| www.websophia.com/filosofie/waarheid.html |
De wil tot waarheid
waarheid / willekeur / weerbarstigheid / wezen Er
zijn omstandigheden waarin mensen het zich
eenvoudigweg niet kunnen veroorloven onzeker te zijn over de
onrechtvaardigheid van een bepaalde status quo en over de
rechtvaardigheid
van het alternatief.
Wat beogen deze mensen namelijk: daadwerkelijke
verandering, de verwerkelijking van een rechtvaardige toestand. En
wat betekent onzekerheid voor deze mensen: ruimte laten voor de
onrechtvaardigheid en dus de status quo van een zekere legitimiteit
voorzien. Een rechtvaardigheidsideaal
heeft juist dan betekenis, wanneer — volgens dit rechtvaardigheidsideaal — de
rechtvaardige werkelijkheid achterloopt op de onrechtvaardige
werkelijkheid. En loopt de rechtvaardigheid achter, is zij nog niet
gerealiseerd, dan heeft zij ook een achterstand in legitimiteit. De
onrechtvaardigheid is er immers al als status quo, mét de
legitimitatie van degenen die haar bestendigen. De rechtvaardigheid
daarentegen is nog maar een idee, die alleen tot realiteit kan (of mag)
worden bevorderd, indien zij de onrechtvaardigheid in legitimiteit weet te
overtreffen. Dit laatste kan in eerste instantie alleen op het niveau van
de ideeën geschieden, daar de rechtvaardigheid nog geen werkelijkheid
bezit. En hoe zal de idee van rechtvaardigheid anders die van de
onrechtvaardigheid kunnen overtreffen, dan door zichzelf niet als
mening (doxa) maar als waarheid (aletheia) aan te prijzen?
Blijft de idee van rechtvaardigheid immers mening, dan verheft zij zich
niet boven de meningen (endoxa) van anderen en kunnen ook de
verdedigers van de onrechtvaardigheid, die tegelijk de machthebbers in de
huidige toestand zijn, zeggen: “Wij respecteren jullie mening, maar
houden vast aan onze mening”. In werkelijkheid zal er dan niets
(hoeven te) veranderen. Om
de onrechtvaardige werkelijkheid te veranderen, is dus een
rechtvaardigheids- idee nodig die niet in het ´meningsverschil´ blijft
steken, maar aanspraak maakt op de status van waarheid en als
waarheid, d.w.z. als beschrijving van de toestand die overeenstemt met hoe
het werkelijk of in wezen is gesteld, het recht kan laten gelden op
verwerkelijking of verwezenlijking ervan. En wil of kan de heersende
klasse, de klasse die de onrechtvaardige toestand legitimeert, zich niet
laten overtuigen van deze waarheid, dan zal er uiteindelijk alleen sprake
kunnen zijn van een strijd om deze waarheid. En
natuurlijk kan men, op dit punt aangekomen, de vraag opwerpen: “Wie
besluit wat weten is en wie weet wat gepast is om te besluiten?”[1]
Maar veel indringender is hier de vraag: hoeveel onwetendheid verdraagt
een mens? Zodra de onderdrukte
mens namelijk zijn eigen rechtvaardigheidsidee relativeert, gaat deze als doxa
in de menigte van endoxa ten onder en is zij niet meer waarachtiger
en dus legitiemer dan de idee die de huidige toestand
legitimeert. De status quo, de onrechtvaardigheid, zal dan kunnen
en mógen blijven voortbestaan. Een
ieder die
wil ingrijpen in de geschiedenis om iets te redden van de gerechtigheid, heeft waarheid
— of met een woord van Marx: theorie — nodig. Want nogmaals: zodra
men kiest voor een strijd om rechtvaardigheid in
een onrechtvaardige toestand,
is er sprake van een strijd die vanuit een idee wordt aangedreven; en wil
deze idee tot strijd aandrijven, dan zal zij een grotere
overtuigingskracht moeten bezitten dan alle alternatieve ideeën; en ideeën
kunnen niet anders verschillen in overtuigingskracht dan door een verschil
in waarachtigheid, d.w.z. doordat de ene idee meer dan de andere idee is
afgestemd op, en in overeenstemming is met, dat wat voor werkelijk of
wezenlijk wordt gehouden. Het
enige alternatieve verschil in ideële waarde is de keur van de wil, maar willekeur
is dodelijk voor de overtuigingskracht van een idee. We stuiten hier op
een tweede drang tot waarheid: niet alleen hebben wij waarheid nodig om de
werkelijkheid in beweging te brengen, maar ook om zélf over iets ´bewogen´
te raken. En wij zijn pas werkelijk bewogen over iets, wanneer niet onze
geest en onze wil, maar de (vermeende) werkelijkheid ons ´beweegt´. —
Marx schrijft:
Die
Theorie wird in einem Volke immer nur so weit verwirklicht, als sie die
Verwirklichung seiner Bedürfnisse ist. [..] Es genügt nicht, daß der
Gedanke zur Verwirklichung drängt, die Wirklichkeit muß sich selbst zum
Gedanken drängen.[2]
Op
zijn minst kunnen wij stellen dat dit in de beleving van de mens
het geval zal moeten zijn. De overtuigingskracht van een idee is
afhankelijk van de mate waarin (wij menen dat) de werkelijkheid zélf
ons aanspoort tot het omarmen van deze idee. Immers,
zodra wij beseffen dat de keuze van een idee volledig van onze wil
afhangt, beseffen wij tegelijk hoe willekeurig het is om deze en niet een
andere idee te omarmen. Is onze keuze daarentegen niet (volledig)
willekeurig, dan is er kennelijk sprake van een maatstaf waaraan wij ons
(menen te) moeten onderwerpen — een maatstaf waardoor het uitmaakt wat
wij kiezen, betere en slechtere keuze kunnen maken; een maatstaf waarvan
wij niet kunnen zeggen dat deze (volledig) afhankelijk is van onze wil,
maar waaraan wij de status van werkelijkheid moeten toekennen,
omdat met deze maatstaf niet te spotten valt, omdat veronachtzaming van
deze maatstaf in de praktijk wordt afgestraft, negatieve consequenties
heeft. Oftewel: omdat de werkelijkheid ervan ons aanspoort tot
gehoorzaamheid eraan. Het
niet-willekeurige willen is dus gebaseerd op de (h)erkenning van
die ideeën, waarover onze wil — naar onze beleving — het minst te
zeggen heeft en waarmee onze geest — naar onze beleving — het minst
aan de haal kan gaan. Wilsvrijheid betekent derhalve vooral negatief: het niet
willen van al die ideeën die minder waarachtig zijn; welbewust de
verleidingskracht van deze ideeën weg laten vallen tegenover de
overtuigingskracht van het meest waarachtige. Natuurlijk wijst de tussenzin ´naar onze beleving´ op een relativerende inmenging van de subjectiviteit in het werkelijkheidsbegrip. Het zal de lezer bovendien zijn opgevallen, dat het hele onderscheid tussen mening (doxa) en werkelijkheid (aletheia) in het voorgaande al herhaaldelijk (tussen haakjes) als een idee of mening werd opgevat. Maar zo ingewikkeld als het is, zo ingewikkeld wil ik het laten staan. Wél
gebiedt de werkelijkheid, meen ik, te zeggen, dat er omstandigheden zijn
waarin men zekerheid moet hebben over wat men meent te weten
— al is het een ´zekerheid van de hoop´ —, daar anders noch de weter noch de werkelijkheid bewogen raakt. Beweging betekent namelijk
bestrijding van de status quo,
en om zichzélf tot strijd te bewegen is een zekere mate van ´bewogenheid´
vereist. En dit des temeer, naarmate er meer op het spel staat en er meer
kan worden verloren. En innerlijke bewogenheid is des temeer het geval,
naarmate wij een werkelijkheid des temeer als zó weerbarstig ervaren, dat
zij ons zélf tot bewogenheid beweegt en onze wil tot onderwerping dwingt.
Aristoteles
heeft een hoop gelijk wanneer hij stelt: “Alle mensen verlangen van
nature naar weten”.[3]
Nieuwsgierigheid is de mens inderdaad bepaald niet vreemd. Maar wanneer
begint het werkelijk uit te maken of het ook waar is wat men weet? Wanneer
óf het weten tot een andere werkelijkheid, óf de werkelijkheid tot een
ander weten drijft. De
ontologische of epistemologische status van de werkelijkheidsbeleving kan
hier niet ter zake doen, daar het hiervoor aan een archimedisch punt
ontbreekt. Het waarheids- criterium is hier de weerbarstigheid waarop wij stuiten
in onze werkelijkheidsbeleving. Deze weerbarstigheid kan ook de objectiviteit
worden genoemd, voor zover wij haar beleven als onafhankelijk van onze
geestelijke omzwervingen en willekeur. En hoewel niemand vollédig in
staat is in deze objectiviteit (of in deze als objectief ervaren
weerbarstigheid) het vermeende van het reële te
scheiden, krijgt zij de status van een ´legitimatiebewijs´, wanneer het
vermeende weten aanspoort tot een verandering van de werkelijkheid. En
daar de weerbarstigheid geest en wil in overtuigingskracht overtreft, kan
zij bovendien een ander weten genereren. Het
kan echter gebeuren dat de objectieve werkelijkheid niet op het vermeende
weten in kán spreken, omdat zij geen werkelijkheidswaarde wordt
toegekend. De kosmologie van Aristoteles bijvoorbeeld, beschreven in De
Coelo (´Over de hemelen´), kon bijna twintig eeuwen voor waar
gehouden worden, daar men vasthield aan de opvatting van Plato en
Aristoteles, dat verklaringen op redelijke argumenten en niet op
waarneming moesten berusten. Gedurende bijna tweeduizend jaar kon de geest
hierdoor alleen zichzélf, ´van binnenuit´, tot de orde roepen, daar zij
alleen werkelijkheidswaarde toekende aan de orde die zij zichzélf had
opgelegd. Op
basis van de Grieks-wijsgerige logica van matigheid en volmaaktheid, en
later de kerkelijke leer, kon in almachtige zelfgenoegzaamheid worden
gesteld dat de hele kosmos en ieder hemellichaam de volmaakte vorm van een
bol bezit, dat hemel- lichamen een volmaakte, regelmatige cirkelbeweging
maken, dat het heelal is samengesteld uit het volmaakte bovenmaanse en
onvolmaakte ondermaanse, en dat de aardbol, voornamelijk bestaande uit het
zwaarste element aarde, zich in het centrum van het heelal moet bevinden. Toen
echter de waarneming, tezamen met de wiskunde, weer mocht meedoen in het
kennen van de kosmos, was het spoedig gedaan met de kosmologie van
Aristoteles. Onverbiddelijk moest het dualistische, geocentrische,
teleologische matigheidsdenken plaats maken voor een universalistisch,
heliocentrisch, mechanistisch en mathematisch oneindigheidsdenken. Cusanus
poneerde vanuit de wiskunde de gedachte van een oneindig (en niet
bolvormig) heelal. Copernicus concludeerde dat de hemellichamen geen
gelijkmatige beweging maken en plaatste de zon in het centrum van het
heelal, want zo kon hij de afstanden van de planeten tot de zon wél
berekenen. Kepler stelde dat planeten niet een volmaakte cirkelbeweging
maar een elliptische beweging maken, daar dit aanmerkelijk nauwkeuriger
berekeningen opleverde. Galilei ontdekte met zijn telescoop dat de
planeten geen volmaakte bollen zijn. En Newton introduceerde de gedachte
dat de héle kosmos aan de wet van de zwaartekracht onderworpen is. Langzamer
maar zeker werd de verleidingskracht van een geestelijke werkelijkheid
steeds verder overtroefd door de overtuigingskracht van een weerbarstiger werkelijkheid. Men ervoer een objectieve drang
tot de omarming van het nieuwe weten. Zonder deze
objectiviteitservaring hadden de eerste bekeerlingen misschien niet eens
standgehouden, want eenzaam hadden zij te strijden tegen een overgrote
meerderheid, die onverkort bleef toegeven aan de verleidingskracht van het
oude weten. Zelfs Galilei en Descartes waren niet enthousiast over Keplers
elliptische beweging. Pas een halve eeuw na zijn dood kreeg Kepler brede
steun voor zijn ideeën. Galilei, op zijn beurt, moest zijn verdediging
van Copernicus voor de kerk herroepen, maar iedereen kent ook de legende
dat hij direct na de veroordeling, stampend op de aarde, gezegd zou
hebben: “Eppur si muove!” (En toch beweegt zij!). Er was geen weg meer
terug. Ik
keer terug tot de eerdere vraag: wanneer maakt het werkelijk uit of het
waar is wat men weet? Allereerst kan men zeggen: wanneer het oude weten
concurrentie krijgt van een nieuw weten en de vraagt rijst: welk weten
is waar? Onenigheid is echter nog niet voldoende, want altijd is er de
mogelijkheid van onverschilligheid, waarvolgens het ons niet schelen kan wat de waarheid
is. Ook kan het gebeuren dat men, net als Galilei, publiekelijk niet
opkomt voor de waarheid, maar privé eraan blijft vasthouden. In zo´n
geval maakt het nog wel degelijk uit wat waar is, maar wenst men niet de prijs
voor waarheid (of onenigheid) te betalen. Wanneer
maakt het nu zóveel uit wat waar is, dat men ook bereid is de prijs
ervoor te betalen? — Wanneer men een nog hógere prijs betaalt, indien
men het doet voorkomen alsof het niet uitmaakt wat waar is. Dit is
uiteindelijk het geval wanneer het hele menselijke ´wezen´ (van mijzelf
of van degene waarvoor ik insta) in het geding is en het verschil tussen
waarheid en onwaarheid samenvalt met de kwestie van Hamlet: To be or
not to be. In zo´n geval kan men het zich gewoonweg niet veroorloven alle
zekerheden van een vraagteken te voorzien
(en af te glijden in de onverschilligheid) of publiekelijk iets anders aan
te hangen dan de waarheid. Waarheid
maakt álles uit bij existentiële onenigheid. En de
afgelopen vijfentwintig eeuwen is in de westerse geschiedenis aan deze
onenigheid steeds de vraag verbonden geweest, wat in een gegeven situatie
juister of eerwaardiger is: te strijden of te berusten. Daarmee zijn wij opnieuw bij de kwestie van Hamlet:
To
be or not to be, — that is the question: — Whether
´tis nobler in the mind to suffer The
slings and arrows of outrageous fortune, Or
to take arms against a sea of troubles, And by opposing end them? [4]
Hamlet
vertaalt deze vraag in de volgende: waarom verdragen wij de voortdurende
aanvallen van het nietsontziende lot, als wij ons daarvan met één
dolkstoot kunnen verlossen? Zijn antwoord: omdat wij liever dit vertrouwde
lot dragen dan vluchten naar iets dat ons onbekend is.[5]
Evenzo kan men vragen: waarom verdroeg de onderdrukte vrouw, zwarte,
arbeider en homoseksueel zo lang de voortdurende aanvallen van de
nietsontziende machthebbers? Eén belangrijk antwoord luidt: omdat het
ontbrak aan zekerheid, zekerheid over de legitimiteit van verzet tegen de
gevestigde orde. Strijd voeren tegen de medemens vanwege onrecht vereist
een "Groot Verhaal" dat vertelt waarom deze strijd tegen de medemens niet
zélf een vorm van onrecht is. Karl
Marx meende hierom dat de religie (i.c. het christelijk geloof) moest
worden afgeschaft, daar zij het onrecht van de machthebbers legitimeerde
en het verzet van de onderdrukten als onrechtmatig verwierp.[6]
Marx schiep een alternatieve "legitimatie-
vertelling"[7]
waarin de mens zijn
ware wezen werd voorgehouden en waarvolgens het verzet van het
proletariaat tegen de kapitaalbezitters als legitiem kon worden
beschouwd. Inmiddels
weten wij wat er van Marx´ verhaal (bedoeld en onbedoeld) geworden is, wélke
strijd het heeft gelegitimeerd en wélke realiteit het heeft
voortgebracht. En zeker is het zo, dat het onrecht van de arbeiders de
legitimatievertelling van Marx nog niet verexcuseerd. Maar, zo wil ik
vragen, kon de arbeider het met minder stellen dan met zo´n legitimatievertelling? Het kon zeker anders, vanuit een andere
legitimatie- vertelling, maar kon het met minder? Had er ook een keer kunnen komen in het lot van de arbeiders, zónder
een verwijzing naar het wezen van de mens? Wie geen zekerheid heeft over wat menselijk is, kan zich ook niet verzetten tegen het ónmenselijke. Zolang mensen iets wezenlijks op het spel zien staan, is ieder verzet een strijd om de waarheid en zal ieder “in het gedrang gekomen creatuur”[8] vechten voor wat hij waard is. En kan de strijd niet met woorden worden gewonnen, dan maar met daden.[9] En om de strijd te rechtvaardigen en de onderdrukten zelfbewustzijn bij te brengen, zal de onderdrukte klasse met een legitimatievertelling moeten komen, waarin zij aangeeft wat het wezen van de mens uitmaakt en hoe de eigen klasse iets wezenlijks wordt onthouden dat nu mag en zelfs moet worden opgeëist.[10] En geen zwarte in Amerika zal zeggen: het recht op gelijkwaardigheid aan de blanke geldt alleen voor de zwarte in Amerika. Het gaat de zwarte namelijk niet om een contextgebonden voordeel dat in een ander land minder voordelig zou kunnen zijn. De zwarte voelt zich geplaatst voor de ´bewogen´ kwestie van to be or not to be en stelt: ik en mijn blanke buurman, wij zijn beiden mensen en dus gelijkwaardig. Evenzo eisen ook de achtergestelde vrouw, de uitgebuite arbeider en de taboe verklaarde homoseksueel hun gelijkwaardigheid op. Daarmee is hun strijd vanzelf een wereldstrijd, wereldpolitiek, hun ideaal vanzelf een ideaal dat voor eens en voor altijd bepaalt waar het heen moet met de wereld. Hoe zouden zij met minder tevreden kunnen zijn? Het zou — vanuit hun perspectief, vanuit het werkelijkheidsbesef waardoor en waarover zij ´bewogen´ raakten — een nieuwe vorm van onderdrukking legitimeren, indien zij hun eigen legitimatievertelling géén universele geldingskracht zouden toeschrijven. [1] Jean-François Lyotard, Het postmoderne weten, Ned. vert. 1988, p. 43. [2]
Karl Marx, “Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie” (1844),
in: Die Frühschriften, 1964, p. 218. [3]
Aristoteles, Metaphysica
A
1, 980a20. [4]
Shakespeare, Hamlet III.I.56-60. [5]
Shakespeare, Hamlet III.I.70-88. [6]
Marx, a.w., p. 208. [7]
Lyotard, Het postmoderne
uitgelegd aan onze kinderen (1986),
Ned. vert. 1992, p. 28. [8]
Marx, a.w., p. 208. [9]
Dat deze daad-werkelijke strijd niet per sé geweld-dadig hoeft te
zijn, heeft Mahatma Gandhi op indrukwekkende wijze uitgedragen; zó
zelfs, dat hij kon zeggen: “My life is my message”. Ghandi heeft
ook duidelijk gemaakt dat geweldloosheid geenszins passiviteit of
meegaandheid betekent: “Nonviolence implies voluntary submission to
the penalty for non-co-operation with evil.” (D.G. Tendulkar, Mahatma,
deel 2, 1960, p. 100.) [10] Marx was zich er ter dege van bewust dat de onderdrukte arbeider dit zelfbewustzijn nog moest worden bijgebracht: “Es handelt sich darum, den Deutschen keinen Augenblick der Selbsttäuschung und Resignation zu gönnen. Man muß den wirklichen Druck nog drückender machen, indem man ihm das Bewußtsein des Drucks hinzufügt, die Schmach noch schmachvoller, indem man sie publiziert. Man muß jede Sphäre der deutschen Gesellschaft als die Partie honteuse der deutschen Gesellschaft schildern, man muß diese versteinerten Verhältnisse dadurch zum Tanzen zwingen, daß man ihnen ihre eigene Melodie vorsingt! Man muß das Volk vor sich selbst erschrecken lehren, um ihm Courage zu machen” (a.w., p. 211). © 2004 Evert Jan Ouweneel |
| Websophia | Uw reactie |