| Websophia | Uw reactie |
De geest vergruistRengenier Rittersma
De vergruizing wordt zichtbaar in de toenemend passieve opstelling van de menselijke geest. Die heeft zich tot een afwachtende houding laten dwingen sinds de informatiestroom monstrueuze trekken begon te vertonen. Het is verbijsterend hoeveel ongevraagde boodschappen dagelijks op een mens afkomen. Op straat, huizen, snelwegen, vervoermiddelen, kleding, servies, ruiten, schoeisel, huishoudelijke artikelen, flessen; overal om je heen ontwaar je letters. Straatbordjes, wegwijzers, autonamen, stickers... Bijna elk voorwerp is bedrukt en voorzien van betekenis. Alleen de boom, het zand, het water en het gras zijn nog effen. Al deze en nog ontelbare andere indrukken moet de geest ontcijferen en rangschikken. Hierdoor krijgt het oorspronkelijke bezinningscentrum een digestieve functie. De hersenen verworden tot geestelijke darmen. Het is verbazingwekkend hoeveel men van al die futiele informatie onthoudt; nogal wat hersenruimte is gevuld met waardeloze kennis. De scheppende, ordenende en bezinnende functie van de geest draait hierdoor maar op halve kracht. De twee nieuwe hoofdtaken, namelijk het doorvoeren van informatie en het klaarstomen voor praktisch handelen, slokken de geest volledig op. Kennis van fundamentele zaken raakt intussen versnipperd omdat geen van de beide hoofdfuncties er baat bij heeft. Elementaire kennis vormt een surplus dat evengoed aan experts of aan apparatuur uitbesteed kan worden. Het is de vloeibare, vormeloze indruk-kennis die wel relevant wordt geacht. Het komt erop aan te kunnen getuigen van een willekeurige reeks indrukken. Afhankelijk van de sociale circuits waarin iemand verkeert moet hij op de hoogte zijn van de trends in kleding, de popmuziek, film-, computer-, of sportwereld. Tegenover deze fast knowledge valt de fundamentele kennis in het niet. Wat men niet hoeft te weten kan men immers aanklikken. De passieve geesteshouding wordt weerspiegeld in de tendens van het uitbesteden van kennis, vaardigheden en verantwoordelijkheid. De tentakels van deze trend zijn over alle geledingen van de maatschappij gespannen. Zo laat de opmars van de consultancy-sector zien dat bedrijven en overheidsinstanties hun eigen functioneren niet zelf onder de loep willen nemen. Men huurt deze adviseurs niet alleen als kennismakelaars in, maar ook als inquisiteurs die met een blanco geweten in de vuile was van een organisatie mogen wroeten en door middel van objectieve rapportage anderen de voorzet geven om harde maatregelen te nemen. Huiswerkinstituten, (her-)opvoedingscentra en workshops voor ouders leggen de vinger op hetzelfde onvermogen om de hand in eigen boezem te steken. Als gevolg van bureaucratisering is er op veel werkvloeren sprake van anonieme verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheden worden doorgesluisd naar structuren of verdeeld over verscheidene mensen, die dan niet meer persoonlijk aansprakelijk zijn. Andere vormen van uitbesteden zijn verschijnselen als leasing, crèche, en spellingscontrole. Het voordeel van het delegeren van taken is dat de cirkel van de eigen verantwoordelijkheid zo klein mogelijk wordt gemaakt. Maar persoonlijkheid en verantwoordelijkheid zijn onlosmakelijk met elkaar verweven. In feite houdt het persoon-zijn hier op. Persoon-zijn betekent: doorklinken, van iets weerklinken, weerklank bieden op een roep, antwoord geven op een wenk. Het tragische lot van de moderne mens is dat hij telkens moet vaststellen dat elke verworvenheid een nieuwe wens opwekt, en dat het diepe verlangen om alles te realiseren, gesmoord wordt in het dodelijke tempo van de tijd. Een van de belangrijkste eigenschappen van de mens is zijn vermogen om te kiezen. Ook dat vermogen is aangetast. Kiezen is namelijk ondergeschikt gemaakt aan wat mogelijk is: wat kan moet kunnen. Er gaat bij het kiezen geen impuls meer van de geest uit. Dit komt het duidelijkst naar voren in het zogenaamde 'waarom-niet-argument'. Men kiest niet meer vóór iets, maar niet tegen iets. Hier dient het tweede aspect van de vergruizing van de geest zich aan. Het betreft de hardnekkige misvatting dat onze beschaving superieur is ten opzichte van haar voorgangers. In deze optiek zouden wij tegenover het verleden niet zozeer uitblinken in het oplossen van problemen, als wel in het in kaart brengen daarvan. Zo is er een gedetailleerde typologie van daklozen beschikbaar. Ze zijn ieder afzonderlijk in de ordner van maatschappelijk-uitgerangeerd-zijn opgenomen. Hun fysieke en psychische gesteldheid is en détail op schrift gesteld, hun hele doen en laten is de rapporteurs bekend, maar voor het aanreiken van hulp ontbreekt net het beslissende rapport. De registratiedrang is van oudsher de even trouwe als schuchtere metgezel van de maakbaarheidsgedachte geweest. Als de verlegen spruit van de Aufklärung bleef het informatisme relatief onopgemerkt. Het informatisme beleefde zijn eerste hoogtijdagen met de opkomst van de journalistiek en verstevigde vervolgens zijn greep via radio en televisie. Met de inwijding van het world wide web is de adventtijd definitief aangebroken: het internet als de CT-scan van de wereldbol. Nu verklaart men crises nog met documentatie en informatie, ooit zullen ze ermee bezworen worden. Momenteel vervullen journalisten en wetenschappers de functie die men voorheen aan de engelen en aartsengelen toeschreef. Zij zijn de anonieme versprieders die over de wereld uitzwermen en hun specifieke bijdrage leveren aan de database van de ellende. Zodra zich ergens een calamiteit voordoet snellen zij erop af en presenteren de ellende in de eerstvolgende uitzending of column. Correspondenten hebben, overeenkomstig hun functienaam, na ijverig snuffelwerk antwoord op open vragen, en bieden met tabelletjes, grafiekjes en tijdsbalken troost aan de verslagenen van hart. Zij verzachten het leed door een week na de dood van Meindert Tjoelker alle zware molestatiegevallen van het afgelopen jaar op te lepelen. Elke dag weer ontfermen journalisten zich over de gelovigen en stelpen het lijden in de wereld met een diarree aan informatie. De pseudo-religieuze dimensie van het informatisme kwam nooit scherper aan het licht dan bij de dood van prinses Diana. In de ogen van de wereldbevolking overkwam haar het onheil dat voor de bijbellezer eens over Job werd uitgestort. Voor die lezer was het een steen des aanstoots dat uitgerekend Job als toonbeeld van vroomheid zo'n ellende te verwerken kreeg. Diana op haar beurt was voor het wereldpubliek een polaroid personality. Haar zielsleven lag in dwarsdoorsnede op elke straathoek ter inzage, en juist haar trof dit absurde lot. Ironisch genoeg culmineerde het informatisme in de dood van de prinses. Er volgde een kort moment van sprakeloosheid, spoedig gevolgd door een documentatieve vloedgolf. Men treurde in werkelijkheid niet over het heengaan van een unieke persoonlijkheid, die van iedereen hield etc... Het bloed stolde de wereldbevolking in de aderen omdat ze razend was dat dit universele dossier op zo'n zure manier was weggevaagd. Het collectievc hebbedingetje was ineens afgepakt. De ironie wil dat Moeder Theresa, een vrouw die in naastenliefde niet onderdeed voor de prinses, in dezelfde week overleed. Haar dood bracht geen collectieve hysterie teweeg, omdat haar taille nog wereldwijd geheim was. De terreur van de registratie overheerst. Er is geen bezinning. Slechts wat aan de oppervlakte verschijnt is het overwegen waard. Nieuwe ontwikkelingen die nog aan geen enkel 'keurend oog' onderworpen zijn worden zonder aarzeling in de armen gesloten. Enquêtecommissies, stuurgroepen en adviesorganen brengen elke problematiek minutieus in kaart. Geen symptoom ontglipt aan hun oog, geen fase aan een zorgvuldige documentatie. De ellende neemt groteske proporties aan, maar het feit dat zij in al haar facetten tenminste geregistreerd staat, heeft een kalmerende werking. In dit opzicht vertoont de registratiedrang overeenkomst met de geloofsbelijdenissen van weleer. Beiden comprimeren een mysterie teneinde de eerste hulp bij onduidelijkheid te kunnen verlenen. Wie daarentegen ginds van de canonieke ellende, andere oneffenheden op het spoor komt maakt zichzelf tot verschoppelling. Alleen de algemeen erkende ellende telt. Voor alles wat daarbuiten valt zijn de zintuigen absoluut immuun. Wanneer iemand 'zomaar' in een Amsterdams steegje doodgetrapt wordt, betrekt de lucht van het publieke gemoed in een oogwenk tot een gitzwarte deken, terwijl tienduizend gruwelijke moorden op de beeldbuis gulzig werden ingedronken. Zo tuimelen wij tussen magazijnkasten vol dossiers in een verraderlijke kuil. Wat wij als iets middeleeuws verachtten treft ons als een boemerang in het gezicht, zonder dat we het beseffen. Vervult het besturingsprogramma Windows niet dezelfde functie als ooit de beeldcultuur in de kerk? Andermaal is er sprake van een clerus, van leken, van iconen en van een onontkoombaar indoctrinatiesysteem. Wij onwetenden. Het laatste kenmerk van de vergruizende geest tekent zich af in de status van kennis in de hedendaagse cultuur. Het is de kennis die bezit neemt van de mensen en hen als willoze slachtoffers opslokt. Ooit is men begonnen met het telen van gewassen in glazen kassen. Al spoedig daarop volgde het verwekken van mensen in glas. Zal binnen afzienbare tijd de kennis ook op deze wijze gedijen, slechts badend in de straling die formules, theorieën en tabellen in onze 'hersenhuid' grift? Het is waarschijnlijk dat het verwerven van kennis in de zogenaamde kennisintensieve maatschappij in een ritueel ontaardt, in een bloedeloze routine die gelijk staat aan het opladen van een batterij. Ooit beschouwden we de kennis als een amulet waarmee we ons staande konden houden in de woedende wereld. Maar zoals het vuur bij Prometheus en het sacrament bij de religieuzen, zoog ook het huipmiddel kennis de omstanders in een duizelingwekkende baan om zichzelf. Zelfs de kennis, van oudsher een statisch verschijnsel, is in de ban van de dynamiek geraakt. Ons levenslang veroordeeld zijn tot het volgen van cursussen, waarin onophoudelijk de lesstof als geactualiseerde brij wordt aangereikt, is er de uiting van. Binnen deze orde hebben de essentialia plaatsgemaakt voor datgene wat beweegt, verschuift, voorbijflitst. Het beeldscherm is de hoofdvertegenwoordiger van dit 'dynamistische' wereldbeeld, omdat daarop niets substantie heeft, maar alles wijkt. Sinds mensenheugenis hebben er heilsverwachtingen bestaan, die altijd op de komst of terugkomst van iets of iemand gericht waren. Het huidige leven staat in het teken van het onstuitbare voorbijkomen. Daarin kan de nieuwste trend of strategie verlossing brengen, of misschien een slimmere chip en anders wellicht de eerstvolgende aflevering van een tv-serie. Elke verlossingsleer kent haar afvalligen. Binnen het geschetste wereldbeeld zullen dat de mensen zijn die nog weet hebben van het substantiële. Degene die erin slaagt een boom- of diersoort, een bouw- of kunststijl of de herkomst van een naam, feestdag of mythe te benoemen zal de nar van de toekomst zijn. Die zal figureren als een Commodore 64 in het Windows 99-tijdperk. Het is daarom goed denkbaar dat de fundamentele kennis een toenemende amusementswaarde zal krijgen. Zoals eens de menigte belangstellenden zich op de jaarmarkt rond een vuurspuwer, buikspreker of koorddanser verzamelde, zo talrijk zullen de scharen toestromen en ademloos luisteren wanneer iemand een referaat houdt over zoogdieren, het paasfeest of het vernietigingskamp Sobibor. Wie stoffig is heeft de toekomst. Dit essay verscheen eerder in Trouw (18 december 1999). |
| Websophia | Uw reactie |