid" [21]. Oftewel: de mens is menselijk, doordat hij in staat is zijn eigen dierlijkheid te ontstijgen en zijn eigen menselijkheid als zijn opgave te beschouwen. De mens kan dierlijk en… menselijk zijn; dat kenmerkt hem als mens.

Deze opvatting van de mens kent nog altijd meer aanhangers dan de opvatting van Hobbes. Dat is niet zo verwonderlijk, want maar al te vaak wordt duidelijk dat wij van alles kunnen doen waar wij uiteindelijk spijt van krijgen. En welk ander diersoort is in staat bewust zelfmoord te plegen? Pleit dat niet voor de gedachte van een typisch menselijke keuze voor of tegen zijn eigen menselijkheid?

Nee, zeggen vooral wetenschappers. Dagelijks onderzoeken zij de wetmatigheden in het menselijk gedrag, en hun conclusie kan alleen maar zijn, dat de mens even noodzakelijk menselijk is als een hond honds. Ons denken houdt zich netjes aan de neurologische wetten, onze emoties weerspiegelen vaak onze hormonale toestand en onze besluiten volgen biologische principes als de ´struggle for life´ (waaronder de strijd om het voortbestaan van de menselijke soort) en de ´survival of de fittest´.

Ik zal mij hier niet aan een eigen standpuntbepaling wagen. Aan het einde van dit verhaal is het mij alleen nog te doen om één opmerkelijk feit, namelijk de opvatting van Descartes, dat er nog een hogere vrijheid is dan de vrijheid om bewust in te stemmen met het ware en het goede. Autonomie leidt namelijk tot het geluk van de autarkie als de eindbestemming van de mens. Wie bewust kiest voor het ware en goede zal de onafhankelijkheid en zelfgenoegzaamheid proeven van een geest, die door "deugd en wijsheid" "volmaakt tevreden en bevredigd" is. [22]

Waarom is deze tevredenheid met het ware inzicht de eindbestemming van de mens? Omdat de mens uiteindelijk alleen maar denken is! In het denken van het denken vindt het denken de geest of de ziel daarom zijn laatste rust.

Zo moeten wij toegeven, dat Aristoteles uiteindelijk toch nog het westerse denken bestiert. Weliswaar hebben zijn ´aether-goden´ hun goddelijk karakter verloren, maar inmiddels is de mens een "god met menselijk vlees bekleed" (Pico della Mirandola), en nog altijd bepaalt Aristoteles het einddoel van de goden in deze kosmos, namelijk terug te keren tot de Onbewogen Beweger, dat wil zeggen tot de volmaakte activiteit van het denken van het denken!

Na Descartes maakt deze volmaakte activiteit nog wel een ontwikkeling door – in de 18e eeuw zal men meer voelen voor het ‘zelf voelen van het zelf-gevoel’, in de 19e eeuw voor het ‘zelf gestalte geven van de zelf-gestalte’ en in de 20ste eeuw voor het ‘zelf ontwerpen van het zelf-ontwerp’ als ideale activiteit –, maar het aristotelische streven van de westerse mens naar deze autarkische toestand, waarin hij volstrekt tevreden is met zichzelf, is ongewijzigd gebleven.

De egocentrische houding van de Onbewogen Beweger is onze hele samenleving gaan bepalen! En combineren wij dit gegeven met het feit, dat Cusanus de matigheid verving door oneindigheid en Francis Bacon de mens tot heerser over de natuur uitriep, dan wordt al enigszins duidelijk waarom wij thans met allerlei maatschappelijke problemen zitten als sociale ontwrichting en milieuvervuiling.

De kosmische goden van Aristoteles zijn onttroond, maar zijn Oppergod is niet verslagen. Na 2500 jaar trekt Aristoteles nog altijd aan de touwtjes!

 
Voetnoten

1) A.P. Bos, Aristoteles: Over de kosmos, Boom, Meppel/Amsterdam 1989, p. 58.

2) In de Theogonia van Hesiodus treffen wij ook al Aether aan, als zijnde de heldere hemel die samen met de Dag uit Erebos (de Duisternis) en de Nacht geboren wordt. De Duisternis en de Nacht waren zelf uit Chaos geboren.

3) Veelvuldig zien wij de volmaakte cirkelbeweging terugkeren in de filosofie. Thomas van Aquino (1225-1274) schrijft in zijn Summa contra Gentiles: "Dan is een effect het meest volkomen, wanneer het naar zijn principe terugkeert; daarom is ook de cirkel onder alle figuren en de cirkelbeweging onder alle bewegingen de meest volmaakte, omdat in hen naar het begin wordt teruggekeerd".

4) Voor ons zedelijk handelen impliceert het geloof in een absolute goddelijke wil, dat wij ons primair moeten onderwerpen aan de wil van God en pas in tweede instantie aan de kosmische orde. Als God namelijk over een almachtige wil (Lat. potentia absoluta) beschikt, dan kan deze kosmische en met name de ethische orde ook anders zijn. God is niet gebonden aan welke wet dan ook, alsof deze van een hogere orde is dan Hijzelf. Als God iets verbiedt, dan is dit slecht, en als Hij iets gebiedt, dan is dit goed, zelfs al zouden zijn verboden en geboden regelrecht in strijd zijn met onze ethiek. Als God ons zou gebieden Hem niet lief te hebben, of een moord of overspel te plegen, dan zou dat niettemin goed zijn, omdat Hij het gebiedt. Toch is God niet grillig. Hij heeft namelijk gewild dat er een redelijke orde zit in de ethische beginselen. Onze gehoorzaamheid hoeft daarom niet blindelings te zijn, want "alle rechte wil is in overeenstemming met de rechte rede". God heeft de mens zo geschapen dat sommige daden schadelijk zijn voor mens en samenleving. Een rationele ethiek is daarom mogelijk, en naar zijn Scheppersmacht om dingen te verordenen (Lat. potentia ordinata) wíl God ook dat de mens zich laten leiden door de rechte rede (Lat. recta ratio).

5) Overigens laat Newton niet alleen Aristoteles achter zich, maar beëindigt hij ook het Copernicaanse tijdperk. Volgens Newton is de zon namelijk allerminst in rust en evenmin het centrum van het heelal. De zon is slechts één van de sterren ergens in een oneindig heelal, die in dertig dagen om haar eigen as draait en daarbij de omringende materie, waaronder de planeten, met zich meesleurt. – Publiekelijk was Newton echter nog voldoende Copernicaan om vol te houden dat het onbeweeglijke centrum van het heelal zich in de dicht bij de zon bevindt. Daarom schaar ik hem in dit essay nog maar onder de Copernicanen. Maar geloofde hij zelf wat hij zei? Waarom noemt hij de gedachte, ´dat het centrum van het wereldsysteem onbeweeglijk is´, alleen maar een ´hypothese´? (Dick Stafleu, En toch beweegt zij. Geschiedenis van de natuurkunde van Pythagoras tot Newton, Boom, Meppel 1992, p. 184v. Voor dit deel over de klassieke natuurwetenschap is onder meer gebruikt gemaakt van dit boek.)

6) Dick Stafleu, En toch beweegt zij, p. 195.

7) Dick Stafleu, En toch beweegt zij, p. 89v.

8) Dick Stafleu, En toch beweegt zij, p. 91.

9) In zijn Novum Organum (= Het Nieuwe Gereedschap) schrijft Francis Bacon over deze uitvindingen: "we doen er goed aan, de belangwekkende kracht en gevolgen van uitvindingen op te merken, die nergens duidelijker aan het licht treden dan in die drie die onbekend waren in de oudheid en waarvan de oorsprong, ofschoon van recente datum, zich hult in roemloze duisternis: de boekdrukkunst, het buskruit en het kompas. Deze hebben immers het gelaat en de orde der dingen veranderd. De eerste in de leeskunst, de tweede in de oorlogvoering en de derde in de scheepvaart. Daaruit zijn ontelbare veranderingen voortgekomen. Geen rijk, geen godsdienst of sterrenstelsel schijnt grotere werking en invloed te hebben uitgeoefend dan deze mechanische ontdekkingen" (I.129).

10) In de 20ste eeuw zien wij deze cyclus-gedachte terugkeren bij de gedesillusioneerde denkers Oswald Spengler en Arnold Toynbee, die evenmin een lineaire, uniforme ontwikkeling (laat staan vooruitgang) in de geschiedenis zien, maar een cyclische beweging in de geschiedenissen van de verschillende volken, doordat zij ieder afzonderlijk onderworpen blijken te zijn aan dezelfde wetten van groei en verval.

11) Novum Organum I.73.

12) In Het Nieuwe Atlantis schrijft Bacon: "Van alle baten die aan de mensheid zouden kunnen worden verleend, vond ik er geen zo groot als de ontdekking van nieuwe kunsten, begaafdheden en gemakken ter verbetering van de levensomstandigheden van de mens".

13) Charles Taylor, The Malaise of Modernity (1991). Ned. vert.: De malaise van de moderniteit, Kok-Agora, Kampen 1998, p. 105-108.

14) Novum Organum I.129.

15) Over de menselijke waardigheid, Van Loghum Slaterus, Arnhem 1968, p. 9v.

16) De betekenis van ‘denken’ moet heel ruim genomen worden. "Wat is dat, een denkend ding?" vraagt Descartes, "Dat is iets dat twijfelt, begrijpt, ontkent, wil en niet wil, en verder iets dat voorstellingen heeft en ervaart." (Meditationes de prima philosophia II, 28. Ned. vert.: Meditaties, Boom, Meppel 1989, p. 49)

17) Inmiddels is de gemiddelde westerling ervan overtuigd, dat het ware en goede niet helder en duidelijk kán worden ingezien. Het gevolg: algehele onverschilligheid!

18) Principia philosophiae, I, 37.

19) Leviathan, 1, 6.

20) Leviathan, 2, 21.

21) Luc Ferry, L´homme-Dieu ou le Sens de la vie (1996). Ned. vert. : De god-mens of de zin van het leven, Ambo Amsterdam 1998, p. 14.

22) Opgemerkt in een brief aan prinses Elisabeth uit 1645, handelend over het menselijk geluk.

© 2002 Evert Jan Ouweneel

Websophia Evert Jan Ouweneel Uw reactie