www.websophia.com/filosofie/waarheid.html

De wil tot waarheid

Evert Jan Ouweneel


“Alle mensen verlangen van nature naar weten”, schrijft Aristoteles. Maar wanneer maakt het werkelijk uit of het ook wáár is wat men weet? Wanneer óf het weten tot een andere werkelijkheid, óf de werkelijkheid tot een ander weten drijft.


waarheid / willekeur / weerbarstigheid / wezen


1. Waarheid

Er zijn omstandigheden waarin mensen het zich eenvoudigweg niet kunnen veroorloven onzeker te zijn over de onrechtvaardigheid van een bepaalde status quo en over de rechtvaardigheid van het alternatief. Wat beogen deze mensen namelijk: daadwerkelijke verandering, de verwerkelijking van een rechtvaardige toestand. En wat betekent onzekerheid voor deze mensen: ruimte laten voor de onrechtvaardigheid en dus de status quo van een zekere legitimiteit voorzien.

Een rechtvaardigheidsideaal heeft juist dan betekenis, wanneer — volgens dit rechtvaardigheidsideaal — de rechtvaardige werkelijkheid achterloopt op de onrechtvaardige werkelijkheid. En loopt de rechtvaardigheid achter, is zij nog niet gerealiseerd, dan heeft zij ook een achterstand in legitimiteit. De onrechtvaardigheid is er immers al als status quo, mét de legitimitatie van degenen die haar bestendigen. De rechtvaardigheid daarentegen is nog maar een idee, die alleen tot realiteit kan (of mag) worden bevorderd, indien zij de onrechtvaardigheid in legitimiteit weet te overtreffen. Dit laatste kan in eerste instantie alleen op het niveau van de ideeën geschieden, daar de rechtvaardigheid nog geen werkelijkheid bezit. En hoe zal de idee van rechtvaardigheid anders die van de onrechtvaardigheid kunnen overtreffen, dan door zichzelf niet als mening (doxa) maar als waarheid (aletheia) aan te prijzen? Blijft de idee van rechtvaardigheid immers mening, dan verheft zij zich niet boven de meningen (endoxa) van anderen en kunnen ook de verdedigers van de onrechtvaardigheid, die tegelijk de machthebbers in de huidige toestand zijn, zeggen: “Wij respecteren jullie mening, maar houden vast aan onze mening”. In werkelijkheid zal er dan niets (hoeven te) veranderen.

Om de onrechtvaardige werkelijkheid te veranderen, is dus een rechtvaardigheids- idee nodig die niet in het ´meningsverschil´ blijft steken, maar aanspraak maakt op de status van waarheid en als waarheid, d.w.z. als beschrijving van de toestand die overeenstemt met hoe het werkelijk of in wezen is gesteld, het recht kan laten gelden op verwerkelijking of verwezenlijking ervan. En wil of kan de heersende klasse, de klasse die de onrechtvaardige toestand legitimeert, zich niet laten overtuigen van deze waarheid, dan zal er uiteindelijk alleen sprake kunnen zijn van een strijd om deze waarheid. En natuurlijk kan men, op dit punt aangekomen, de vraag opwerpen: “Wie besluit wat weten is en wie weet wat gepast is om te besluiten?”[1] Maar veel indringender is hier de vraag: hoeveel onwetendheid verdraagt een mens? Zodra de onderdrukte mens namelijk zijn eigen rechtvaardigheidsidee relativeert, gaat deze als doxa in de menigte van endoxa ten onder en is zij niet meer waarachtiger en dus legitiemer dan de idee die de huidige toestand legitimeert. De status quo, de onrechtvaardigheid, zal dan kunnen en mógen blijven voortbestaan.

2. Willekeur

Een ieder die wil ingrijpen in de geschiedenis om iets te redden van de gerechtigheid, heeft waarheid — of met een woord van Marx: theorie — nodig. Want nogmaals: zodra men kiest voor een strijd om rechtvaardigheid in een onrechtvaardige toestand, is er sprake van een strijd die vanuit een idee wordt aangedreven; en wil deze idee tot strijd aandrijven, dan zal zij een grotere overtuigingskracht moeten bezitten dan alle alternatieve ideeën; en ideeën kunnen niet anders verschillen in overtuigingskracht dan door een verschil in waarachtigheid, d.w.z. doordat de ene idee meer dan de andere idee is afgestemd op, en in overeenstemming is met, dat wat voor werkelijk of wezenlijk wordt gehouden.

Het enige alternatieve verschil in ideële waarde is de keur van de wil, maar willekeur is dodelijk voor de overtuigingskracht van een idee. We stuiten hier op een tweede drang tot waarheid: niet alleen hebben wij waarheid nodig om de werkelijkheid in beweging te brengen, maar ook om zélf over iets ´bewogen´ te raken. En wij zijn pas werkelijk bewogen over iets, wanneer niet onze geest en onze wil, maar de (vermeende) werkelijkheid ons ´beweegt´. — Marx schrijft:

 

Die Theorie wird in einem Volke immer nur so weit verwirklicht, als sie die Verwirklichung seiner Bedürfnisse ist. [..] Es genügt nicht, daß der Gedanke zur Verwirklichung drängt, die Wirklichkeit muß sich selbst zum Gedanken drängen.[2]

 

Op zijn minst kunnen wij stellen dat dit in de beleving van de mens het geval zal moeten zijn. De overtuigingskracht van een idee is afhankelijk van de mate waarin (wij menen dat) de werkelijkheid zélf ons aanspoort tot het omarmen van deze idee.

Immers, zodra wij beseffen dat de keuze van een idee volledig van onze wil afhangt, beseffen wij tegelijk hoe willekeurig het is om deze en niet een andere idee te omarmen. Is onze keuze daarentegen niet (volledig) willekeurig, dan is er kennelijk sprake van een maatstaf waaraan wij ons (menen te) moeten onderwerpen — een maatstaf waardoor het uitmaakt wat wij kiezen, betere en slechtere keuze kunnen maken; een maatstaf waarvan wij niet kunnen zeggen dat deze (volledig) afhankelijk is van onze wil, maar waaraan wij de status van werkelijkheid moeten toekennen, omdat met deze maatstaf niet te spotten valt, omdat veronachtzaming van deze maatstaf in de praktijk wordt afgestraft, negatieve consequenties heeft. Oftewel: omdat de werkelijkheid ervan ons aanspoort tot gehoorzaamheid eraan.

Het niet-willekeurige willen is dus gebaseerd op de (h)erkenning van die ideeën, waarover onze wil — naar onze beleving — het minst te zeggen heeft en waarmee onze geest — naar onze beleving — het minst aan de haal kan gaan. Wilsvrijheid betekent derhalve vooral negatief: het niet willen van al die ideeën die minder waarachtig zijn; welbewust de verleidingskracht van deze ideeën weg laten vallen tegenover de overtuigingskracht van het meest waarachtige.

Natuurlijk wijst de tussenzin ´naar onze beleving´ op een relativerende inmenging van de subjectiviteit in het werkelijkheidsbegrip. Het zal de lezer bovendien zijn opgevallen, dat het hele onderscheid tussen mening (doxa) en werkelijkheid (aletheia) in het voorgaande al herhaaldelijk (tussen haakjes) als een idee of mening werd opgevat. Maar zo ingewikkeld als het is, zo ingewikkeld wil ik het laten staan.

Wél gebiedt de werkelijkheid, meen ik, te zeggen, dat er omstandigheden zijn waarin men zekerheid moet hebben over wat men meent te weten — al is het een ´zekerheid van de hoop´ —, daar anders noch de weter noch de werkelijkheid bewogen raakt. Beweging betekent namelijk bestrijding van de status quo, en om zichzélf tot strijd te bewegen is een zekere mate van ´bewogenheid´ vereist. En dit des temeer, naarmate er meer op het spel staat en er meer kan worden verloren. En innerlijke bewogenheid is des temeer het geval, naarmate wij een werkelijkheid des temeer als zó weerbarstig ervaren, dat zij ons zélf tot bewogenheid beweegt en onze wil tot onderwerping dwingt.

3. Weerbarstigheid

Aristoteles heeft een hoop gelijk wanneer hij stelt: “Alle mensen verlangen van nature naar weten”.[3] Nieuwsgierigheid is de mens inderdaad bepaald niet vreemd. Maar wanneer begint het werkelijk uit te maken of het ook waar is wat men weet? Wanneer óf het weten tot een andere werkelijkheid, óf de werkelijkheid tot een ander weten drijft. De ontologische of epistemologische status van de werkelijkheidsbeleving kan hier niet ter zake doen, daar het hiervoor aan een archimedisch punt ontbreekt. Het waarheids- criterium is hier de weerbarstigheid waarop wij stuiten in onze werkelijkheidsbeleving. Deze weerbarstigheid kan ook de objectiviteit worden genoemd, voor zover wij haar beleven als onafhankelijk van onze geestelijke omzwervingen en willekeur. En hoewel niemand vollédig in staat is in deze objectiviteit (of in deze als objectief ervaren weerbarstigheid) het vermeende van het reële te scheiden, krijgt zij de status van een ´legitimatiebewijs´, wanneer het vermeende weten aanspoort tot een verandering van de werkelijkheid. En daar de weerbarstigheid geest en wil in overtuigingskracht overtreft, kan zij bovendien een ander weten genereren.

Het kan echter gebeuren dat de objectieve werkelijkheid niet op het vermeende weten in kán spreken, omdat zij geen werkelijkheidswaarde wordt toegekend. De kosmologie van Aristoteles bijvoorbeeld, beschreven in De Coelo (´Over de hemelen´), kon bijna twintig eeuwen voor waar gehouden worden, daar men vasthield aan de opvatting van Plato en Aristoteles, dat verklaringen op redelijke argumenten en niet op waarneming moesten berusten. Gedurende bijna tweeduizend jaar kon de geest hierdoor alleen zichzélf, ´van binnenuit´, tot de orde roepen, daar zij alleen werkelijkheidswaarde toekende aan de orde die zij zichzélf had opgelegd.

Op basis van de Grieks-wijsgerige logica van matigheid en volmaaktheid, en later de kerkelijke leer, kon in almachtige zelfgenoegzaamheid worden gesteld dat de hele kosmos en ieder hemellichaam de volmaakte vorm van een bol bezit, dat hemel- lichamen een volmaakte, regelmatige cirkelbeweging maken, dat het heelal is samengesteld uit het volmaakte bovenmaanse en onvolmaakte ondermaanse, en dat de aardbol, voornamelijk bestaande uit het zwaarste element aarde, zich in het centrum van het heelal moet bevinden.

Toen echter de waarneming, tezamen met de wiskunde, weer mocht meedoen in het kennen van de kosmos, was het spoedig gedaan met de kosmologie van Aristoteles. Onverbiddelijk moest het dualistische, geocentrische, teleologische matigheidsdenken plaats maken voor een universalistisch, heliocentrisch, mechanistisch en mathematisch oneindigheidsdenken. Cusanus poneerde vanuit de wiskunde de gedachte van een oneindig (en niet bolvormig) heelal. Copernicus concludeerde dat de hemellichamen geen gelijkmatige beweging maken en plaatste de zon in het centrum van het heelal, want zo kon hij de afstanden van de planeten tot de zon wél berekenen. Kepler stelde dat planeten niet een volmaakte cirkelbeweging maar een elliptische beweging maken, daar dit aanmerkelijk nauwkeuriger berekeningen opleverde. Galilei ontdekte met zijn telescoop dat de planeten geen volmaakte bollen zijn. En Newton introduceerde de gedachte dat de héle kosmos aan de wet van de zwaartekracht onderworpen is.

Langzamer maar zeker werd de verleidingskracht van een geestelijke werkelijkheid steeds verder overtroefd door de overtuigingskracht van een weerbarstiger werkelijkheid. Men ervoer een objectieve drang tot de omarming van het nieuwe weten. Zonder deze objectiviteitservaring hadden de eerste bekeerlingen misschien niet eens standgehouden, want eenzaam hadden zij te strijden tegen een overgrote meerderheid, die onverkort bleef toegeven aan de verleidingskracht van het oude weten. Zelfs Galilei en Descartes waren niet enthousiast over Keplers elliptische beweging. Pas een halve eeuw na zijn dood kreeg Kepler brede steun voor zijn ideeën. Galilei, op zijn beurt, moest zijn verdediging van Copernicus voor de kerk herroepen, maar iedereen kent ook de legende dat hij direct na de veroordeling, stampend op de aarde, gezegd zou hebben: “Eppur si muove!” (En toch beweegt zij!). Er was geen weg meer terug.

4. Wezen

Ik keer terug tot de eerdere vraag: wanneer maakt het werkelijk uit of het waar is wat men weet? Allereerst kan men zeggen: wanneer het oude weten concurrentie krijgt van een nieuw weten en de vraagt rijst: welk weten is waar? Onenigheid is echter nog niet voldoende, want altijd is er de mogelijkheid van onverschilligheid, waarvolgens het ons niet schelen kan wat de waarheid is. Ook kan het gebeuren dat men, net als Galilei, publiekelijk niet opkomt voor de waarheid, maar privé eraan blijft vasthouden. In zo´n geval maakt het nog wel degelijk uit wat waar is, maar wenst men niet de prijs voor waarheid (of onenigheid) te betalen.

Wanneer maakt het nu zóveel uit wat waar is, dat men ook bereid is de prijs ervoor te betalen? — Wanneer men een nog hógere prijs betaalt, indien men het doet voorkomen alsof het niet uitmaakt wat waar is. Dit is uiteindelijk het geval wanneer het hele menselijke ´wezen´ (van mijzelf of van degene waarvoor ik insta) in het geding is en het verschil tussen waarheid en onwaarheid samenvalt met de kwestie van Hamlet: To be or not to be. In zo´n geval kan men het zich gewoonweg niet veroorloven alle zekerheden van een vraagteken te voorzien (en af te glijden in de onverschilligheid) of publiekelijk iets anders aan te hangen dan de waarheid.

Waarheid maakt álles uit bij existentiële onenigheid. En de afgelopen vijfentwintig eeuwen is in de westerse geschiedenis aan deze onenigheid steeds de vraag verbonden geweest, wat in een gegeven situatie juister of eerwaardiger is: te strijden of te berusten.

Daarmee zijn wij opnieuw bij de kwestie van Hamlet:

 

To be or not to be, — that is the question: —

Whether ´tis nobler in the mind to suffer

The slings and arrows of outrageous fortune,

Or to take arms against a sea of troubles,

And by opposing end them? [4]

 

Hamlet vertaalt deze vraag in de volgende: waarom verdragen wij de voortdurende aanvallen van het nietsontziende lot, als wij ons daarvan met één dolkstoot kunnen verlossen? Zijn antwoord: omdat wij liever dit vertrouwde lot dragen dan vluchten naar iets dat ons onbekend is.[5] Evenzo kan men vragen: waarom verdroeg de onderdrukte vrouw, zwarte, arbeider en homoseksueel zo lang de voortdurende aanvallen van de nietsontziende machthebbers? Eén belangrijk antwoord luidt: omdat het ontbrak aan zekerheid, zekerheid over de legitimiteit van verzet tegen de gevestigde orde. Strijd voeren tegen de medemens vanwege onrecht vereist een "Groot Verhaal" dat vertelt waarom deze strijd tegen de medemens niet zélf een vorm van onrecht is.

Karl Marx meende hierom dat de religie (i.c. het christelijk geloof) moest worden afgeschaft, daar zij het onrecht van de machthebbers legitimeerde en het verzet van de onderdrukten als onrechtmatig verwierp.[6] Marx schiep een alternatieve "legitimatie- vertelling"[7] waarin de mens zijn ware wezen werd voorgehouden en waarvolgens het verzet van het proletariaat tegen de kapitaalbezitters als legitiem kon worden beschouwd.

Inmiddels weten wij wat er van Marx´ verhaal (bedoeld en onbedoeld) geworden is, wélke strijd het heeft gelegitimeerd en wélke realiteit het heeft voortgebracht. En zeker is het zo, dat het onrecht van de arbeiders de legitimatievertelling van Marx nog niet verexcuseerd. Maar, zo wil ik vragen, kon de arbeider het met minder stellen dan met zo´n legitimatievertelling? Het kon zeker anders, vanuit een andere legitimatie- vertelling, maar kon het met minder? Had er ook een keer kunnen komen in het lot van de arbeiders, zónder een verwijzing naar het wezen van de mens?

Wie geen zekerheid heeft over wat menselijk is, kan zich ook niet verzetten tegen het ónmenselijke. Zolang mensen iets wezenlijks op het spel zien staan, is ieder verzet een strijd om de waarheid en zal ieder “in het gedrang gekomen creatuur”[8] vechten voor wat hij waard is. En kan de strijd niet met woorden worden gewonnen, dan maar met daden.[9] En om de strijd te rechtvaardigen en de onderdrukten zelfbewustzijn bij te brengen, zal de onderdrukte klasse met een legitimatievertelling moeten komen, waarin zij aangeeft wat het wezen van de mens uitmaakt en hoe de eigen klasse iets wezenlijks wordt onthouden dat nu mag en zelfs moet worden opgeëist.[10] En geen zwarte in Amerika zal zeggen: het recht op gelijkwaardigheid aan de blanke geldt alleen voor de zwarte in Amerika. Het gaat de zwarte namelijk niet om een contextgebonden voordeel dat in een ander land minder voordelig zou kunnen zijn. De zwarte voelt zich geplaatst voor de ´bewogen´ kwestie van to be or not to be en stelt: ik en mijn blanke buurman, wij zijn beiden mensen en dus gelijkwaardig. Evenzo eisen ook de achtergestelde vrouw, de uitgebuite arbeider en de taboe verklaarde homoseksueel hun gelijkwaardigheid op. Daarmee is hun strijd vanzelf een wereldstrijd, wereldpolitiek, hun ideaal vanzelf een ideaal dat voor eens en voor altijd bepaalt waar het heen moet met de wereld. Hoe zouden zij met minder tevreden kunnen zijn? Het zou — vanuit hun perspectief, vanuit het werkelijkheidsbesef waardoor en waarover zij ´bewogen´ raakten — een nieuwe vorm van onderdrukking legitimeren, indien zij hun eigen legitimatievertelling géén universele geldingskracht zouden toeschrijven.

 

[1] Jean-François Lyotard, Het postmoderne weten, Ned. vert. 1988, p. 43.

[2] Karl Marx, “Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie” (1844), in: Die Frühschriften, 1964, p. 218.

[3] Aristoteles, Metaphysica A 1, 980a20.

[4] Shakespeare, Hamlet III.I.56-60.

[5] Shakespeare, Hamlet III.I.70-88.

[6] Marx, a.w., p. 208.

[7] Lyotard, Het postmoderne uitgelegd aan onze kinderen (1986), Ned. vert. 1992, p. 28.  

[8] Marx, a.w., p. 208.  

[9] Dat deze daad-werkelijke strijd niet per sé geweld-dadig hoeft te zijn, heeft Mahatma Gandhi op indrukwekkende wijze uitgedragen; zó zelfs, dat hij kon zeggen: “My life is my message”. Ghandi heeft ook duidelijk gemaakt dat geweldloosheid geenszins passiviteit of meegaandheid betekent: “Nonviolence implies voluntary submission to the penalty for non-co-operation with evil.” (D.G. Tendulkar, Mahatma, deel 2, 1960, p. 100.)

[10] Marx was zich er ter dege van bewust dat de onderdrukte arbeider dit zelfbewustzijn nog moest worden bijgebracht: “Es handelt sich darum, den Deutschen keinen Augenblick der Selbsttäuschung und Resignation zu gönnen. Man muß den wirklichen Druck nog drückender machen, indem man ihm das Bewußtsein des Drucks hinzufügt, die Schmach noch schmachvoller, indem man sie publiziert. Man muß jede Sphäre der deutschen Gesellschaft als die Partie honteuse der deutschen Gesellschaft schildern, man muß diese versteinerten Verhältnisse dadurch zum Tanzen zwingen, daß man ihnen ihre eigene Melodie vorsingt! Man muß das Volk vor sich selbst erschrecken lehren, um ihm Courage zu machen” (a.w., p. 211).

© 2004 Evert Jan Ouweneel

Websophia   Uw reactie