|
- Driemaal webvorming in de
wereldgeschiedenis:
* vanaf 10.000vC: onsamenhangend wijdvertakt
wereldweb van communicatie/interactie
- mensen verspreiden zich over alle
continenten behalve Antarctica
- uit verspreiding van pijl en boog over de
wereld (behalve Australië) blijkt dat nuttige techniek van groep
tot groep wereldwijd kan worden overgedragen
- landbouw vanaf 8500 ► bevolkingsgroei en
nieuwe, steviger netwerken binnen web
* vanaf 4.000vC: ontstaan van de
metropolitaanse webben binnen oude wereldweb
- netwerken nog hechter door ontwikkeling van
steden, die dienen als ontmoetings- en opslagplaats van
informatie, goederen en ziekten
- eerste metropolitaanse web gevormd ronde de
steden het oude Soemerië
* vanaf 500nC: ontstaan van één
kosmopolitisch web
- door ontdekkingsreizen versmelting
van alle metropolitaanse webben
- laatste 200 jaar: door elektronica
meer en snellere uitwisselingen binnen web
- Wat maakt groepen en webben krachtig en
succesvol:
* samenwerking door communicatie
(zelfde doelen nastreven, specialisatie en arbeidsverdeling)
maakt groepen rijker en machtiger, alsook gelaagder en
ongelijker
* competitie (dreiging leidt tot
noodzaak tot modernisering of tot samenwerking)
* expansie (machtiger groepen
verwerven middelen en bezittingen ten koste van zwakkere, zodat
geschiedenis richting steeds grotere sociale samenweking
beweegt)
- expansie kan voortduren, zolang een rijk
voldoende interne samenhang kent en het communicatie- en
aanpassingsvermogen groot genoeg is
- deelnemers van grote webben profiteren van
arbeidsdeling (zodat bijv. een beroepsleger mogelijk is) alsook
van gezamenlijke immuniteit tegen ziekten
- expanderende rijken kennen een zeer bewuste
organisatie (families, stammen, kerken, bedrijven, legers,
bendes, koninkrijken), aangevoerd door leider en bovenlaag met
veel macht, goederen, diensten, respect en prestige
- rijken groeien ook door verbetering
(sneller en goedkoper maken) van communicatie en transport
(bijv. schrift, boekdrukkunst, beter schip, internet)
* toenemende invloed (gemeenschappen
gelijker en onderling communicerend)
- tussen 10.000 en 3000 vC vonden minstens 7
samenlevingen op aarde de landbouw uit; in de tijd van de
stoommachine is één keer genoeg
- Vanwaar de menselijke hegemonie:
* lichamelijk: handen vrij door lopen
op twee benen; beter grip door vrije duim; doeltreffend
koelsysteem (zodat bijv. aboriginals kangaroes vangen door ze op
te jagen en zo te oververhitten); doelgericht werpen door
oog-hand-lichaamscoördinatie,
* etnisch: voorkoming van inteelt en
verspreiding van kennis en technieken door ‘gemeenschappen van
splitsing en versmelting’ (fission-fusion societies): diverse
families komen om de zoveel tijd samen om te genieten van zang
en dans, huwelijken te regelen en informatie en kostbare
voorwerpen uit te wisselen (op deze wijze werd de Beringstraat
overbrugd, wat de verspreiding van uitvindingen mogelijk maakte)
* geestelijk: betere communicatie en
samenwerking door taal, maar ook streven naar vooruitgang
doordat een idee van iets moois of iets goeds nog niet is
gerealiseerd
* sociaal: grote saamhorigheid door
zang en dans,
* vuur houdt roofdieren op afstand,
leidt prooidieren in hinderlaag, kan worden gebruikt voor
warmte, licht, voedselbereiding en als middelpunt van het
sociale leven
* groot aanpassingsvermogen
door landbouw- en visserijtechnieken, voedselopslag,
zelfgemaakte kleding, hutten, tenten, werktuigen, wapens en
andere instrumenten
- Aanvankelijke expansie door jagen op grote
prooien (leveren meer op)
* in zowel Australië als Noord- en
Zuid-Amerika valt de komst van de jager samen met het overal
uitsterven van grote dieren (tevens sterke klimaatverandering)
- in Amerika verdwijnen nuttige dieren, zoals
paarden en kamelen
- in Nieuw-Zeeland en Madagaskar grote dieren
binnen paar 100 jaar weg
- droog Australië lijdt onder branden om
prooien te vangen; ideale gebieden voor branden zijn savanne en
bossen in gematigde klimaatzones (Afrika/Eurazië/Amerika)
* vrouwen en kinderen verzamelen plantaardig
voedsel (jagen lastig vanwege baby’s), zodat de jacht het domein
van de mannen wordt
* afhankelijkheid van natuur verhoogt positie
van ‘geestelijken’ (sjamanen, priesters), die intermediëren
tussen geesten/goden en de gewone mens
- Neolithische (r)evolutie: van jagen
en verzamelen naar landbouw en veeteelt
* geen graanbouw in tropische tuinen
Nieuw-Guinea/Zuidoost-Azië: tropische wortels vermenigvuldigd
door bovenkant van knol af te snijden en in de grond te stoppen;
buiten tropische gebieden boeren veel lastiger; ook moeizamer
dan jagen/verzamelen
* er bestaan veel verklaringen voor
agrarische revolutie (of evolutie, want abrupt was het niet);
volgens de McNeills gaat men de tuin als persoonlijk eigendom of
familiebezit zien, zodat men de motivatie kan opbrengen met
extra inspanning een tuin te onderhouden
* ontwikkeling van agrariër voegt nieuwe
soorten informatie toe aan menselijk web: tussen leerling-boeren
van naburige gemeenschappen ontstaat een constante uitwisseling
van vaardigheden, kennis, zaad en fokdieren
* 8500vC: dorpen verspreiden zich over de
Vruchtbare Sikkel of Vruchtbare Halve Maan in de minder droge
vlaktes en heuvels van het huidige Irak, Syrië en Israël
- binnen paar eeuwen verzameling van
verbeterde tarwe/gerst/schapen/geiten
- vanaf 6000: olijven, citrusvruchten,
vijgen, dadels, en vlak vanwege de vlasdraden
* in 8000 domesticatie van geit, schaap en
varken; in 6000 domesticatie van de koe, in 5000 domesticatie
van de ezel in de Vruchtbare Sikkel; in 4000 het paard in
zuid-Rusland
* 4000-3000: woldragend mutant van schaap
verspreidt zich over Zuidwest-Azië en geiten en schapen laten
zich voor het eerste melken
- herders ‘drinken’ de melk die eigenlijk
bedoeld is voor jonge geitjes en lammeren; later volgt melk van
runderen en zelfs merries en kamelen, maar alleen enkele
bevolkingsgroepen in West-Azië en Europa ontwikkelden het
vermogen om melk te verteren; een bepaalde genetische eigenschap
van het kind wordt in deze groepen vastgehouden tot in de
volwassen jaren, waardoor ze de beschikbare melk ten volle
kunnenen benutten (duidelijkste voorbeeld van genetische
modificatie van de mens a.g.v. landbouw en veeteelt).
* mens benut runderen (of ossen, gecastreerde
mannetjes) om met hun hoorns de ploeg te trekken ► meer graan ►
mogelijkheid tot steden en beschavingen
* Eurazië ontwikkelt zich sneller dan Amerika
en Afrika beneden de sahara vanwege meer grond, meer dieren en
bovenal een veel omvangrijker communicatienetwerk, dat zich
bovendien over een veel grotere bevolking (70% van alle mensen)
uitstrekt
- gevolg: rond 3500vC. staan diverse
agrarische samenlevingen in Zuidwest-Azië en China aan de basis
van diverse complexe, gespecialiseerde en sociaal gelaagde (dat
wil zeggen: geciviliseerde) gemeenschappen en staten
- Sedentaire revolutie: van een
nomadisch bestaan naar vaste nederzettingen
* De mens leert voedsel te bewaren (eerst
roken en drogen; vanaf neolithicum conserveren van voedsel in
aardewerk) en vooruit te produceren; gevolg:
- grotere gemeenschappen: veel mensen
profiteren van tijdelijke overschotten van rendieren, zalm of
walvissen, of van een overvloed aan wild graan
- mensen moeten in de buurt van de
opslagplaatsen blijven
- mensen besteden meer aandacht aan de huizen
waarin zij wonen
- mensen houden vrije tijd over: tijd voor
rituelen, kunstzinnige activiteiten (bijv. de grottekeningen uit
het Magdalénien in Zuid-Frankrijk) en feesten ter bekrachtiging
van prestige (bijv. indiaanse potlatch-feesten in
Noord-Amerika)
* Nederzettingen zijn kwetsbaarder:
- kwetsbaar voor besmettelijke ziekten (men
leeft bij het eigen vuil en afval)
- graanakkers kwetsbaar voor virussen,
insecten, droogte, hagel, overstroming
- graanschuren doelwit van rovers, wat de
professionele strijder doet ontstaan
- samenleving splitst zich op in klassen van
priesters, strijders en boeren
* nomadische nederzettingen ► grotere
families (geen gesjouw met kinderen meer) ► grotere
voedselbehoefte ► grotere akkers en veestapel (’s nachts in
kooien); jagen/verzamelen steeds minder mogelijk
- Leidt de sedentaire revolutie tot de
neolithische (agrarische) revolutie, of andersom?
* gaat de mens nederzettingen bouwen ter
bescherming (bijv. vanwege voedselopslag)?
* of dwingt de neolithische
revolutie tot een bestaan in nederzettingen?
© 2007 Evert
Jan Ouweneel
|