Websophia   Uw reactie 

Yossel, zoon van Yossel Rakover
van Tarnopol, spreekt tot God

Zvi Kovitz


Ik ben er trots op een jood te zijn, niet óndanks alles wat de wereld mij aandoet, maar juist om datgene wat de wereld mij aandoet.

Ik ben er trots op een jood te zijn, omdat het een ‘kunst’ is jood te zijn, omdat het moeilijk is een jood te zijn. Ik geloof dat een jood-zijn betekent: vechten, eeuwig tegen de aanstormende, misdadige menselijke stroom inzwemmen. Ik ben gelukkig te horen bij het ongelukkigste volk ter wereld, wier leer de verhevenste en schoonste van alle wetten en zedelijke beginselen behelst. Ik geloof in U, God van Israël, zelfs al hebt gij alles in het werk gesteld mij niet langer in U te doen geloven. Ik geloof in Uw wetten, zelfs al kan ik Uw bestier niet goedkeuren. Mijn verhouding tot U is niet die van een slaaf tot zijn meester, maar eerder die van een leerling tot zijn leermeester. Ik buig mijn hoofd voor Uw grootheid, maar zal de zweep niet kussen, waarmee Gij mij treft. U zegt misschien dat wij hebben gezondigd? Ook dat kan ik begrijpen. Maar ik zou toch graag van U willen weten: is er één zonde op de wereld die een straf verdient, zoals wij die hebben gekregen? U voert aan dat U het onze vijanden zult vergelden? Daarvan ben ik overtuigd. Vergelden zonder genade? Ook daaraan twijfel ik niet. Maar ik zou toch van U willen weten: is er één straf ter wereld die de misdaden tegen ons begaan vermag te vergelden? Ik zou U willen zeggen dat op dit ogenblik, meer nog dan in één voorafgaande periode van onze eeuwige doodsstrijd, wij, wij, de gefolterden, de vernederden, de levend begravenen, de levend verbranden, de beledigden, de bespotten, wij, vermoord bij miljoenen, wij het recht hebben te weten: tot hoelang laat Gij dit toe? Vergeef hen, die Uw naam hebben ontheiligd, die andere goden hebben aanbeden, die onverschillig werden tegenover U. U hebt hen zo zwaar gekastijd, dat zij niet langer geloven dat Gij hun Vader bent, dat zij nog wel een Vader hebben. Ik zeg U dit, omdat ik in U geloof, meer in U geloof dan ooit tevoren, omdat ik nu zeker weet, dat U mijn God bent, omdat U níet de God kunt zijn van diegenen wier daden de meest gruwelijke uiting zijn van goddeloosheid. Als U niet mijn God bent, wiens God bent u dan? De God van de moordenaars?

Ik zegen en verheerlijk U, echter louter en alleen omdat Gij bestaat om Uw ontzagwekkende grootheid. Hoogstens een uur zal het nog duren voor ik zal verzameld zijn met de rest van mijn gezin en met de miljoenen andere getroffenen van mijn volk in die betere wereld, waar geen twijfel meer zal bestaan. Ik sterf in vrede, maar niet tevreden, vervolgd, maar niet geknecht; verbitterd, maar niet cynisch, een gelovige, maar geen smekeling; een man, die God nog heeft, maar niet op alles ja en amen zegt. Ik heb God gevolgd, zelfs wanneer Hij mij verstootte. Ik heb Zijn geboden nagevolgd, zelfs wanneer Hij me ervoor sloeg. Ik heb Hem liefgehad en ik beminde Hem, zelfs wanneer Hij mij neerwierp ter aarde, mij folterde tot de dood, mij maakte tot voorwerp van schande en bespotting. En dit zijn mijn laatste woorden tot U mijn toornige God: het zal U allemaal niet baten. U hebt alles gedaan om mijn geloof in U te beschamen, maar ik sterf precies zoals ik heb geleefd, roepend:

Sjma Jisraël, hoor o Israël
De Heer is onze God
De God is één
In Uw handen, o God, beveel ik mijn geest.

Yossel Rakover, Warschau 1943


Bron: Het menselijk gelaat. Essays van Emmanuel Levinas, Ambo, Baarn 1982 (5e druk).
Websophia   Uw reactie