Websophia   Uw reactie 

De waardeparadox van Nederland

Evert Jan Ouweneel

 

 

 

 


Illustratie: Roel Ottow

Maar liefst 84% van de Nederlanders vindt dat de irritatiegraad stijgt, zo blijkt uit onderzoek van TNS NIPO. In dit artikel aandacht voor een merkwaardige paradox die achter deze irritaties schuilgaat: terwijl ons gevoel van eigenwaarde sterk is toegenomen, is onze waardigheid juist sterk afgenomen. Het eerste leidde tot een assertieve levensstijl, uitglijdend in hufterigheid, het tweede tot een agressieve verdediging van het laatste beetje waardigheid dat ons nog rest. Wat kan er in zo’n land nog van een dienstbare opstelling terechtkomen?

Een ijsbeer, een schildpad en een krokodil hadden het eens over de vraag waar zij het liefste wilden wonen. Vol overtuiging sprak de ijsbeer: “Op de Noordpool”. De andere twee reageerden verbaasd: “Op de Noordpool?!” — “Jazeker,” antwoordde de ijsbeer, “want ik ben uitstekend geschikt om daar te wonen. Ik heb namelijk een bontjas, mijn vrouw heeft een bontjas, en al mijn kinderen hebben een bontjas.” Toen zei de schildpad: “Ik zou het liefst op het slagveld willen wonen.” Opnieuw verbazing bij de andere twee: “Op het slagveld?!” — “Jazeker,” antwoordde de schildpad, “want ik ben uitstekend geschikt om daar te wonen. Ik heb namelijk een schild, mijn vrouw heeft een schild, en al mijn kinderen hebben een schild.” Toen sprak de krokodil: “Ik zou het liefst in Nederland willen wonen.” Voor de derde keer verbazing bij de andere twee: “In Nederland?!” — “Jazeker,” antwoordde de krokodil, “want ik ben uitstekend geschikt om daar te wonen. Ik heb namelijk een grote bek, mijn vrouw heeft een grote bek, en al mijn kinderen hebben een grote bek”.

Dit mopje, dat ik laatst hoorde, geeft aardig de toestand aan waarin Nederland zich nu bevindt. Het meest berucht is onze ‘grote bek’ in het verkeer. In de Intermediair van 17 november jl. schrijft Bart van Oosterhout: “Ze snijden je af op de snelweg, of kleven als bloedzuigers aan je bumper. Ze geven een opgestoken middelvinger als ze voorbijrazen of gaan vlak voor je op hun remmen staan om je de les te lezen. — Nu ja, zeggen we, die hufters in het verkeer, dat zijn de anderen, wij zijn altijd hoffelijk, tenzij we zo’n hufter tegenkomen natuurlijk, dan ontwaakt het beest in ons. Maar dat is nu net het probleem.”

Sociologen verbinden deze nieuwe hufterigheid met de assertieve levensstijl die inmiddels tot alle lagen van de bevolking en tot alle terreinen van het leven is doorgedrongen. Maar als dat zo is, wat dan te doen met de oproep van Jezus om een dienaar en “de minste” te zijn? Wie zich zo opstelt in onze tijd, wordt maar al te snel onder de voet gelopen door degenen die lijken op een krokodil. Hoe te dienen in een agressiever wordende assertiviteitscultuur?  

Toegenomen eigenwaarde

Laten wij eerst eens nagaan uit welke ingrediënten onze assertiviteitscultuur bestaat, om vervolgens te achterhalen welke positieve rol een dienende levenshouding daarin zou kunnen vervullen.

In Geweld als uitdaging wijst cultuursocioloog Gabriël van den Brink op het paradoxale gegeven dat de toegenomen agressie in ons land — soms mild in de vorm van hufterigheid, soms grof in de vorm van ‘zinloos geweld’ — juist verbonden is met een toename van liefde en liefdesuitingen. Om dit te begrijpen moeten wij stilstaan bij drie belangrijke veranderingen die zich vanaf de jaren zestig in ons land voltrokken:

1) door het gebruik van voorbehoedsmiddelen werd het gezin kleiner en het verschijnsel ‘ongewenst kind’ zeldzamer; 
2) de autoritaire opvoeding maakte steeds meer plaats voor een opvoeding waarin alles draait om de mondigheid en zelfstandige zelfontplooiing van het kind; 
3) en het gevoelsleven verloor zijn private karakter en werd steeds meer iets dat juist met kracht tot uitdrukking moet worden gebracht.

De gemiddelde hoeveelheid ouderlijke liefde, aandacht en bevestiging per kind nam door deze veranderingen sterk toe, met als gevolg een enorme toename van het zelfvertrouwen van nieuwe generaties. Op basis van dit zelfvertrouwen kon zich vervolgens een assertieve levensstijl ontwikkelen toen de welvaart begon te stijgen, de materiële klassenverschillen grotendeels verdwenen, en steeds meer kinderen een hogere opleiding konden volgen.

De burgerlijke agressie die tenslotte verscheen, kan als een vrucht van deze assertieve levensstijl worden aangeduid: naarmate het gevoel van eigenwaarde van steeds meer mensen toenam, begonnen steeds meer mensen steeds meer ruimte, rechten en respect voor zich op te eisen, waardoor zij ook steeds meer met elkaar in botsing kwamen. Zo kreeg Nederland dus te maken met een merkwaardige ontwikkeling: wat begon met meer liefde, eindigde in meer agressie.

Afgenomen waardigheid

Maar dat is niet het hele verhaal, de paradox blijkt nog groter te zijn: terwijl het gevoel van eigenwaarde vanaf de jaren zestig sterk toenam, nam de waardigheid van mensen juist sterk af.

Waaróm eisen wij respect van anderen op? Waarom hebben wij niet genoeg aan ons eigen gevoel van eigen waarde, gebaseerd op de liefde, aandacht en bevestiging van onze ouders? — Omdat wij nu eenmaal gemeenschapswezens zijn, die het liefst de liefde, aandacht en bevestiging ontvangen van ieder die ons levenspad kruist. Maar daar verschijnt tegelijk een hachelijk gegeven: zo goedkoop als de liefde, aandacht en bevestiging van onze ouders werd, zo duur werd die van alle anderen. Ook dit gegeven kan worden teruggevoerd tot verschillende veranderingen die zich vanaf de jaren zestig in ons land voltrokken:

1) In Nieuw Babylon in aanbouw wijst historicus James Kennedy erop, dat zowel de overheid als de bevolking in de jaren zestig een opvallende draai maakte door zich bijzonder verdraagzaam op te stellen tegenover het gedrag en de ideeën van de protestgeneratie. Vaak gebeurde dat onder het mom van ´je houdt het toch niet tegen´, maar het resultaat was er niet minder om: over de hele linie moest het manen en vermanen plaatsmaken voor verleiding, tolerantie en begrip. ‘Moet kunnen’ werd vanaf die tijd het motto, met als negatief gevolg: een schrijnend gebrek aan constructieve correcties en persoonlijke complimenten.
2) Nauw samenhangend met het vorige gingen bepaalde omgangsvormen verloren, volgens welke mensen elkaar ooit met een bepaald respect bejegenden. Zo werd de ‘vrijheid van meningsuiting’ steeds verder opgerekt tot een ‘vrijheid van belediging’.
3) Met de individualisering van de samenleving gingen ook allerlei gemeenschappen verloren, waarin mensen elkaar waarderen vanwege de rol die zij daarin vervullen. Alleen het gezin bleef over als vaste bron en rustplaats van waardering, en zelfs dat kwam door echtscheiding en jeugdige mondigheid onder druk te staan.

Al deze factoren hebben de waardering voor iemands persoon tot een schaars en dus duur goed gemaakt; de ouderlijke liefde kan dat niet compenseren. En is deze waardering een kostbaar goed, dan ook de waardigheid, want waardigheid is de vrucht van deze waardering.

Waardigheid is als een mantel: men kan ermee worden bekleed. En wie oprecht gewaardeerd wordt als persoon, ís ermee bekleed. Een geschonken mantel kan echter ook weer worden afgenomen of door slijtage en verwaarlozing weer vergaan. Waardigheid moet net als eer bewézen worden en vraagt net als eer om regelmatige bevestiging — niet alleen door God, maar ook door onszelf en onze medemens.

Hoe kostbaarder deze mantel van waardigheid voor ons is, hoe meer wij bereid zijn haar te bevechten wanneer wij haar zien aangetast. En hoe minder de overheid deze mantel beschermt, hoe meer wij ons genoodzaakt zien dit zelf te doen. Hendrik Gommer schrijft in de Intermediair van 8 december jl., dat maar liefst 85 procent van alle aangiften van belediging wordt geseponeerd: “Het directe gevolg is dat het slachtoffer zich niet serieus genomen voelt en eigen rechter gaat spelen. Er ontstaat een sfeer van: blijkbaar hoort dat tegenwoordig. Je moet zelf ook ‘assertief’ worden om je te handhaven nu de overheid dat niet meer doet.”

De hedendaagse prijs van waardigheid wijst ons op nog een andere oorzaak van veel agressie (soms mild, soms grof) in onze tijd. De schaarste aan waardering heeft de waarde van onze mantel zó doen stijgen, dat wij hypergevoelig zijn voor ieder vlekje of scheurtje dat door een ander wordt aangebracht door minachting of verwaarlozing. Daarbij doet het er — bij gebrek aan een gemeenschappelijke code — niet eens meer toe of wij ook werkelijk gekwetst zijn door de ander, maar gaat het er vooral om dat wij ons gekwetst voelen. Dit alles baant een tweede weg voor hufterigheid, ‘zinloos geweld’ en ‘revanchisme’.  

Façadecultuur

Als assertieve kinderen van onze cultuur eisen wij dat de wijze waarop anderen ons bejegenen de grootte van ons ego weerspiegelt. Tegelijk echter is datzelfde ego uiterst kwetsbaar geworden — in de zin van: uiterst snel te kwetsen — bij gebrek aan mensen die ons oprecht (en niet alleen uit vleierij) waarderen als persoon. Zo kan het, vanwege of deze assertiviteit of deze kwetsbaarheid, gebeuren dat een ‘brave burger’ plotseling verandert in een hufter, een potentaat of zelfs een moordenaar.

Nu is onze kwetsbaarheid, in tegenstelling tot onze assertiviteit, ook zónder conflict een onbehaaglijk fenomeen. Om deze kwetsbaarheid — die ook als besef van minderwaardigheid kan verschijnen — te verbergen of weg te werken, zoeken velen aansluiting bij een groep door te beantwoorden aan de eisen en kenmerken (cultuur) van die groep. En lukt het ons niet daaraan te beantwoorden, dan doen wij net alsof, want veel erger dan onechtheid is de anonimiteit: het niet gezien worden door de ander.

De meest dominante cultuur, waaraan wij ons in onze zoektocht naar waardering proberen te onderwerpen, is de algemene westerse cultuur, met als sleutelwoorden en basiseisen: functionaliteit, zelfredzaamheid en productiviteit. Ze vormen het tegendeel van zwakheid, afhankelijkheid en rust. Vandaar dat velen rondlopen met façades van onkwetsbaarheid, zelfgenoegzaamheid, drukte en welvarendheid. Wanneer iemand vraagt: “Hoe gaat het?”, antwoorden wij automatisch: “Druk!”. We kunnen nauwelijks anders; zo zijn wij afgericht. Drukte beantwoordt aan de eis van productiviteit. Ons antwoord is daarom niet alleen een klacht, maar doet ons ook ergens goed.

Met onze drukte hebben wij onszelf en elkaar een behoorlijke portie welvaart bezorgd. Maar het heeft ook een prijs. Wat zullen de economisch ‘niet-productieven’ nu over zichzelf denken: de gehandicapten, arbeidsongeschikten en huismoeders? Van wie ontvangen zíj een mantel van waardigheid? En wat de economisch ‘wel-productieven’ betreft: wie houdt het westerse levenstempo bij? Wie kan blijven voldoen aan de verwachtingen? En wie kan de stilte verdragen, wanneer het pensioen of de vrije tijd aanbreekt en de mantel begint te verschralen of zelfs te vergaan?

Weinig westerlingen maken zich nog druk om de vraag of een gebod is overtreden en men dus schuldig is aan iets. Des temeer westerlingen worden echter geplaagd door het gevoel op één of andere wijze tekort te schieten, te falen, niet de moeite waard te zijn. Ze doen hun best zó waargenomen te worden dat anderen de gewenste persoon voor zich zien. Maar de waardering waarop zij hopen, blijft dikwijls uit. Soms door onverschilligheid, soms doordat zij tot de verwenste groep van economische ‘profiteurs’ worden gerekend, en soms doordat de eisen, net als de productieverwachtingen in veel bedrijven, almaar verder worden opgeschroefd.

Het is vreemd met ons gesteld. Als nooit tevoren luidt ons hoogste levensmotto: zélf iets van je leven maken; zélf je eigen boontjes doppen; zo mondig en zelfstandig mogelijk zijn. Maar wie ben ik en wat wil ik nu eigenlijk; wie moet wat van zijn leven maken? We zeggen tegen elkaar: Dat kan en mag ik niet voor jou bepalen; daar moet je zelf achter zien te komen. Maar we weten het niet — althans niet zonder de bevestiging van de ander! Daarom gebeuren er twee dingen, die sterk doen terugdenken aan onze tienertijd:

1) we verlangen naar de mondigheid en zelfstandigheid van een volwassene, maar intussen voegen wij ons als een schaap naar de leefwijze van een bepaalde kudde; en
2) omdat de dominantste kudde (de kudde die zich onderwerpt aan de westerse cultuur) alleen de mondigen en zelfstandigen waardeert, kunnen wij onvoldoende toegeven aan het feit dat wij op bepaalde punten altijd kind zullen blijven: kwetsbaar en afhankelijk. Uitwendig proberen wij het te ontkennen en lopen wij met allerlei façades rond, maar inwendig blijft ons hart verlangen naar de geborgenheid van een gemeenschap waarin wij even niet zelfredzaam en succesvol hoeven te zijn, maar kinderlijk kunnen aanleunen tegen de waardering die anderen voor ons hebben als persoon.

Onze samenleving is in de greep van een overtrokken tiener-ideaal.

Volwassenheid

Nu dan de oproep van Jezus. Maar liefst drie keer worden zijn woorden in de evangeliën aangehaald: “Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar” (Lukas 22:25).

Hoe hieraan gevolg te geven in onze assertiviteitscultuur? Het lijkt wel alsof wij inmiddels met het omgekeerde probleem zitten als waar Jezus naar verwijst: vroeger was het probleem inderdaad het autoritaire en megalomane gedrag van de leider, nu moet een ‘dienend leider’ vooral voorkomen dat hij onder de voet wordt gelopen door de assertiviteit en soms agressiviteit van zijn ondergeschikten. Toch is de waarschuwing van Jezus juist belangrijk voor vandaag, omdat het o zo verleidelijk is in reactie op onze tijd weer een autoritaire manier van opvoeding, management of kerkleiderschap voor te staan. Jezus zegt óók vandaag: heers niet over anderen, maar dien de anderen! Het kan echter per periode en context verschillen hoe wij de ander ten dienste kunnen staan.

In ónze tijd zullen wij in ieder geval moeten reageren op de twee belangrijkste ingrediënten van onze assertiviteits­cultuur, namelijk op de toegenomen eigenwaarde en de afgenomen waardigheid. Het lijkt mij dat wij in onze tijd de ander zó ten dienste moeten staan, dat 1) het goede van de toegenomen eigenwaarde behouden blijft, en 2) het kwade van de afgenomen waardigheid wordt overwonnen.

Wat het eerste betreft, moet de assertiviteit dus zeker niet worden afgeschaft. Assertiviteit, mondigheid, is een eigenschap die hoort bij volwassenheid. Het verwijst naar het gegeven dat wij soms alleen zélf, vanuit onze persoonlijke verantwoordelijkheid, mogen en kunnen bepalen hoe iets moet of hoe iets is. In onze dienstbaarheid moeten wij vooral vasthouden aan deze volwassenheid, en haar zien te bevorderen. Volwassenheid kent echter ook haar grenzen, en het is een teken van volwassenheid dit in te zien en daarmee onze tienerjaren achter ons te laten. Volwassenheid veronderstelt:

1) een zekere aanpassing aan de regels van het sociale verkeer; en
2) een zeker besef dat men in veel zaken van anderen afhankelijk is.

Daarmee stuiten wij meteen op twee problemen in onze westerse tienercultuur, respectievelijk:

1) de onduidelijkheid omtrent veel omgangsvormen, met name bij jongeren; en
2) het onvermogen van veel mensen om kwetsbaar en afhankelijk te zijn.

Het gaat mij nu vooral om het tweede probleem, d.w.z. om het feit dat veel westerlingen gevangen zitten in hun eigen streven naar mondigheid en zelfstandigheid, functionaliteit en productiviteit, omdat zij alleen zo de waardering van anderen oogsten. In hun geval bewerkt de kwetsbaarheid juist, dat zij niet toe kunnen geven aan hun kwetsbaarheid. En wie niet kwetsbaar kan zijn, komt gemakkelijk in een positie terecht waarin hij zichzelf overvraagt en op een burnout afstormt.

Vrijheid

Wie komt tot rust? Degene die het zich kan veroorloven het neurotische gehamster te staken. Wie kan zich dat veroorloven? Degene die kinderlijk kan leunen en vertrouwen op de vaste en oprechte waardering van anderen (God en medemens) voor hem als persoon. Oftewel: degene die met voldoende waardigheid is bekleed; die niet zijn krachten hoeft te wijden aan het verdienen en verdedigen van zijn waardigheid, maar vanuit de rust en zekerheid van het waardige mens-zijn kan bepalen waaraan hij zijn krachten wijden zal. Zo iemand is niet de gevangene van zijn eigen kwetsbaarheid, maar geniet de vrijheid en mondigheid van waardigheid! In beeldspraak: van benauwdheid en een preoccupatie met de eigen ademhaling heeft hij geen last. Vrij ademend, “met heerlijkheid en luister gekroond”, kan hij zich aan zijn eigenlijke taken wijden!

Dit brengt ons bij één van de grootste uitdagingen voor de hedendaagse dienaar: een rustpunt van waardering voor anderen te zijn, anderen in de vrijheid van de waardigheid te plaatsen, door ze niet alleen om hun prestaties te waarderen, maar ook om wie zij zijn als persoon — én om wie zij nog kunnen worden als persoon! Het laatste ziet er net zo uit als bij de herders, die met hun gewone ogen alleen een baby in een voerbak zagen liggen, maar met hun visionaire ogen de potentie, de persoon-in-wording, en de glans van de toekomst over deze baby zagen liggen.

Overigens kan het waarderen van iemands persoon gemakkelijk een al te goedkoop karakter hebben. Het is niet genoeg te zeggen dat wij de ander als persoon waarderen, we moeten ook kunnen uitleggen waarom. En leggen wij dit uit, dan moeten wij niet blijven steken in algemene bewoordingen die voor ieder mens gelden, maar doordringen tot de specifieke waarde van déze persoon. Ieder mens draagt een unieke combinatie van gaven en talenten, vaardigheden en vermogens, wijsheid en ervaring, kwaliteiten en curiositeiten met zich mee. Over deze schatkist — en soms over wat er níet in zit — moet het in onze waardering gaan.

En dan is er nog een ander gevaar voor de hedendaagse dienaar, namelijk het individualistisch waarderen van iemands persoon. De bijbel wijst ons op dit punt de weg door herhaaldelijk op te roepen de ander te waarderen vanwege en vanuit de positie die deze inneemt in gemeenschappen: als zoon of dochter van God, als wederhelft in een huwelijk, als ouder in een gezin, als oudere in een gemeenschap, als lid van een familie of volk, als burger of gezagsdrager in een samenleving, als werkgever of werknemer in een organisatie, enzovoort. De mens, zo dienen wij te beseffen, staat als wandelende schatkist nooit op zichzelf, maar kan pas werkelijk op waarde worden geschat wanneer men beseft waar hij staat in de gemeenschappen waarvan hij deel uitmaakt.

Het is ook op basis van deze posities dat een mens zichzélf leert kennen en antwoord kan geven op de vraag wie hij is en wat hem (met inzet van zijn schatkist) te doen staat in het leven. Hij zal echter geen rust vinden voordat ánderen zijn antwoord bevestigen. Net als hijzelf zullen ook ánderen hem moeten waarderen om zijn posities en zijn schatkist.

Dát is de taak van de hedendaagse dienaar. Een dankbare taak, waarvolgens de eerste waardering weliswaar voorafgaat aan welke prestatie dan ook, maar daarom nog niet lukraak of betekenisloos is, omdat zij de mens van zijn dwangneuroses verlost en in de rust en vrijheid van de waardigheid plaatst.

Lef

In Wie is de mens? schrijft Abraham Heschel: “De waarde van waardering is zo hoog dat het waarderen van waardering de fundamentele vooronderstelling lijkt te zijn van ons voortbestaan. De mensheid zal niet uitsterven door gebrek aan informatie; zij zou kunnen omkomen door gebrek aan waardering.”

Maar in onze westerse tienercultuur is er wel lef voor nodig de waardering van de ander te waarderen. Want het aanvaarden van waardering betekent: je kwetsbaar opstellen en afhankelijk tonen van dit gebaar. Waardering is immers niet iets dat men kan opeisen, zich kan aanmatigen, hoezeer men het ook nodig heeft. Waardering kan alleen als gunstbewijs worden ontvangen.

Het vraagt echter niet minder lef de ander diens waardigheid te gunnen en te schenken, want ook dan stelt men zich kwetsbaar en afhankelijk op. Wie immers de schijnwerpers op de ander richt, staat zelf even in de schaduw, en hoe verdraaglijk is dat vooruitzicht.

Maar het meeste lef is misschien wel nodig voor het aangaan van de stilte, waarin van ons gevraagd wordt onszelf tegenover onszelf te zijn en het goddelijke “waar ben je?” te beantwoorden. Wie die confrontatie durft aan te gaan en daarin zijn eigen kwetsbaarheid en afhankelijkheid onder ogen durft te zien, zal zich ook durven openstellen voor de waardering van anderen en zélf een rustpunt van waardering voor anderen kunnen zijn.

Zo verliep het leven dat Jezus leidde. Soms zonderde hij zich af voor stilte en gebed, soms zocht hij mensen op. En deed hij het laatste, dan deelde hij vooral een mantel van waardigheid uit aan al diegenen die er nog geen hadden. Zo bracht hij “vrede op aarde”, door mensen te complimenteren met hun bestaan, vrijheid en herstel te brengen, en ze op visionaire wijze in hun potenties aan te moedigen.
 

Dit artikel verscheen maart 2006 in het chr. opinieblad CVKoers.

 

 

© 2006 Evert Jan Ouweneel

Websophia   Uw reactie