10.000-1000 vC 3500 vC -200 nC 200-1000 nC 1000-1500 nC 1450-1800 nC

Samenvatting grotendeels ontleend aan J.R. McNeill & W.H. McNeill, Het menselijk web: de wereldgeschiedenis in vogelvlucht (hfst. 1-2)

Periode: 10.000-1000 v.C.

Het menselijk web<br>MacNeill, J.R.

Evert Jan Ouweneel

- Driemaal webvorming in de wereldgeschiedenis:

* vanaf 10.000vC: onsamenhangend wijdvertakt wereldweb van communicatie/interactie

- mensen verspreiden zich over alle continenten behalve Antarctica

- uit verspreiding van pijl en boog over de wereld (behalve Australië) blijkt dat nuttige techniek van groep tot groep wereldwijd kan worden overgedragen

- landbouw vanaf 8500 ► bevolkingsgroei en nieuwe, steviger netwerken binnen web

* vanaf 4.000vC: ontstaan van de metropolitaanse webben binnen oude wereldweb

- netwerken nog hechter door ontwikkeling van steden, die dienen als ontmoetings- en opslagplaats van informatie, goederen en ziekten

- eerste metropolitaanse web gevormd ronde de steden het oude Soemerië

* vanaf 500nC: ontstaan van één kosmopolitisch web

      - door ontdekkingsreizen versmelting van alle metropolitaanse webben

      - laatste 200 jaar: door elektronica meer en snellere uitwisselingen binnen web

- Wat maakt groepen en webben krachtig en succesvol:

* samenwerking door communicatie (zelfde doelen nastreven, specialisatie en arbeidsverdeling) maakt groepen rijker en machtiger, alsook gelaagder en ongelijker

* competitie (dreiging leidt tot noodzaak tot modernisering of tot samenwerking)

* expansie (machtiger groepen verwerven middelen en bezittingen ten koste van zwakkere, zodat geschiedenis richting steeds grotere sociale samenweking beweegt)

- expansie kan voortduren, zolang een rijk voldoende interne samenhang kent en het communicatie- en aanpassingsvermogen groot genoeg is

- deelnemers van grote webben profiteren van arbeidsdeling (zodat bijv. een beroepsleger mogelijk is) alsook van gezamenlijke immuniteit tegen ziekten

- expanderende rijken kennen een zeer bewuste organisatie (families, stam­men, kerken, bedrijven, legers, bendes, koninkrijken), aangevoerd door leider en bovenlaag met veel macht, goederen, diensten, respect en prestige

- rijken groeien ook door verbetering (sneller en goedkoper maken) van communicatie en transport (bijv. schrift, boekdrukkunst, beter schip, internet)

* toenemende invloed (gemeenschappen gelijker en onderling communicerend)

- tussen 10.000 en 3000 vC vonden minstens 7 samenlevingen op aarde de landbouw uit; in de tijd van de stoommachine is één keer genoeg

- Vanwaar de menselijke hegemonie:

* lichamelijk: handen vrij door lopen op twee benen; beter grip door vrije duim; doeltreffend koelsysteem (zodat bijv. aboriginals kangaroes vangen door ze op te jagen en zo te oververhitten); doelgericht werpen door oog-hand-lichaamscoördinatie,

* etnisch: voorkoming van inteelt en verspreiding van kennis en technieken door ‘gemeenschappen van splitsing en versmelting’ (fission-fusion societies): diverse families komen om de zoveel tijd samen om te genieten van zang en dans, huwelijken te regelen en informatie en kostbare voorwerpen uit te wisselen (op deze wijze werd de Beringstraat overbrugd, wat de verspreiding van uitvindingen mogelijk maakte)

* geestelijk: betere communicatie en samenwerking door taal, maar ook streven naar vooruitgang doordat een idee van iets moois of iets goeds nog niet is gerealiseerd

* sociaal: grote saamhorigheid door zang en dans,

* vuur houdt roofdieren op afstand, leidt prooidieren in hinderlaag, kan worden gebruikt voor warmte, licht, voedselbereiding en als middelpunt van het sociale leven

* groot aanpassingsvermogen door landbouw- en visserijtechnieken, voedselopslag, zelfgemaakte kleding, hutten, tenten, werktuigen, wapens en andere instrumenten

- Aanvankelijke expansie door jagen op grote prooien (leveren meer op)

* in zowel Australië als Noord- en Zuid-Amerika valt de komst van de jager samen met het overal uitsterven van grote dieren (tevens sterke klimaatverandering)

- in Amerika verdwijnen nuttige dieren, zoals paarden en kamelen

- in Nieuw-Zeeland en Madagaskar grote dieren binnen paar 100 jaar weg

- droog Australië lijdt onder branden om prooien te vangen; ideale gebieden voor branden zijn savanne en bossen in gematigde klimaatzones (Afrika/Eurazië/Amerika)

* vrouwen en kinderen verzamelen plantaardig voedsel (jagen lastig vanwege baby’s), zodat de jacht het domein van de mannen wordt

* afhankelijkheid van natuur verhoogt positie van ‘geestelijken’ (sjamanen, priesters), die intermediëren tussen geesten/goden en de gewone mens

- Neolithische (r)evolutie: van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt

* geen graanbouw in tropische tuinen Nieuw-Guinea/Zuidoost-Azië: tropische wortels vermenigvuldigd door bovenkant van knol af te snijden en in de grond te stoppen; buiten tropische gebieden boeren veel lastiger; ook moeizamer dan jagen/verzamelen

* er bestaan veel verklaringen voor agrarische revolutie (of evolutie, want abrupt was het niet); volgens de McNeills gaat men de tuin als persoonlijk eigendom of familiebezit zien, zodat men de motivatie kan opbrengen met extra inspanning een tuin te onderhouden

* ontwikkeling van agrariër voegt nieuwe soorten informatie toe aan menselijk web: tussen leerling-boeren van naburige gemeenschappen ontstaat een constante uitwisseling van vaardigheden, kennis, zaad en fokdieren

* 8500vC: dorpen verspreiden zich over de Vruchtbare Sikkel of Vruchtbare Halve Maan in de minder droge vlaktes en heuvels van het huidige Irak, Syrië en Israël

- binnen paar eeuwen verzameling van verbeterde tarwe/gerst/schapen/geiten

- vanaf 6000: olijven, citrusvruchten, vijgen, dadels, en vlak vanwege de vlasdraden

* in 8000 domesticatie van geit, schaap en varken; in 6000 domesticatie van de koe, in 5000 domesticatie van de ezel in de Vruchtbare Sikkel; in 4000 het paard in zuid-Rusland

* 4000-3000: woldragend mutant van schaap verspreidt zich over Zuidwest-Azië en geiten en schapen laten zich voor het eerste melken

- herders ‘drinken’ de melk die eigenlijk bedoeld is voor jonge geitjes en lammeren; later volgt melk van runderen en zelfs merries en kamelen, maar alleen enkele bevolkingsgroepen in West-Azië en Europa ontwikkelden het vermogen om melk te verteren; een bepaalde genetische eigenschap van het kind wordt in deze groepen vastgehouden tot in de volwassen jaren, waardoor ze de beschikbare melk ten volle kunnenen benutten (duidelijkste voorbeeld van genetische modificatie van de mens a.g.v. landbouw en veeteelt).

* mens benut runderen (of ossen, gecastreerde mannetjes) om met hun hoorns de ploeg te trekken ► meer graan ► mogelijkheid tot steden en beschavingen

* Eurazië ontwikkelt zich sneller dan Amerika en Afrika beneden de sahara vanwege meer grond, meer dieren en bovenal een veel omvangrijker communicatienetwerk, dat zich bovendien over een veel grotere bevolking (70% van alle mensen) uitstrekt

- gevolg: rond 3500vC. staan diverse agrarische samenlevingen in Zuidwest-Azië en China aan de basis van diverse complexe, gespecialiseerde en sociaal gelaagde (dat wil zeggen: geciviliseerde) gemeenschappen en staten

- Sedentaire revolutie: van een nomadisch bestaan naar vaste nederzettingen

* De mens leert voedsel te bewaren (eerst roken en drogen; vanaf neolithicum conserveren van voedsel in aardewerk) en vooruit te produceren; gevolg:

- grotere gemeenschappen: veel mensen profiteren van tijdelijke overschotten van rendieren, zalm of walvissen, of van een overvloed aan wild graan

- mensen moeten in de buurt van de opslagplaatsen blijven

- mensen besteden meer aandacht aan de huizen waarin zij wonen

- mensen houden vrije tijd over: tijd voor rituelen, kunstzinnige activiteiten (bijv. de grottekeningen uit het Magdalénien in Zuid-Frankrijk) en feesten ter bekrachtiging van prestige (bijv. indiaanse potlatch-feesten in Noord-Amerika)

* Nederzettingen zijn kwetsbaarder:

- kwetsbaar voor besmettelijke ziekten (men leeft bij het eigen vuil en afval)

- graanakkers kwetsbaar voor virussen, insecten, droogte, hagel, overstroming

- graanschuren doelwit van rovers, wat de professionele strijder doet ontstaan

- samenleving splitst zich op in klassen van priesters, strijders en boeren

* nomadische nederzettingen ► grotere families (geen gesjouw met kinderen meer) ► grotere voedselbehoefte ► grotere akkers en veestapel (’s nachts in kooien); jagen/verzamelen steeds minder mogelijk

- Leidt de sedentaire revolutie tot de neolithische (agrarische) revolutie, of andersom?

* gaat de mens nederzettingen bouwen ter bescherming (bijv. vanwege voedselopslag)?

* of dwingt de neolithische revolutie tot een bestaan in nederzettingen?

© 2007 Evert Jan Ouweneel

10.000-1000 vC 3500 vC -200 nC 200-1000 nC 1000-1500 nC 1450-1800 nC