10.000-1000 vC 3500 vC -200 nC 200-1000 nC 1000-1500 nC 1450-1800 nC

Samenvatting grotendeels ontleend aan J.R. McNeill & W.H. McNeill, Het menselijk web: de wereldgeschiedenis in vogelvlucht (hfst. 3)

Periode: 3500 v.C. - 200 n.C.

Het menselijk web<br>MacNeill, J.R.

Evert Jan Ouweneel

MESOPOTAMIË EN EGYPTE

- Mesopotamië (waarschijnlijk oudste beschaving; vanaf 3500)

* opgebouwd rond 10 Soemerische steden bij de mondingen van Eufraat en Tigris (kustlijn in die tijd veel noordelijker; ook de loop van de Eufraat in die tijd anders)

* eerste beschaving in Mesopotamië omdat daar de netwerken van transport en communicatie samenkomen (kruispunt van kustvaart en karavaanroutes)

* mysterieuze vreemdelingen van overzee introduceren irrigatiekennis en bouwen in een gebied waar tot dan toe alleen jagers en verzamelaars verkeerden, kanalen en dijken om water op het juiste moment en in de juiste mate op het land te brengen

* aanleg van irrigatiestelsels is arbeidsintensief; waarschijnlijk maken de vreem­de­lingen gebruik van bewoners in nabijgelegen dorpen en worden zij zelf de bevoor­rechte burgers en priesterlijke leiders van de eerste nederzettingen en later steden

* rond 3000 ontstaan steden door bouw van kolossale leemstenen beschermmuren

* soemerische steden hebben 3 duidelijke kenmerken: 1) bevoorrechte stads­burgers bebouwen land rond stad en vormen grote huishoudens die bestaan uit familieleden, ondergeschikte landarbeiders en slaven; 2) buiten de muren, aan de riveroever, leeft een havengemeenschap van kooplieden, karavaanreizigers en zeelieden die hout, metalen en kostbare materialen importeren in ruil voor bijv. wollen weefsels en dadelwijn); 3) één goddelijk tempelhuishouden van priesters houdt zich in rituelen en tempeldienst bezig met de wil en wensen van de goden, waarbij tempel (Ziggurat) en rituelen toenemen in pracht en omvang en dus handel en ambacht bevorderen

* v.a. 2300 krijgers (fysieke protectie) machtiger dan priesters (geestelijke protectie)

* Soemeriërs invloedrijk door uitvindingen als spijkerschrift, leidervergoddelijking, bureaucratie en ambtenarenapparaat, kalender, wiskunde en wetgeving (bijv. Code van Hammurabi; voorkomt willekeur door rechters en kettingreacties van wraak)

- Egypte (3100):

* rond 3100 verenigt de eerste farao (Menes) Boven- en Beneden-Egypte

* beschaving opgebouwd langs de Nijl: goedkope betrouwbare transportweg (rustige stroming duwt boot naar het noorden; passaat­wind blaast boot naar het zuiden)

* door controle over de scheepvaart op de Nijl kan de farao overal belasting innen en bijv. het enorme arbeidsleger bekostigen dat zijn persoonlijke pirmade bouwt

* eerste trappiramides gebaseerd op Soemerische Ziggurat, maar Egyptenaren gebruiken steen i.p.v. leem en ontwikkelen al snel een eigen techniek en stijl

* hiëroglyfenschrift wellicht een bewuste nabootsing van Soemerische spijkerschrift

* jaarlijkse overstromingen maakt kanalen overbodig, alleen aanleg van waterbekkens en overbrenging van overtollig water naar de grond achter de dijken; als vruchtbare slib is bezonken en de gewassen geplant kunnen worden, wordt het water afgevloeid; op deze manier kan zich geen grote hoeveelheden zout ophopen, wat wel gebeurde in Mesopotamië, omdat daar het irrigatiewater verdampte, met verwoesting tot gevolg

* uitgestrekte woestijnen maakt grensverdediging eenvoudiger dan in Mesopotamië; vrijwel de hele oudheid bleven de Egyptenaren gewoon thuis; geen dure legermacht

* Nijl-delta open deur voor zeevaarders, zodat Egyptische technieken  en ideeën zich verspreiden over de Middelandse-Zeelanden (bijv. Minoïsche beschaving op Kreta)

- Rijken in Mesopotamië (2300-300)

* Akkadiërs (2300-2100): Semitisch volk uit Arabisch schiereiland verovert o.l.v. Sargon I Soemerië en verdere loop van Eufraat en Tigris; nemen groot deel van Soemerische cultuur over (incl. religie, schrift, bureaucratie, literatuur, wet); hoofdstad is Akkad/Agade

* Guti (2100-1900): Semitisch volk uit Zagros gebergte (nu Iran) verovert Soemerische steden en stelt daarover gouverneurs (patesi’s) aan (nadat de Soemerische steden o.l.v. de stad Ur met succes zijn opgestaan tegen de Akkadiërs)

* Amorieten of oud-Babyloniërs (1900-1600): rijk gekenmerkt door centralisatie: macht en autonomie wordt aan de steden onttrokken en aan één monarch toebedeeld; als gevolg hiervan ontstaat er een nieuw soort wet: wetten die gaan over misdaden tegen de staat; autoritair en hard opgetreden tegen een groot aantal misdaden, waaronder “slecht gedrag in een bar”; het Epos van Gilgamesj (met zondvloedverhaal) is de grote literaire erfenis van de Amorieten; hun bekendste koning is Hammurabi (en zijn Wet of Codex)

* Hittieten en Kassieten (1600-1200): eerste Indo-Europese rijken; de Hittieten in Noord-Mesopotamië, de Kassieten in Zuid-Mesopotamië; hoofdstad van de Hittieten is Hattusjasj in noordoost Anatolië; Hittieten drijven handel met alle naburige volken en vormen zo een belangrijk doorgeefluik van de Mesopo­ta­mische cultuur; maken het paard tot handelsobject; hun wetten blinken uit in mildheid (mogelijk vanwege geringe dreiging): zelfs opzettelijke moord wordt bestraft met een boete; tevens geen privébezit: alles is van de koning; Hittitische godsdienst neemt makkelijk vreemde goden op in de verzameling; de Kassieten komen uit het Zagros gebergte en domineren vanuit Babylon het centrum van Mesopotamië zowel militair als commercieel

* Assyriërs (1200-600): Semitisch volk aan de bovenloop van de Tigris; hoofdstad is Assur; al in 1800 vestigt koning Nimrod het Oud-Assyrische rijk, maar deze wordt overwonnen door de Kassieten; rond 1200 ontworstelen de Assyriërs zich aan de Kassieten (Midden-Assyrische rijk); rond 900 ontstaat het Nieuw-Assyrische rijk: koning Assurnasirpal II en Salmanassar III veroveren Georgië, Koerdistan, Syrië, Libanon, het tien-stammenrijk van Israël, Armenië en Zuid-Mesopotamië met Babylon als hoofdprijs; om nationalistische opstanden te voorkomen verspreiden de Assyriers de leiders van vreemde volken over het hele rijk (begin van de joodse diaspora) en laten zij Assyriërs verhuizen naar de overwonnen gebieden (waaronder de Samaritanen in Israël, die vanwege hun grote godenverzameling op gespannen voet leven met de joden); de nieuwe hoofdstad wordt Nineveh, waar Assurbanipal (7e eeuw) een bibliotheek sticht; de Assyriërs zijn wreed en danken hun rijk aan eindeloze oorlogen; de meest gebruikelijke straf voor misdadigers is het spietsen op palen; wie zeer ernstige misdrijven heeft begaan wordt levend gevild; tegelijk komt de wetenschap tot bloei: Assyriërs ontwikkelen de 360 graden-driehoek voor betere navigatie, en een betere geneeskunde

* Chaldeeën of nieuw-Babyloniërs (600-500): generaal Nabopolassar overwint het Assyrische rijk in 626 en wordt de eerste koning van het Nieuw-Babylonische rijk; zijn zoon Nebukadnezar II verfraait Babylon met de beroemde Ishtarpoort en maakt het twee-stammenrijk Juda tot een vazalstaat; als Juda blijkt samen te heulen met Egypte, verovert Nebukadnezar Juda en benoemt Zedekia tot koning; 10.000 joden (vooral upper class) worden gedeporteerd naar Babylon; als ook Zedekia in opstand komt, besluit Nebukadnezar Jeruzalem en de beroemde tempel van Salomo in 586 te verwoesten; de Chaldeeën moeten voortdurend strijden tegen hun aartsrivalen, de Assyriërs; in 555 komt Nabonidus aan de macht (met na 5 jaar zijn zoon Belsassar als co-heerser) en treft de Babylonische cultuur in het hart: hij plaatst de Assyrische maangodin Sin bovenop de tempel van de Babylonische hoofdgod Marduk; boos en bitter verwelkomen de stads­bewoners en priesters daarom de Perzische, Indo-Europese koning Cyrus (538)

* Perzen (500-300): vanaf 559 begint de veroveringstocht van Cyrus: na allereerst de Perzen te hebben verenigd breidt hij zijn rijk uit naar het westen; een immens rijk, veroverd vanuit een religieus-eschatologische drijfveer: Cyrus wil, in navolging van de prediking van Zarathoestra (Grieks: Zoroaster), zijn bijdrage leveren aan de strijd tussen goed en kwaad (waarin naar zijn geloof de goede god Ahura-Mazda eens de kwade god Ahriman zal overwinnen) door de wereld te veroveren en overal het zoroastrisme te prediken; daarbij meent hij, in overeen­stemming met de leer, dat iedere god een reële god is die óf Ahura-Mazda óf Ahriman dient; het is daarom ook zijn roeping de kwade goden te ontmaskeren en ontmantelen; echter niet door dwang, maar door mensen van de waarheid en het goede te overtuigen en door volkeren te helpen die onder een goede god dienen; zo krijgt hij in een droom de opdracht van JHWH, de goede God van Israël, dat de joden moeten terugkeren naar Jeruzalem om daar de tempel weer op te bouwen en de eredienst te herstellen - en zo gebeurt het; Cyrus verovert Zuidwest-Azië, zijn zoon Cambyses verovert Egypte, en diens zoon Darius I breidt het rijk uit tot zijn uiterste grenzen (Macedonië); de grote innovatie van Darius was het instellen van min of meer onafhankelijke provincies; het is ook deze Darius 1 (522-486) die door de Grieken wordt verslagen in de slag bij Marathon (490); later verslaan de Grieken zijn zoon Xerxes I in de slag bij Salamis (480) – een cruciale nederlaag v.w.b. de loop van de geschiedenis

- Drie militaire ontwikkelingen achter deze machtsverschuivingen:

* de strijdwagen (1700) raakt vooral verspreid wanneer in Noord-Mesopotamië een sterk verbeterde versie het licht ziet: een lichte, door stevige paarden voortgetrokken wagen met plaats voor een boogschutter en menner; het geluid van galopperende paarden heeft een afschrikwekkend effect; de strijdwagen verovert achtereenvolgens Mesopo­ta­mië en Egypte en dringt rond 1500 India binnen en dan verre landen als China en Zweden  

* de infanteristen (1200) krijgen het voor het zeggen vanaf de ijzertijd (die begint op Oost-Anatolië of Cyprus; met relatief goedkope ijzeren pantsers en wapens wordt de strijd­wagen­­elite verdrongen; deze democratisering van de oorlogvoering leidt tot de snelle opkomst van meer egalitaire lokale staten (o.a. het Israël van David en Salomo) die enige tijd de plaats van de grote rijken innemen; de ijzerbewerking dringt na 600 zelfs door tot beneden de Sahara en maakt dat voor het eerst een plattelandsmeer­der­heid belang heeft bij de stedelijke ruilhandel: gespecialiseerde mijnwerkers, erts­smelters en hande­laren zijn daar druk doende de ijzersmederijen van ijzer te voorzien, die van dit ijzer weer ploegscharen, schoffels en sikkels maken (harder, duurzamer en goedkoper dan brons)

* boogschutters te paard (700) verstoren opnieuw het evenwicht; op de steppen zijn er paarden in overvloed, dus zodra herders leren hoe ze tegelijk kunnen paardrijden en boogschieten (wat niet eenvoudig is), stellen snelheid en uithoudingsvermogen hen in staat op elke willekeurige plek een superieure strijdmacht in te zetten; bij gebrek aan grasland en (duur) graan, kunnen de steden nauwelijks een cavalerie hiertegenover plaatsen, zodat het strategisch voordeel van de steppeplunderaars groot is, zelfs zo groot dat ze vanaf 612 vC, vanaf de deelname van de Scytische cavaleristen uit de Oekraïne aan de omverwerping van het Assyrische rijk, tot 1644 nC, wanneer de Mantsjoes in China een nieuwe dynastie stichtten, in Eurazië voor een onrustig politiek klimaat zorgen; In de tussenliggende 2200 jaar stammen de meeste beschaafde heersers in Eurazië af van de steppeplunderaars, direct of indirect; bovendien zorgt de mobiliteit van de herders voor een uitwisseling van microben, religieuze ideeën en technologieën; de herders verenigen de agrarische centra in het gebied tussen Middellandse Zee en Gele Zee; ze verstevigen de bestaande webben en smelten die samen tot het Oude-Wereldweb

- Drie vernieuwingen in de burgersamenleving ten tijde van deze rijken (2300-300):

* bureaucratie (delegatie van gezag): een ambtenaar krijgt koninklijk gezag verleend door de vorst, zodat iedereen in zijn omgeving hem moet gehoorzamen; zolang zijn gezag wordt aanvaard en hij trouw blijft aan de koning, kan de koning via deze ambtenaar belasting innen en ook op grote afstand een volk zijn wetten voorschrijven

* alfabetisch schrift (spijkerschrift als diplomatiek medium; wetgeving): in de tijd van Hammurabi (1800) worden koninklijke brieven door speciale boodschappers naar plaatselijke ambtenaren gebracht, waardoor de koning controle kan uitoefenen over afgelegen provincies, althans min of meer; ook zijn beroemde codex wordt gebruikt om publieke zaken te regelen; het enigszins simpele spijkerschrift dat Hammurabi gebruikt wordt later het diplomatieke medium waarlangs machthebbers met elkaar communiceren

* mobiele godsdiensten (op basis van heilige geschriften): de verspreiding van het schrift bevordert de geletterdheid, en door de verspreiding van de geletterdheid krijgen ook steeds meer leken toegang tot heilige geschriften; deze geschriften vormen weer de basis voor ‘mobiele godsdiensten’, die zich vanwege de mobiliteit van het geschrift (i.t.t. de gebondenheid van een heilige boom) eenvoudig kunnen verspreiden; voorbeelden zijn het judaïsme en zoroastrisme: beide zijn universele godsdiensten die een rechtvaardige maar strenge God vereren wiens wetten de gehele aarde betreffen

 

INDUS EN GANGES

- Indus (3000)

* langs de Indus en zijn zijrivieren in Pakistan; gebaseerd op tarwe- en gerstbouw

* vermoedelijk het eerste rioolstelsel ter wereld: scheiding van drink- en afvalwater

* de Indus-beschaving is pas in de jaren 1920 ontdekt en enkel bekend van de talloze archeologische opgravingen, en van mogelijke Soemerische verwijzingen naar een zogenaamd Meluhha, dat ermee lijkt overeen te komen

- Ganges (1500)

* Mohenjo Daro, Harappa en andere steden langs de Indus zijn rond 1500 leeggelopen; rond diezelfde tijd verspreiden Arische krijgers zich met hun strijdwagens over de steppe, dringen Iran binnen en bereiken mogelijk het noorden van India; het is echter onbekend wat er precies is gebeurd: van eventuele gevechten ontbreekt elk spoor

* Arische krijgers brengen uit het noorden niet alleen een nieuwe taal mee, maar ook nieuwe religieuze ideeën en praktijken, terwijl de geletterdheid en de specialistische ambachtelijke vaardigheden van de Indus-beschaving verdwijnen

* confrontatie van Ariërs met inheemse bevolking leidt tot het ontstaan van een kastenstelsel, dan wel tot een aanpassing van dit stelsel ten gunste van de Ariërs; op den duur wordt dit stelsel noodzakelijk en rechtvaardig geacht, omdat ieders plaats daarin bepaald wordt door zijn of haar karma, ofwel de mate waarin de gereïncarneerde ziel er in zijn vorige lichaam in is geslaagd zich te voegen naar de rol die bij zijn kaste hoort; het contact met andere kasten is beperkt vanwege het geloof in de mogelijkheid van ‘rituele besmetting’; omdat er bovendien uitsluitend huwelijken tussen leden van dezelfde kaste worden gesloten, houdt het stelsel zichzelf in stand; nieuwkomers vormen automatisch een eigen kaste, eenvoudigweg omdat de anderen hen als zodanig behandelen

* vanaf 700 ontstaan er weer steden en staten, dit keer vooral in het nattere dal van de Ganges en vooral gebaseerd op rijstbouw; de verstedelijking versterkt de sociale stratificatie en daarmee het kastenstelsel

* naast het kastenstelsel vormt ook de ascetische levenswijze een belangrijk kenmerk van de nieuwe Indiase beschaving; extatische ervaringen verschaffen toegang tot het bovenaardse rijk der geesten, dat het aardse rijk in een triviaal en ijdel daglicht stelt; volgelingen Gautama Boedda (gest. 486) institutionaliseren deze levenswijze in de vorm van kloostergemeenschappen die zich over Zuid- en Oost-Azië verspreiden

* de strikte toepassing van het geloof door degenen die zelf kozen voor een zeer vroom bestaan, heeft, in combinatie met minder strenge regels voor de gewone gelovigen, tot gevolg dat het boeddhisme in het millennium erna uitgroeit tot de godsdienst met het grootste aantal volgelingen; kort na 200 beginnen de christelijke monniken de boeddhistische methode over te nemen, en als de islam vanaf 1000 het boeddhisme van zijn eerste plaats verdringt, wordt ook het succes van de islam bepaald door een soortgelijke rolverdeling: enerzijds zijn er de zeer vromen, de zogeheten derwisjen, anderzijds de talrijke lekenaanhangers, die minder vroom hoeven te zijn

 

CHINA

- Begin:

* opkomst van grote ommuurde dorpen (mogelijk in de buurt van luxe graftombes) op de hoger gelegen lössterrassen langs de middenloop van de Gele Rivier (Huang He)

* autoriteit van lokale leiders rust waarschijnlijk in eerste instantie op een monopolie: zij zijn de enigen die d.m.v. rituelen toegang kunnen krijgen tot de machtige geesten van de voorouders; deze geesten zijn cruciaal, want zij kunnen op hun beurt andere geesten gunstig stemmen (bijv. geesten die de oogst beïnvloeden)

* cultus van voorouderlijke geesten opgebouwd rond offers van alcoholhoudende dranken die in fraaie bronzen vaten worden opgediend (vroeg-Chinese kunst)

* net als in Mesopotamië leidt de combinatie van bevolkingsgroei en toenemende welvaart tot toenemende oorlogsinspanningen; de bescherming van de geesten moet worden verstevigd met militaire steun, en de elitefamilies, die gewend zijn de relatie met de geesten te beheren, organiserenen zowel het werkvolk dat de muren om het dorp moet bouwen als de verdediging van het dorp; geestelijk leiderschap is hierdoor in dezelfde handen als politiek-militair leiderschap; een polarisatie als in Mesopota­mië, waarin priesters tegenover wereldlijke heersers staan, is in China onmogelijk

* grote ommuurde dorpen verliezen autonomie; lokale leiders vormen steeds andere coalities door steeds een andere familie als superieur te erkennen; volgens latere Chinese literatuur verwerft de Xia-familie op die manier als eerste een puur politieke macht over de ommuurde dorpen (overlevering: 2205-1766); de Sjang-dynastie (overlevering: 1523-1028) legt een steviger politieke machtsbasis door een kostbare wapenrusting in te voeren met onder meer samengestelde bogen, bronzen pantsers, paarden en strijdwagens; deze vernieuwing was afgekeken van Zuidwest-Azië, waaruit enige betrokkenheid van China bij Mesopotamië blijkt

* in China steunen de dorpselites met religieus-militair gezag het regime, i.t.t. Zuidwest-Azië, waar bureaucratisch bestuurders met militaire achtergrond de macht hebben; voorouders en bloedverwanten in China dus veel belangrijker dan in Zuidwest-Azië; later, als China in oorlog raakt met vreemde volken, moet ook China overgaan op bureaucratisch bestuur, al worden bestuurders dan geworven onder landeigenaars die onder andere geselecteerd worden op hun geletterdheid

-  Vervolg:

* onder de Zhou-dynastie (ca. 1122-256) wordt o.l.v. ondernemende landeigenaren en prinsen gewerkt aan uitgebreid stelsel van dijken en ontwateringskanalen, nodig om het verdronken land van de Gele Rivier te ontginnen; dit enorme waterbouwkundige project leidt geregeld tot conflicten tussen territoriale prinsen, die eigenlijk alleen in naam heersen over het gewonnen land

- in deze tijd van politieke wanorde zoekt Confucius (Chinees: Kong Fuzi, of Meester Kong; 551-479; eigenlijke naam: Kong Qia) naar de basis van een goed geordende samenleving; hij komt niet zozeer uit bij normen en waarden, maar vooral bij rituelen en gedegen onderwijs; zijn lessen worden door zijn volgelingen snel gecodificeerd, waarbij de gerespecteerde oude geschriften gecombineerd worden met een verzameling spreuken die aan Confucius zelf wordt toegeschreven

* in 221 vC vestigt een prins de Qin-dynastie door alle ruziënde staten van China te veroveren; zijn meedogenloze heerschappij roept echter zoveel verzet op, dat de nieuwe dynastie geen lang leven is beschoren; kort na zijn dood barst de strijd weer los

- tijdens deze dynastie wordt voor het eerste melding gemaakt van een kompas, gebruikt binnen de waarzeggerij

* Han-dynastie (ca. 202vC - 221nC) brengt China in tamelijk rustig politiek en sociaal vaarwater; het rijk wordt uitgebreid tot in Korea, Vietnam en Centraal-Azië; de leer van Confucius wordt staatsideologie en een effectief middel om de Chinese landeigenaren als één man achter de keizer te verenigen; ook de kanaalboten blijken een doeltreffend middel om de verschillende elementen van de rijkseconomie te verbinden

      - Cai Lan, een ambtenaar, maakt voor het eerst papier

- vanaf keizer Wudi (140-87vC) is er vrijwel voortdurend sprake van karavaanhandel tussen China en West-Azië; een constante golf van ideeën, technieken, ziekten, gewassen en andere noviteiten trekt over de graslanden en woestijnen van Midden-Azië en over de wateren langs de Zuid-Aziatische kusten; hierdoor wordt het Oude-Wereldweb geconsolideerd en een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis ingeluid

 

VERBINDINGEN TUSSEN OUDE BESCHAVINGEN

- Zuidwest-Aziatische beschaving is aanvankelijk gescheiden van de Chinese beschaving

* Mesopotamië, Egypte en de Indus-beschaving hebben contact met elkaar via kustvaart en ezelkaravanen, en vormen samen het eerste grote metropolitaanse web

* Chinese beschaving blijft hiervan gescheiden, al neemt China wel vaardigheden en technieken uit het Westen over (tarwe, gerst, bronsbewerking, zevendaagse week en na 1500vC strijdwagens en paarden); naburige volken nemen deze noviteiten over, zodat het tweede grote metropolitaanse web ontstaat, met China als middelpunt

- Beschavingen bloeien op dankzij uitgebreidere en steviger netwerken

* interstedelijke verbindingen ontwikkelen zich tot snelwegen waarover steeds meer nuttige informatie wordt getransporteerd, ook over lange afstanden.

* nog belangrijker zijn de verbindingen tussen de lokale elite en de stad: plaatselijke heersers laten hun onderdanen grondstoffen produceren waaraan in de stad behoefte bestaat, in ruil voor luxegoederen uit de stad: symbolen van macht en invloed.

- iedere beschaving verwerft een achterland waar landeigenaren en andere bevoorrechte personen aspecten van het stadsleven nabootsen; deze elite vormt zijn eigen regionale netwerken, die de oude, plaatselijke dorpswebben overdekken;

- zo kan de stad putten uit verschillende bronnen, dichtbij en ver weg, de vruchten plukken van de veelal onvrijwillige arbeid van miljoenen mensen, en verwerven vroege beschavingen hun rijkdom en de macht

- Herderlijke en stedelijke militaire macht beheerst Euraziatische/Afrikaanse geschiedenis

* in dezelfde eeuwen dat de Soemerische steden opbloeien, leren herders de weilanden van Zuid-Mesopotamië te benutten, waarbij zij hun schapen en gaten per seizoen van noord naar zuid en van hoogland naar laagland verplaatsen; zo ontstaan drie bestaans­vormen: herderlijk, agrarisch en stedelijk, via handelaren en rovers met elkaar verbonden

* botsingen tussen 3 bestaansvormen beheerst Euraziatische/Afrikaanse geschiedenis:

- machtswisselingen door zowel opstandige stadskrijgers als veroverende herders; nieuwe heersers snel zelf afhankelijk van (moraal en discipline van) militaire specia­listen en belasting­inners, en dus snel in dezelfde politieke positie als voorgangers

- herders en stedelingen militair in het voordeel t.o.v. de boeren; leidt vanaf 2500 tot ‘beschermingsmarkt’: boeren betalen pacht en belasting in ruil voor bescherming

* lokale machthebbers (herders en dorpshoofden) merken dat zij via rondtrekkende handelaren aan goederen kunnen komen waaraan in de stad behoefte is, zodat zij deze weer kunnen ruilen tegen statussymbolen uit de stad

- zo worden de handelskaravanen (later eindigend in de steden van Ionië (West-Turkije), bakermat van de latere Griekse beschaving) getolereerd en zelfs beschermd en betekent hun bloei een verdichting en uitbreiding van het metropolitaanse web

 

MIDDELLANDSE ZEE

- Minoïsche en Myceense beschaving (3000-1200)

* de Minoïsche beschaving (3000-1500) met haar paleistempels in de plaatsen Knossos en Phaistos op Kreta, is nauw verwant aan het Egypte van de farao’s; zij is vreedzaam en commercieel, een voorbeeld van hoe een beschaving er uit kan zien wanneer zij geen dreiging ondervindt van andere volken en dus nauwelijks bezig is met verdediging en oorlogsvoering; ook economische malaise a.g.v. oorlogen blijft uit; gevolg: welvaart onder de gehele bevolking (mogelijk als enigen in de Oudheid hadden de Minoërs een sanitaire voorziening in huis), hoogstaande architectuur en kunstzinnigheid zonder oorlogs­thema’s, een hoge technologische ontwikkeling en veel sport; opvallend is ook de sociale gelijkheid tussen bestuur en volk en tussen mannen en vrouwen (op het koningschap na); de belangrijkste erfenis van de Minoërs is wellicht het genieten van de kunst om de kunst (l’ art pour l’art); dit laatste wordt vanaf 600 door de Grieken overgenomen en ook op de kennis toegepast: ‘het weten om het weten’ (uit verwondering)

* de Myceners (1500-1200) van het Griekse vasteland (beroemd geworden vanwege de oorlog tussen Mycene en Troje) zijn het tegendeel van de Minoërs: ruw en oorlogs­zuchtig; dankzij de Minoïsche handel komen de Myceense stammen tot ontwikkeling en verstedelijking, met als uiteindelijk resultaat dat zij sterk en zeewaardig genoeg zijn geworden om de Minoërs te beroven en te verslaan; voorafgaande aan deze verovering zijn de Minoërs echter al enorm verzwakt geraakt door een aardbeving die zowel een tsunami als een vulkaanuitbarsting op het eiland Thera veroorzaakt

- Donkere Eeuwen (1200-800)

* rond 1200 daalt het aantal Griekse stadsbewoners zeer snel, totdat de steden in 1100 volledig verlaten zijn; het Myceense schrift, “Lineair B” genaamd, gaat verloren, tezamen met het Minoïsche “Lineair A”; maar juist in de “Donkere Eeuwen” die volgen, ontstaan de mythologische werken van Homerus en Hesiodus (mondeling overgeleverd)

- Griekse polis-beschaving (800-300)

* in 800 komt de handel en verstedelijking in een stroomversnelling; marktplaatsen in dorpen en gemeenschappen groeien uit tot versterkte handelsplaatsen die uiteindelijk ook politieke eenheden worden: stadstaten, autonome staten die zeggenschap hebben over het gebied rondom de stad; Sparta en Athene zijn de twee machtigste steden; er is in deze periode geen militair, politiek of cultureel centrum in Griekenland; verschillende stadstaten ontwikkelen verschillende culturen: in de steden in Ionië (aan de westkust van het huidige Turkije) ontstaat de filosofie, Corinthe en Argos worden literaire centra; de polis-cultuur zélf is echter wel degelijk een nationale cultuur

- de polis bestaat uit een verzameling burgers (volwassen mannelijke autochtonen) die magistraten kiezen om de stad te leiden; ze zijn maar kort aan de macht, meestal een jaar, om vriendjespolitiek te voorkomen; het is de taak van bestuurders publieke acties te initiëren die voor alle burgers aanvaardbaar zijn, aangenomen wetten uit te voeren en een doeltreffende stadsverdediging in stand te houden

- individuele krijgshelden moesten plaatsmaken voor een collectief leger wanneer vanaf ca. 650 vC de falanx zijn intrede doet; overwinningen boeken is nu een zaak van discipline, waarbij het van groot belang is dat iedere burger dapper zijn juiste plek in de falanx behoudt, terwijl hij met zijn speer de vijand te lijf gaat en met zijn schild zijn buurman beschermt; het vechten in een falanx, maar ook het samen roeien in een galjoen, heeft tot gevolg dat alleen de polis in zijn geheel kan winnen of verliezen; dit maakt dat, met name in Sparta en Athene, alles in het teken staat van loyaliteit; in Athene bevordert dit de democratie, in Sparta de militarisering van de cultuur; de falanx blijft in de oudheid de voornaamste voorbereiding op het burgerschap

- als reactie op plaatselijke tekorten aan grond stichten de Grieken vanaf ca. 750vC honderden nieuwe, onafhankelijke Griekse steden op nauwkeurig bepaalde plekken in Zuid-Italië, Sicilië en in andere kustgebieden rond de Middellandse en Zwarte Zee; invoering van de munt, voor het eerst door koning Croesus van Lydië, in het westen van het huidige Turkije, stimuleert de handel

- wanneer een polis streeft naar collectieve roem en glorie, wordt dit door al snel opgevat een aanval op de autonomie van een andere polis; de opbouw van een groot rijk, m.n. door Athene en later Sparta, is daarom gedoemd te mislukken doordat de andere stadstaten al snel coalities vormen om dergelijke ambities in toom te houden

* in 490 vC wordt de kracht van de polis op de proef gesteld als het Perzische leger, gesteund en bevoorraad door schepen en bemanningsleden uit Fenicië en Klein-Azië, Griekenland binnenvalt; tegen alle verwachtingen in weet een weinig solide coalitie van ongeveer twintig Griekse steden de Perzen bij Salamis te verslaan en een jaar later ook op het vasteland, bij Plataea (480-479); dit verrassende succes werd door Athene uitbundig gevierd, wat een blijvende erfenis oplevert in de vorm van politieke daden, beeldende kunst, en vooral grootse literatuur die later een klassieke status krijgt

- Grieks-macedonische rijk en hellenisering (338-168)

* het streven van de Thebe om de regio te domineren wordt de kop ingedrukt door eerst de Macedonische koning Philippus (338) en later zijn zoon Alexander (die regeert van 336-326 vC); het verlies van politieke autonomie heeft echter geen desastreuze gevolgen voor de Griekse beschaving; sterker nog, als Alexander tussen 334 en 331 het Perzische Rijk verovert, komen de oude beschavingscentra in Zuidwest-Azië en Egypte plotseling onder Griekse invloed te staan (hellenisering): de Mace­donische generaals (diadochen), die Alexanders rijk na zijn dood in 326 onderling verdelen, roepen de hulp in van duizen­den Grieken om hun koninkrijken te besturen, wat leidt tot een verspreiding van Griekse wijn, theater, sport, filosofie, architectuur, wetenschap, stadsmarkten en munteconomie

- Romeinse Republiek en Keizerrijk (509vC – 395nC)

* volgens de legende stichten Romulus en Remus in 753vC de stad Rome; in 509vC eindigt de koningstijd en wordt de stad een republiek, nadat koning Tarquinius Superbus de stad is uitgejaagd vanwege zijn tirannieke gedrag; een krachtig leger (gebaseerd op de falanx en het galjoen), een goedgeorganiseerd systeem van instellingen en wetten, slimme bondgenootschappen en culturele tolerantie leidt tot de eeuwenlange, betrekkelijk rustige over­heersing (de “Pax Romana”) van allereerst Italië, dan het Middellandse Zeegebied (met name Carthago in 241vC), dan West-Europa (tot aan Schotland) en Mesopotamië (tot Iran); bestuurders en intellectuele leiders spreken zowel Latijn (gesproken in het westen) als Grieks (gesproken in het oosten) als lingua franca

- de Romeinse Republiek is een verbeterde versie van de Griekse polis, hoewel ook in de Republiek, net als in Athene, aanhoudend spanningen bestaan tussen de aristocratie (patriciërs; grootgrondbezitters) en de burgers (plebejers); terwijl in de hyper­democratie van Athene echter de burgers heersen, regeren in de Romeinse Republiek vooral de patriciërs (vergaderd in de Senaat); pas in 336vC wordt de eerste plebejer tot consul gekozen

- de Romeinse oorlogsvoering is een verbeterde versie van de falanx en het galjoen; na moeilijke gevechten in de Zuid-Italiaanse heuvels splitsen de Romeinen rond 370 vC hun legers op in kleinere eenheden, zogeheten manipels, die ook op lastig terrein een gesloten formatie kunnen houden; daarnaast worden de zware speren van de Griekse en Macedonische falanxen vervangen door lichte werpspiesen en zwaarden

      * in 44vC benoemt Julius Caesar zichzelf tot ‘dictator voor het leven’, maar al een maand later wordt hij vermoord; er volgt een burgeroorlog die in 27vC eindigt als Octavianus, de achterneef en adoptiezoon van Ceasar, de belangrijkste tegenspelers (met name Marcus Antonius) heeft uitgescha­keld en de princips van Rome wordt: van de Senaat ontvangt hij zowel de eretitel ‘Augustus’ (de verhevene) als een aantal keizerlijke bevoegdheden; vanaf dan zal het keizerrijk steeds meer als een monarchie functioneren, hoewel de keizer in theorie nog steeds een ambtenaar in de oude Res Publica (letterlijk: “zaak van de staat”, staatszaken) is

- Om het Rijk bestuurbaar te houden, wordt het rond 300nC opgedeeld in een Grieks­talig oostelijk deel en een Latijnstalig westerlijk deel; het moet nog steeds om één Rijk gaan, maar in 395 valt het definitief uitéén: Byzantium (of Constantinopel, het huidige Istanbul) wordt de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk en blijft tot 1453 als zodanig voortbestaan; het westerlijk rijk gaat in 476 ten onder als de Germaanse bevelhebber Odoaker de hoofdstad van die tijd (Ravenna) inneemt en de laatste keizer afzet

* net als de Han-dynastie kent ook Romeinse Rijk ongeveer 60 miljoen onderdanen en wordt ook het Romeinse Rijk in de periode 165-180nC getroffen door epidemieën; de opkomst van de steden versterkt de verspreiding van bacteriën die het spijsverterings­kanaal belagen; met name virale veeziekten kunnen zich gemakkelijk verspreiden onder de dichte, nauw met elkaar in contact staande bevolkingsgroepen; ziekten als pokken, mazelen of de bof vormen echter een eenmalig gevaar: het slachtoffer sterft of verwerft een levenslange immuniteit

 

AMERIKA

- Noord-Amerika (Mississippi en Louisiana)

* in het dal van de Mississippi en nabijgelegen rivieren, verrijzen in geschikte stroomgebieden betrekkelijk bescheiden ceremoniële centra; de eerste bevinden zich in Louisiana en dateren van ca. 1000 vC; tussen 500vC en 500nC ver­rijzen verder naar het noorden, op de oevers van Louisiana, talrijke kolossale Hopewell-nederzettingen met tal van aarden heuvels; de nederzettingen moeten betrekkelijk dichtbevolkt zijn geweest (anders hadden de heuvels niet aangelegd kunnen worden) ; het gebruik van maïs wijst op een connectie met Mexico, en de gevonden pijpen, die men vermoedelijk gebruikt voor het roken van tabak, wijzen op banden met Midden-Amerika

- Midden-Amerika (Mexico en Guatamala):

* Olmeken (1500-100) – leggen grote piramideachtige bouwwerken aan langs de Caribische kust van Mexico; de elite die de arbeidskrachten mobiliseert om deze bouwwerken te realiseren, neemt deel aan een zeer uitgebreid ruilnetwerk dat hun kostbare goederen als obsidiaan, jade en cacaobonen oplevert; de monumentale stenen sculpturen en religieus-politieke rituelen maken zoveel indruk op andere volkeren, dat achtereenvolgens de Maya´s en de beschavingen in het Mexicaanse binnenland een verscheidenheid aan thema´s en praktijken van de Olmeken overnamen

      * Maya´s (600vC-840nC) – zie volgende deel

- Zuid-Amerika

      * ceremoniële centra langs de Peruaanse kust (2500vC)

      * Chavin-beschaving (900vC) op een plek waar een pas over de Andes contacten

      mogelijk maakt met de volken van de hoogvlakte (levend van aardappels en

      quinoa) en de hoger gelegen delen van 't Amazone-bekken (jagers-verzamelaars)

© 2007 Evert Jan Ouweneel

10.000-1000 vC 3500 vC -200 nC 200-1000 nC 1000-1500 nC 1450-1800 nC