|
MESOPOTAMIË EN EGYPTE
- Mesopotamië (waarschijnlijk oudste
beschaving; vanaf 3500)
* opgebouwd rond 10 Soemerische steden bij de
mondingen van Eufraat en Tigris (kustlijn in die tijd veel
noordelijker; ook de loop van de Eufraat in die tijd anders)
* eerste beschaving in Mesopotamië omdat daar
de netwerken van transport en communicatie samenkomen (kruispunt
van kustvaart en karavaanroutes)
* mysterieuze vreemdelingen van overzee
introduceren irrigatiekennis en bouwen in een gebied waar tot
dan toe alleen jagers en verzamelaars verkeerden, kanalen en
dijken om water op het juiste moment en in de juiste mate op het
land te brengen
* aanleg van irrigatiestelsels is
arbeidsintensief; waarschijnlijk maken de vreemdelingen
gebruik van bewoners in nabijgelegen dorpen en worden zij zelf
de bevoorrechte burgers en priesterlijke leiders van de eerste
nederzettingen en later steden
* rond 3000 ontstaan steden door bouw van
kolossale leemstenen beschermmuren
* soemerische steden hebben 3 duidelijke
kenmerken: 1) bevoorrechte stadsburgers bebouwen land rond stad
en vormen grote huishoudens die bestaan uit familieleden,
ondergeschikte landarbeiders en slaven; 2) buiten de muren, aan
de riveroever, leeft een havengemeenschap van kooplieden,
karavaanreizigers en zeelieden die hout, metalen en kostbare
materialen importeren in ruil voor bijv. wollen weefsels en
dadelwijn); 3) één goddelijk tempelhuishouden van priesters
houdt zich in rituelen en tempeldienst bezig met de wil en
wensen van de goden, waarbij tempel (Ziggurat) en rituelen
toenemen in pracht en omvang en dus handel en ambacht bevorderen
* v.a. 2300 krijgers (fysieke protectie)
machtiger dan priesters (geestelijke protectie)
* Soemeriërs invloedrijk door uitvindingen
als spijkerschrift, leidervergoddelijking, bureaucratie en
ambtenarenapparaat, kalender, wiskunde en wetgeving (bijv. Code
van Hammurabi; voorkomt willekeur door rechters en
kettingreacties van wraak)
- Egypte (3100):
* rond 3100 verenigt de eerste farao (Menes)
Boven- en Beneden-Egypte
* beschaving opgebouwd langs de Nijl:
goedkope betrouwbare transportweg (rustige stroming duwt boot
naar het noorden; passaatwind blaast boot naar het zuiden)
* door controle over de scheepvaart op de
Nijl kan de farao overal belasting innen en bijv. het enorme
arbeidsleger bekostigen dat zijn persoonlijke pirmade bouwt
* eerste trappiramides gebaseerd op
Soemerische Ziggurat, maar Egyptenaren gebruiken steen i.p.v.
leem en ontwikkelen al snel een eigen techniek en stijl
* hiëroglyfenschrift wellicht een bewuste
nabootsing van Soemerische spijkerschrift
* jaarlijkse overstromingen maakt kanalen
overbodig, alleen aanleg van waterbekkens en overbrenging van
overtollig water naar de grond achter de dijken; als vruchtbare
slib is bezonken en de gewassen geplant kunnen worden, wordt het
water afgevloeid; op deze manier kan zich geen grote
hoeveelheden zout ophopen, wat wel gebeurde in Mesopotamië,
omdat daar het irrigatiewater verdampte, met verwoesting tot
gevolg
* uitgestrekte woestijnen maakt
grensverdediging eenvoudiger dan in Mesopotamië; vrijwel de hele
oudheid bleven de Egyptenaren gewoon thuis; geen dure legermacht
* Nijl-delta open deur voor zeevaarders,
zodat Egyptische technieken en ideeën zich verspreiden over de
Middelandse-Zeelanden (bijv. Minoïsche beschaving op Kreta)
- Rijken in Mesopotamië (2300-300)
* Akkadiërs (2300-2100):
Semitisch volk uit Arabisch schiereiland verovert o.l.v. Sargon
I Soemerië en verdere loop van Eufraat en Tigris; nemen groot
deel van Soemerische cultuur over (incl. religie, schrift,
bureaucratie, literatuur, wet); hoofdstad is Akkad/Agade
* Guti (2100-1900): Semitisch volk uit
Zagros gebergte (nu Iran) verovert Soemerische steden en stelt
daarover gouverneurs (patesi’s) aan (nadat de Soemerische steden
o.l.v. de stad Ur met succes zijn opgestaan tegen de Akkadiërs)
* Amorieten of oud-Babyloniërs
(1900-1600): rijk gekenmerkt door centralisatie: macht en
autonomie wordt aan de steden onttrokken en aan één monarch
toebedeeld; als gevolg hiervan ontstaat er een nieuw soort wet:
wetten die gaan over misdaden tegen de staat; autoritair en hard
opgetreden tegen een groot aantal misdaden, waaronder “slecht
gedrag in een bar”; het Epos van Gilgamesj (met
zondvloedverhaal) is de grote literaire erfenis van de
Amorieten; hun bekendste koning is Hammurabi (en zijn Wet of
Codex)
* Hittieten en Kassieten (1600-1200):
eerste Indo-Europese rijken; de Hittieten in Noord-Mesopotamië,
de Kassieten in Zuid-Mesopotamië; hoofdstad van de Hittieten is
Hattusjasj in noordoost Anatolië; Hittieten drijven handel met
alle naburige volken en vormen zo een belangrijk doorgeefluik
van de Mesopotamische cultuur; maken het paard tot
handelsobject; hun wetten blinken uit in mildheid (mogelijk
vanwege geringe dreiging): zelfs opzettelijke moord wordt
bestraft met een boete; tevens geen privébezit: alles is van de
koning; Hittitische godsdienst neemt makkelijk vreemde goden op
in de verzameling; de Kassieten komen uit het Zagros
gebergte en domineren vanuit Babylon het centrum van Mesopotamië
zowel militair als commercieel
* Assyriërs (1200-600): Semitisch volk
aan de bovenloop van de Tigris; hoofdstad is Assur; al in 1800
vestigt koning Nimrod het Oud-Assyrische rijk, maar deze wordt
overwonnen door de Kassieten; rond 1200 ontworstelen de
Assyriërs zich aan de Kassieten (Midden-Assyrische rijk); rond
900 ontstaat het Nieuw-Assyrische rijk: koning Assurnasirpal II
en Salmanassar III veroveren Georgië, Koerdistan, Syrië,
Libanon, het tien-stammenrijk van Israël, Armenië en
Zuid-Mesopotamië met Babylon als hoofdprijs; om nationalistische
opstanden te voorkomen verspreiden de Assyriers de leiders van
vreemde volken over het hele rijk (begin van de joodse
diaspora) en laten zij Assyriërs verhuizen naar de
overwonnen gebieden (waaronder de Samaritanen in Israël, die
vanwege hun grote godenverzameling op gespannen voet leven met
de joden); de nieuwe hoofdstad wordt Nineveh, waar Assurbanipal
(7e eeuw) een bibliotheek sticht; de Assyriërs zijn
wreed en danken hun rijk aan eindeloze oorlogen; de meest
gebruikelijke straf voor misdadigers is het spietsen op palen;
wie zeer ernstige misdrijven heeft begaan wordt levend gevild;
tegelijk komt de wetenschap tot bloei: Assyriërs ontwikkelen de
360 graden-driehoek voor betere navigatie, en een betere
geneeskunde
* Chaldeeën of nieuw-Babyloniërs
(600-500): generaal Nabopolassar overwint het Assyrische rijk in
626 en wordt de eerste koning van het Nieuw-Babylonische rijk;
zijn zoon Nebukadnezar II verfraait Babylon met de beroemde
Ishtarpoort en maakt het twee-stammenrijk Juda tot een
vazalstaat; als Juda blijkt samen te heulen met Egypte, verovert
Nebukadnezar Juda en benoemt Zedekia tot koning; 10.000 joden
(vooral upper class) worden gedeporteerd naar Babylon;
als ook Zedekia in opstand komt, besluit Nebukadnezar Jeruzalem
en de beroemde tempel van Salomo in 586 te verwoesten; de
Chaldeeën moeten voortdurend strijden tegen hun aartsrivalen, de
Assyriërs; in 555 komt Nabonidus aan de macht (met na 5 jaar
zijn zoon Belsassar als co-heerser) en treft de Babylonische
cultuur in het hart: hij plaatst de Assyrische maangodin Sin
bovenop de tempel van de Babylonische hoofdgod Marduk; boos en
bitter verwelkomen de stadsbewoners en priesters daarom de
Perzische, Indo-Europese koning Cyrus (538)
* Perzen (500-300): vanaf 559 begint
de veroveringstocht van Cyrus: na allereerst de Perzen te hebben
verenigd breidt hij zijn rijk uit naar het westen; een immens
rijk, veroverd vanuit een religieus-eschatologische drijfveer:
Cyrus wil, in navolging van de prediking van Zarathoestra
(Grieks: Zoroaster), zijn bijdrage leveren aan de strijd tussen
goed en kwaad (waarin naar zijn geloof de goede god Ahura-Mazda
eens de kwade god Ahriman zal overwinnen) door de wereld te
veroveren en overal het zoroastrisme te prediken; daarbij meent
hij, in overeenstemming met de leer, dat iedere god een reële
god is die óf Ahura-Mazda óf Ahriman dient; het is daarom ook
zijn roeping de kwade goden te ontmaskeren en ontmantelen;
echter niet door dwang, maar door mensen van de waarheid en het
goede te overtuigen en door volkeren te helpen die onder een
goede god dienen; zo krijgt hij in een droom de opdracht van
JHWH, de goede God van Israël, dat de joden moeten terugkeren
naar Jeruzalem om daar de tempel weer op te bouwen en de
eredienst te herstellen - en zo gebeurt het; Cyrus verovert
Zuidwest-Azië, zijn zoon Cambyses verovert Egypte, en diens zoon
Darius I breidt het rijk uit tot zijn uiterste grenzen
(Macedonië); de grote innovatie van Darius was het instellen van
min of meer onafhankelijke provincies; het is ook deze Darius 1
(522-486) die door de Grieken wordt verslagen in de slag bij
Marathon (490); later verslaan de Grieken zijn zoon Xerxes I in
de slag bij Salamis (480) – een cruciale nederlaag v.w.b. de
loop van de geschiedenis
- Drie militaire ontwikkelingen achter deze
machtsverschuivingen:
* de strijdwagen (1700) raakt vooral
verspreid wanneer in Noord-Mesopotamië een sterk verbeterde
versie het licht ziet: een lichte, door stevige paarden
voortgetrokken wagen met plaats voor een boogschutter en menner;
het geluid van galopperende paarden heeft een afschrikwekkend
effect; de strijdwagen verovert achtereenvolgens Mesopotamië
en Egypte en dringt rond 1500 India binnen en dan verre landen
als China en Zweden
* de infanteristen (1200) krijgen het
voor het zeggen vanaf de ijzertijd (die begint op Oost-Anatolië
of Cyprus; met relatief goedkope ijzeren pantsers en wapens
wordt de strijdwagenelite verdrongen; deze democratisering
van de oorlogvoering leidt tot de snelle opkomst van meer
egalitaire lokale staten (o.a. het Israël van David en Salomo)
die enige tijd de plaats van de grote rijken innemen; de
ijzerbewerking dringt na 600 zelfs door tot beneden de Sahara en
maakt dat voor het eerst een plattelandsmeerderheid belang
heeft bij de stedelijke ruilhandel: gespecialiseerde
mijnwerkers, ertssmelters en handelaren zijn daar druk doende
de ijzersmederijen van ijzer te voorzien, die van dit ijzer weer
ploegscharen, schoffels en sikkels maken (harder, duurzamer en
goedkoper dan brons)
* boogschutters te paard (700)
verstoren opnieuw het evenwicht; op de steppen zijn er paarden
in overvloed, dus zodra herders leren hoe ze tegelijk kunnen
paardrijden en boogschieten (wat niet eenvoudig is), stellen
snelheid en uithoudingsvermogen hen in staat op elke
willekeurige plek een superieure strijdmacht in te zetten; bij
gebrek aan grasland en (duur) graan, kunnen de steden nauwelijks
een cavalerie hiertegenover plaatsen, zodat het strategisch
voordeel van de steppeplunderaars groot is, zelfs zo groot dat
ze vanaf 612 vC, vanaf de deelname van de Scytische cavaleristen
uit de Oekraïne aan de omverwerping van het Assyrische rijk, tot
1644 nC, wanneer de Mantsjoes in China een nieuwe dynastie
stichtten, in Eurazië voor een onrustig politiek klimaat zorgen;
In de tussenliggende 2200 jaar stammen de meeste beschaafde
heersers in Eurazië af van de steppeplunderaars, direct of
indirect; bovendien zorgt de mobiliteit van de herders voor een
uitwisseling van microben, religieuze ideeën en technologieën;
de herders verenigen de agrarische centra in het gebied tussen
Middellandse Zee en Gele Zee; ze verstevigen de bestaande webben
en smelten die samen tot het Oude-Wereldweb
- Drie vernieuwingen in de burgersamenleving
ten tijde van deze rijken (2300-300):
* bureaucratie (delegatie van gezag):
een ambtenaar krijgt koninklijk gezag verleend door de vorst,
zodat iedereen in zijn omgeving hem moet gehoorzamen; zolang
zijn gezag wordt aanvaard en hij trouw blijft aan de koning, kan
de koning via deze ambtenaar belasting innen en ook op grote
afstand een volk zijn wetten voorschrijven
* alfabetisch schrift (spijkerschrift
als diplomatiek medium; wetgeving): in de tijd van Hammurabi
(1800) worden koninklijke brieven door speciale boodschappers
naar plaatselijke ambtenaren gebracht, waardoor de koning
controle kan uitoefenen over afgelegen provincies, althans min
of meer; ook zijn beroemde codex wordt gebruikt om publieke
zaken te regelen; het enigszins simpele spijkerschrift dat
Hammurabi gebruikt wordt later het diplomatieke medium waarlangs
machthebbers met elkaar communiceren
* mobiele godsdiensten (op basis van
heilige geschriften): de verspreiding van het schrift bevordert
de geletterdheid, en door de verspreiding van de geletterdheid
krijgen ook steeds meer leken toegang tot heilige geschriften;
deze geschriften vormen weer de basis voor ‘mobiele
godsdiensten’, die zich vanwege de mobiliteit van het geschrift
(i.t.t. de gebondenheid van een heilige boom) eenvoudig kunnen
verspreiden; voorbeelden zijn het judaïsme en zoroastrisme:
beide zijn universele godsdiensten die een rechtvaardige maar
strenge God vereren wiens wetten de gehele aarde betreffen
INDUS EN GANGES
- Indus (3000)
* langs de Indus en zijn zijrivieren in
Pakistan; gebaseerd op tarwe- en gerstbouw
* vermoedelijk het eerste rioolstelsel ter
wereld: scheiding van drink- en afvalwater
* de Indus-beschaving is pas in de jaren 1920
ontdekt en enkel bekend van de talloze archeologische
opgravingen, en van mogelijke Soemerische verwijzingen naar een
zogenaamd Meluhha, dat ermee lijkt overeen te komen
- Ganges (1500)
* Mohenjo Daro, Harappa en andere steden
langs de Indus zijn rond 1500 leeggelopen; rond diezelfde tijd
verspreiden Arische krijgers zich met hun strijdwagens over de
steppe, dringen Iran binnen en bereiken mogelijk het noorden van
India; het is echter onbekend wat er precies is gebeurd: van
eventuele gevechten ontbreekt elk spoor
* Arische krijgers brengen uit het noorden
niet alleen een nieuwe taal mee, maar ook nieuwe religieuze
ideeën en praktijken, terwijl de geletterdheid en de
specialistische ambachtelijke vaardigheden van de
Indus-beschaving verdwijnen
* confrontatie van Ariërs met inheemse
bevolking leidt tot het ontstaan van een kastenstelsel, dan wel
tot een aanpassing van dit stelsel ten gunste van de Ariërs; op
den duur wordt dit stelsel noodzakelijk en rechtvaardig geacht,
omdat ieders plaats daarin bepaald wordt door zijn of haar
karma, ofwel de mate waarin de gereïncarneerde ziel er in
zijn vorige lichaam in is geslaagd zich te voegen naar de rol
die bij zijn kaste hoort; het contact met andere kasten is
beperkt vanwege het geloof in de mogelijkheid van ‘rituele
besmetting’; omdat er bovendien uitsluitend huwelijken tussen
leden van dezelfde kaste worden gesloten, houdt het stelsel
zichzelf in stand; nieuwkomers vormen automatisch een eigen
kaste, eenvoudigweg omdat de anderen hen als zodanig behandelen
* vanaf 700 ontstaan er weer steden en
staten, dit keer vooral in het nattere dal van de Ganges en
vooral gebaseerd op rijstbouw; de verstedelijking versterkt de
sociale stratificatie en daarmee het kastenstelsel
* naast het kastenstelsel vormt ook de
ascetische levenswijze een belangrijk kenmerk van de nieuwe
Indiase beschaving; extatische ervaringen verschaffen toegang
tot het bovenaardse rijk der geesten, dat het aardse rijk in een
triviaal en ijdel daglicht stelt; volgelingen Gautama Boedda
(gest. 486) institutionaliseren deze levenswijze in de vorm van
kloostergemeenschappen die zich over Zuid- en Oost-Azië
verspreiden
* de strikte toepassing van het geloof door
degenen die zelf kozen voor een zeer vroom bestaan, heeft, in
combinatie met minder strenge regels voor de gewone gelovigen,
tot gevolg dat het boeddhisme in het millennium erna uitgroeit
tot de godsdienst met het grootste aantal volgelingen; kort na
200 beginnen de christelijke monniken de boeddhistische methode
over te nemen, en als de islam vanaf 1000 het boeddhisme van
zijn eerste plaats verdringt, wordt ook het succes van de islam
bepaald door een soortgelijke rolverdeling: enerzijds zijn er de
zeer vromen, de zogeheten derwisjen, anderzijds de talrijke
lekenaanhangers, die minder vroom hoeven te zijn
CHINA
- Begin:
* opkomst van grote ommuurde dorpen (mogelijk
in de buurt van luxe graftombes) op de hoger gelegen
lössterrassen langs de middenloop van de Gele Rivier (Huang He)
* autoriteit van lokale leiders rust
waarschijnlijk in eerste instantie op een monopolie: zij zijn de
enigen die d.m.v. rituelen toegang kunnen krijgen tot de
machtige geesten van de voorouders; deze geesten zijn cruciaal,
want zij kunnen op hun beurt andere geesten gunstig stemmen
(bijv. geesten die de oogst beïnvloeden)
* cultus van voorouderlijke geesten opgebouwd
rond offers van alcoholhoudende dranken die in fraaie bronzen
vaten worden opgediend (vroeg-Chinese kunst)
* net als in Mesopotamië leidt de combinatie
van bevolkingsgroei en toenemende welvaart tot toenemende
oorlogsinspanningen; de bescherming van de geesten moet worden
verstevigd met militaire steun, en de elitefamilies, die gewend
zijn de relatie met de geesten te beheren, organiserenen zowel
het werkvolk dat de muren om het dorp moet bouwen als de
verdediging van het dorp; geestelijk leiderschap is hierdoor in
dezelfde handen als politiek-militair leiderschap; een
polarisatie als in Mesopotamië, waarin priesters tegenover
wereldlijke heersers staan, is in China onmogelijk
* grote ommuurde dorpen verliezen autonomie;
lokale leiders vormen steeds andere coalities door steeds een
andere familie als superieur te erkennen; volgens latere Chinese
literatuur verwerft de Xia-familie op die manier als
eerste een puur politieke macht over de ommuurde dorpen
(overlevering: 2205-1766); de Sjang-dynastie
(overlevering: 1523-1028) legt een steviger politieke
machtsbasis door een kostbare wapenrusting in te voeren met
onder meer samengestelde bogen, bronzen pantsers, paarden en
strijdwagens; deze vernieuwing was afgekeken van Zuidwest-Azië,
waaruit enige betrokkenheid van China bij Mesopotamië blijkt
* in China steunen de dorpselites met
religieus-militair gezag het regime, i.t.t. Zuidwest-Azië, waar
bureaucratisch bestuurders met militaire achtergrond de macht
hebben; voorouders en bloedverwanten in China dus veel
belangrijker dan in Zuidwest-Azië; later, als China in oorlog
raakt met vreemde volken, moet ook China overgaan op
bureaucratisch bestuur, al worden bestuurders dan geworven onder
landeigenaars die onder andere geselecteerd worden op hun
geletterdheid
- Vervolg:
* onder de Zhou-dynastie (ca.
1122-256) wordt o.l.v. ondernemende landeigenaren en prinsen
gewerkt aan uitgebreid stelsel van dijken en
ontwateringskanalen, nodig om het verdronken land van de Gele
Rivier te ontginnen; dit enorme waterbouwkundige project leidt
geregeld tot conflicten tussen territoriale prinsen, die
eigenlijk alleen in naam heersen over het gewonnen land
- in deze tijd van politieke wanorde zoekt
Confucius (Chinees: Kong Fuzi, of Meester Kong; 551-479;
eigenlijke naam: Kong Qia) naar de basis van een goed geordende
samenleving; hij komt niet zozeer uit bij normen en waarden,
maar vooral bij rituelen en gedegen onderwijs; zijn lessen
worden door zijn volgelingen snel gecodificeerd, waarbij de
gerespecteerde oude geschriften gecombineerd worden met een
verzameling spreuken die aan Confucius zelf wordt toegeschreven
* in 221 vC vestigt een prins de
Qin-dynastie door alle ruziënde staten van China te
veroveren; zijn meedogenloze heerschappij roept echter zoveel
verzet op, dat de nieuwe dynastie geen lang leven is beschoren;
kort na zijn dood barst de strijd weer los
- tijdens deze dynastie wordt voor het eerste
melding gemaakt van een kompas, gebruikt binnen de waarzeggerij
* Han-dynastie (ca. 202vC - 221nC)
brengt China in tamelijk rustig politiek en sociaal vaarwater;
het rijk wordt uitgebreid tot in Korea, Vietnam en
Centraal-Azië; de leer van Confucius wordt staatsideologie en
een effectief middel om de Chinese landeigenaren als één man
achter de keizer te verenigen; ook de kanaalboten blijken een
doeltreffend middel om de verschillende elementen van de
rijkseconomie te verbinden
- Cai Lan, een ambtenaar, maakt voor
het eerst papier
- vanaf keizer Wudi (140-87vC) is er vrijwel
voortdurend sprake van karavaanhandel tussen China en West-Azië;
een constante golf van ideeën, technieken, ziekten, gewassen en
andere noviteiten trekt over de graslanden en woestijnen van
Midden-Azië en over de wateren langs de Zuid-Aziatische kusten;
hierdoor wordt het Oude-Wereldweb geconsolideerd en een nieuw
tijdperk in de wereldgeschiedenis ingeluid
VERBINDINGEN TUSSEN OUDE BESCHAVINGEN
- Zuidwest-Aziatische beschaving is
aanvankelijk gescheiden van de Chinese beschaving
* Mesopotamië, Egypte en de Indus-beschaving
hebben contact met elkaar via kustvaart en ezelkaravanen, en
vormen samen het eerste grote metropolitaanse web
* Chinese beschaving blijft hiervan
gescheiden, al neemt China wel vaardigheden en technieken uit
het Westen over (tarwe, gerst, bronsbewerking, zevendaagse week
en na 1500vC strijdwagens en paarden); naburige volken nemen
deze noviteiten over, zodat het tweede grote metropolitaanse web
ontstaat, met China als middelpunt
- Beschavingen bloeien op dankzij
uitgebreidere en steviger netwerken
* interstedelijke verbindingen ontwikkelen
zich tot snelwegen waarover steeds meer nuttige informatie wordt
getransporteerd, ook over lange afstanden.
* nog belangrijker zijn de verbindingen
tussen de lokale elite en de stad: plaatselijke heersers laten
hun onderdanen grondstoffen produceren waaraan in de stad
behoefte bestaat, in ruil voor luxegoederen uit de stad:
symbolen van macht en invloed.
- iedere beschaving verwerft een achterland
waar landeigenaren en andere bevoorrechte personen aspecten van
het stadsleven nabootsen; deze elite vormt zijn eigen regionale
netwerken, die de oude, plaatselijke dorpswebben overdekken;
- zo kan de stad putten uit verschillende
bronnen, dichtbij en ver weg, de vruchten plukken van de veelal
onvrijwillige arbeid van miljoenen mensen, en verwerven vroege
beschavingen hun rijkdom en de macht
- Herderlijke en stedelijke militaire macht
beheerst Euraziatische/Afrikaanse geschiedenis
* in dezelfde eeuwen dat de Soemerische
steden opbloeien, leren herders de weilanden van
Zuid-Mesopotamië te benutten, waarbij zij hun schapen en gaten
per seizoen van noord naar zuid en van hoogland naar laagland
verplaatsen; zo ontstaan drie bestaansvormen: herderlijk,
agrarisch en stedelijk, via handelaren en rovers met elkaar
verbonden
* botsingen tussen 3 bestaansvormen beheerst
Euraziatische/Afrikaanse geschiedenis:
- machtswisselingen door zowel opstandige
stadskrijgers als veroverende herders; nieuwe heersers snel zelf
afhankelijk van (moraal en discipline van) militaire
specialisten en belastinginners, en dus snel in dezelfde
politieke positie als voorgangers
- herders en stedelingen militair in het
voordeel t.o.v. de boeren; leidt vanaf 2500 tot
‘beschermingsmarkt’: boeren betalen pacht en belasting in ruil
voor bescherming
* lokale machthebbers (herders en
dorpshoofden) merken dat zij via rondtrekkende handelaren aan
goederen kunnen komen waaraan in de stad behoefte is, zodat zij
deze weer kunnen ruilen tegen statussymbolen uit de stad
- zo worden de handelskaravanen (later
eindigend in de steden van Ionië (West-Turkije), bakermat van de
latere Griekse beschaving) getolereerd en zelfs beschermd en
betekent hun bloei een verdichting en uitbreiding van het
metropolitaanse web
MIDDELLANDSE ZEE
- Minoïsche en Myceense beschaving
(3000-1200)
* de Minoïsche beschaving (3000-1500)
met haar paleistempels in de plaatsen Knossos en Phaistos op
Kreta, is nauw verwant aan het Egypte van de farao’s; zij is
vreedzaam en commercieel, een voorbeeld van hoe een beschaving
er uit kan zien wanneer zij geen dreiging ondervindt van andere
volken en dus nauwelijks bezig is met verdediging en
oorlogsvoering; ook economische malaise a.g.v. oorlogen blijft
uit; gevolg: welvaart onder de gehele bevolking (mogelijk als
enigen in de Oudheid hadden de Minoërs een sanitaire voorziening
in huis), hoogstaande architectuur en kunstzinnigheid zonder
oorlogsthema’s, een hoge technologische ontwikkeling en veel
sport; opvallend is ook de sociale gelijkheid tussen bestuur en
volk en tussen mannen en vrouwen (op het koningschap na); de
belangrijkste erfenis van de Minoërs is wellicht het genieten
van de kunst om de kunst (l’ art pour l’art); dit
laatste wordt vanaf 600 door de Grieken overgenomen en ook op de
kennis toegepast: ‘het weten om het weten’ (uit verwondering)
* de Myceners (1500-1200) van het Griekse
vasteland (beroemd geworden vanwege de oorlog tussen Mycene en
Troje) zijn het tegendeel van de Minoërs: ruw en
oorlogszuchtig; dankzij de Minoïsche handel komen de Myceense
stammen tot ontwikkeling en verstedelijking, met als
uiteindelijk resultaat dat zij sterk en zeewaardig genoeg zijn
geworden om de Minoërs te beroven en te verslaan; voorafgaande
aan deze verovering zijn de Minoërs echter al enorm verzwakt
geraakt door een aardbeving die zowel een tsunami als een
vulkaanuitbarsting op het eiland Thera veroorzaakt
- Donkere Eeuwen (1200-800)
* rond 1200 daalt het aantal Griekse
stadsbewoners zeer snel, totdat de steden in 1100 volledig
verlaten zijn; het Myceense schrift, “Lineair B” genaamd, gaat
verloren, tezamen met het Minoïsche “Lineair A”; maar juist in
de “Donkere Eeuwen” die volgen, ontstaan de mythologische werken
van Homerus en Hesiodus (mondeling overgeleverd)
- Griekse polis-beschaving (800-300)
* in 800 komt de handel en
verstedelijking in een stroomversnelling; marktplaatsen in
dorpen en gemeenschappen groeien uit tot versterkte
handelsplaatsen die uiteindelijk ook politieke eenheden worden:
stadstaten, autonome staten die zeggenschap hebben over het
gebied rondom de stad; Sparta en Athene zijn de twee machtigste
steden; er is in deze periode geen militair, politiek of
cultureel centrum in Griekenland; verschillende stadstaten
ontwikkelen verschillende culturen: in de steden in Ionië (aan
de westkust van het huidige Turkije) ontstaat de filosofie,
Corinthe en Argos worden literaire centra; de polis-cultuur zélf
is echter wel degelijk een nationale cultuur
- de polis bestaat uit een verzameling
burgers (volwassen mannelijke autochtonen) die magistraten
kiezen om de stad te leiden; ze zijn maar kort aan de macht,
meestal een jaar, om vriendjespolitiek te voorkomen; het is de
taak van bestuurders publieke acties te initiëren die voor alle
burgers aanvaardbaar zijn, aangenomen wetten uit te voeren en
een doeltreffende stadsverdediging in stand te houden
- individuele krijgshelden moesten
plaatsmaken voor een collectief leger wanneer vanaf ca. 650 vC
de falanx zijn intrede doet; overwinningen boeken is nu een zaak
van discipline, waarbij het van groot belang is dat iedere
burger dapper zijn juiste plek in de falanx behoudt, terwijl hij
met zijn speer de vijand te lijf gaat en met zijn schild zijn
buurman beschermt; het vechten in een falanx, maar ook het samen
roeien in een galjoen, heeft tot gevolg dat alleen de polis in
zijn geheel kan winnen of verliezen; dit maakt dat, met name in
Sparta en Athene, alles in het teken staat van loyaliteit; in
Athene bevordert dit de democratie, in Sparta de militarisering
van de cultuur; de falanx blijft in de oudheid de voornaamste
voorbereiding op het burgerschap
- als reactie op plaatselijke tekorten
aan grond stichten de Grieken vanaf ca. 750vC honderden nieuwe,
onafhankelijke Griekse steden op nauwkeurig bepaalde plekken in
Zuid-Italië, Sicilië en in andere kustgebieden rond de
Middellandse en Zwarte Zee; invoering van de munt, voor het
eerst door koning Croesus van Lydië, in het westen van het
huidige Turkije, stimuleert de handel
- wanneer een polis streeft naar collectieve
roem en glorie, wordt dit door al snel opgevat een aanval op de
autonomie van een andere polis; de opbouw van een groot rijk,
m.n. door Athene en later Sparta, is daarom gedoemd te mislukken
doordat de andere stadstaten al snel coalities vormen om
dergelijke ambities in toom te houden
* in 490 vC wordt de kracht van de polis op
de proef gesteld als het Perzische leger, gesteund en bevoorraad
door schepen en bemanningsleden uit Fenicië en Klein-Azië,
Griekenland binnenvalt; tegen alle verwachtingen in weet een
weinig solide coalitie van ongeveer twintig Griekse steden de
Perzen bij Salamis te verslaan en een jaar later ook op het
vasteland, bij Plataea (480-479); dit verrassende succes werd
door Athene uitbundig gevierd, wat een blijvende erfenis
oplevert in de vorm van politieke daden, beeldende kunst, en
vooral grootse literatuur die later een klassieke status krijgt
- Grieks-macedonische rijk en
hellenisering (338-168)
* het streven van de Thebe om de regio te
domineren wordt de kop ingedrukt door eerst de Macedonische
koning Philippus (338) en later zijn zoon Alexander (die regeert
van 336-326 vC); het verlies van politieke autonomie heeft
echter geen desastreuze gevolgen voor de Griekse beschaving;
sterker nog, als Alexander tussen 334 en 331 het Perzische Rijk
verovert, komen de oude beschavingscentra in Zuidwest-Azië en
Egypte plotseling onder Griekse invloed te staan
(hellenisering): de Macedonische generaals (diadochen), die
Alexanders rijk na zijn dood in 326 onderling verdelen, roepen
de hulp in van duizenden Grieken om hun koninkrijken te
besturen, wat leidt tot een verspreiding van Griekse wijn,
theater, sport, filosofie, architectuur, wetenschap,
stadsmarkten en munteconomie
- Romeinse Republiek en Keizerrijk
(509vC – 395nC)
* volgens de legende stichten Romulus en
Remus in 753vC de stad Rome; in 509vC eindigt de koningstijd en
wordt de stad een republiek, nadat koning Tarquinius Superbus de
stad is uitgejaagd vanwege zijn tirannieke gedrag; een krachtig
leger (gebaseerd op de falanx en het galjoen), een
goedgeorganiseerd systeem van instellingen en wetten, slimme
bondgenootschappen en culturele tolerantie leidt tot de
eeuwenlange, betrekkelijk rustige overheersing (de “Pax
Romana”) van allereerst Italië, dan het Middellandse Zeegebied
(met name Carthago in 241vC), dan West-Europa (tot aan
Schotland) en Mesopotamië (tot Iran); bestuurders en
intellectuele leiders spreken zowel Latijn (gesproken in het
westen) als Grieks (gesproken in het oosten) als lingua
franca
- de Romeinse Republiek is een verbeterde
versie van de Griekse polis, hoewel ook in de Republiek, net als
in Athene, aanhoudend spanningen bestaan tussen de aristocratie
(patriciërs; grootgrondbezitters) en de burgers (plebejers);
terwijl in de hyperdemocratie van Athene echter de burgers
heersen, regeren in de Romeinse Republiek vooral de patriciërs
(vergaderd in de Senaat); pas in 336vC wordt de eerste plebejer
tot consul gekozen
- de Romeinse oorlogsvoering is een
verbeterde versie van de falanx en het galjoen; na moeilijke
gevechten in de Zuid-Italiaanse heuvels splitsen de Romeinen
rond 370 vC hun legers op in kleinere eenheden, zogeheten
manipels, die ook op lastig terrein een gesloten formatie kunnen
houden; daarnaast worden de zware speren van de Griekse en
Macedonische falanxen vervangen door lichte werpspiesen en
zwaarden
* in 44vC benoemt Julius Caesar
zichzelf tot ‘dictator voor het leven’, maar al een maand later
wordt hij vermoord; er volgt een burgeroorlog die in 27vC
eindigt als Octavianus, de achterneef en adoptiezoon van Ceasar,
de belangrijkste tegenspelers (met name Marcus Antonius) heeft
uitgeschakeld en de princips van Rome wordt: van de
Senaat ontvangt hij zowel de eretitel ‘Augustus’ (de verhevene)
als een aantal keizerlijke bevoegdheden; vanaf dan zal het
keizerrijk steeds meer als een monarchie functioneren, hoewel de
keizer in theorie nog steeds een ambtenaar in de oude Res
Publica (letterlijk: “zaak van de staat”, staatszaken) is
- Om het Rijk bestuurbaar te houden, wordt
het rond 300nC opgedeeld in een Griekstalig oostelijk deel en
een Latijnstalig westerlijk deel; het moet nog steeds om één
Rijk gaan, maar in 395 valt het definitief uitéén: Byzantium (of
Constantinopel, het huidige Istanbul) wordt de hoofdstad van het
Oost-Romeinse Rijk en blijft tot 1453 als zodanig voortbestaan;
het westerlijk rijk gaat in 476 ten onder als de Germaanse
bevelhebber Odoaker de hoofdstad van die tijd (Ravenna) inneemt
en de laatste keizer afzet
* net als de Han-dynastie kent ook Romeinse
Rijk ongeveer 60 miljoen onderdanen en wordt ook het Romeinse
Rijk in de periode 165-180nC getroffen door epidemieën; de
opkomst van de steden versterkt de verspreiding van bacteriën
die het spijsverteringskanaal belagen; met name virale
veeziekten kunnen zich gemakkelijk verspreiden onder de dichte,
nauw met elkaar in contact staande bevolkingsgroepen; ziekten
als pokken, mazelen of de bof vormen echter een eenmalig gevaar:
het slachtoffer sterft of verwerft een levenslange immuniteit
AMERIKA
- Noord-Amerika (Mississippi en
Louisiana)
* in het dal van de Mississippi en
nabijgelegen rivieren, verrijzen in geschikte stroomgebieden
betrekkelijk bescheiden ceremoniële centra; de eerste bevinden
zich in Louisiana en dateren van ca. 1000 vC; tussen 500vC en
500nC verrijzen verder naar het noorden, op de oevers van
Louisiana, talrijke kolossale Hopewell-nederzettingen met tal
van aarden heuvels; de nederzettingen moeten betrekkelijk
dichtbevolkt zijn geweest (anders hadden de heuvels niet
aangelegd kunnen worden) ; het gebruik van maïs wijst op een
connectie met Mexico, en de gevonden pijpen, die men
vermoedelijk gebruikt voor het roken van tabak, wijzen op banden
met Midden-Amerika
- Midden-Amerika (Mexico en
Guatamala):
* Olmeken (1500-100) – leggen grote
piramideachtige bouwwerken aan langs de Caribische kust van
Mexico; de elite die de arbeidskrachten mobiliseert om deze
bouwwerken te realiseren, neemt deel aan een zeer uitgebreid
ruilnetwerk dat hun kostbare goederen als obsidiaan, jade en
cacaobonen oplevert; de monumentale stenen sculpturen en
religieus-politieke rituelen maken zoveel indruk op andere
volkeren, dat achtereenvolgens de Maya´s en de beschavingen in
het Mexicaanse binnenland een verscheidenheid aan thema´s en
praktijken van de Olmeken overnamen
* Maya´s (600vC-840nC) – zie volgende
deel
- Zuid-Amerika
* ceremoniële centra langs de Peruaanse
kust (2500vC)
* Chavin-beschaving (900vC) op een plek waar een pas over de
Andes contacten
mogelijk maakt met de volken van de hoogvlakte (levend van
aardappels en
quinoa) en de hoger gelegen delen van 't Amazone-bekken
(jagers-verzamelaars)
© 2007 Evert
Jan Ouweneel
|