10.000-1000 vC 3500 vC -200 nC 200-1000 nC 1000-1500 nC 1450-1800 nC

Samenvatting grotendeels ontleend aan J.R. McNeill & W.H. McNeill, Het menselijk web: de wereldgeschiedenis in vogelvlucht (hfst. 4)

Periode: 200-1000 n.C.

Het menselijk web<br>MacNeill, J.R.

Evert Jan Ouweneel

- Doordat de Parthen in Iran op lokaal niveau een doeltreffende verdediging tegen de steppeplunderaars organiseren, gaan de plunderaars van de steppen zich richten op de minder goed verdedigde grenzen in het oosten en westen; hierdoor krijgen resp. de Han-dynastie en het Romeinse Rijk, die beide al verzwakt waren door epidemieën, ook nog met invasies te maken; het gevolg is dat vooral het Middellandse Zeegebied en in mindere mate China in verval raken (steden kwijnen weg en de geletterdheid raakt in verval), terwijl Iran en India juist een tijd van economische en culturele bloei doormaken

 

IRAN EN INDIA

- Iran (247vC-651nC)

* de Parthen (247vC-224nC) weten zich vrij te vechten van de Seleuciden (de opvolgers van generaal Seleucus, die koning werd over het meest oostelijke deel van Alexanders rijk) en stichten een rijk in Noord-Iran, waar ze profiteren van de Euraziatische handels­routes; de militaire klasse heeft er belang bij dat de ploegende boeren, van wie ze pacht ontvangen, worden beschermd; nadat zij zichzelf en hun paarden met voldoende bepantsering hebben uitgerust om onkwetsbaar te zijn voor vijandige pijlen, weten zij de aanvallers snel en gemakkelijk met hun eigen pijlen en bogen uit te schakelen; de bepantserde cavaleristen zijn echter weerspannige onderdanen, waardoor de macht van de Parthische koningen uiteindelijk afneemt

- het nieuwe (grotere en sterkere) paardenras van de Parthen (die de Chinese keizer Wudi in 101vC uitlokt tot een expeditie naar het westen), kan niet alleen gevoed worden met wat de steppe te bieden heeft; hierdoor ontstaat een militaire impasse: de steppevolken zijn niet opgewassen tegen de cavaleristen en kunnen niet zulke dure paarden houden, terwijl de cavaleristen niet in staat zijn de steppeplunderaars te achtervolgen tot ver op de open grasvlakten, waar te weinig paardenvoedsel is

- in 126 wordt Babylon en in 129vC (slag bij Ecbatana) heel Mesopotamië door de Parthen veroverd op de Seleuciden; later voeren de Romeinen, die de Parthische boogschutters te paard vrezen, vele oorlogen tegen de Parthen om dit gebied

* de Sassaniden (226-651nC) kennen een even wanordelijk leger van uitstekende krijgers, die de koninklijke bevelen soms wel en soms niet opvolgen en bij tijd en wijle in een onderlinge strijd verwikkeld raken

- ook de Sassaniden voeren regelmatig oorlog tegen het Romeinse (later Byzantijnse) Rijk; deze oorlogen putten hen uiteindelijk zo uit, dat de Arabieren hen relatief makkelijk kunnen verslaan in 637nC in de Slag van Kadisiya

- de Sassaniden kweken alfalfa en maken daarvan hooi waarmee ze hun paarden voeden; de alfalfa heeft echter niet genoeg aan de regen die normaal gesproken in deze contreien valt; maar in gebieden waar in de zomer smeltwater uit de bergen kan worden gehaald (vaak via ondergrondse tunnels, qanats, waar het wegsijpelende water wordt afgetapt), verandert het droge Iraanse en Mesopotamische landschap in zeer productieve landbouw­grond; het waterbeheer van de Sassaniden blijft in het stroomgebied van Eufraat en Tigris heel lang ongeëvenaard, in feite zelfs tot voor kort

- Indische Gupta-dynastie (320-535nC)

* ten tijde van de Gupta-dynastie bereikt de Indiase beschaving een “gouden tijd”, gekenmerkt door economische en religieuze expansie, culturele creativiteit en wetenschappelijke vooruitgang in wiskunde en astronomie; net als bij de Sassaniden berust de Indiase bloei op een intensieve landbouw (voornamelijk de verspreiding van rijstvelden in de beter bewaterde delen van India) aangevuld met een uitgebreide handel; het stroomgebied van de Ganges is het centrum van de cultuur, maar ook in de kustgebieden van Zuid-India ontwikkelt zich een intensieve commerciële landbouw en worden kruiden als peper en kaneel naar de rest van Eurazië geëxporteerd; van groter belang is echter de productie en verkoop van katoenen weefsels; vanaf het Gupta-tijdperk blinken de Indiërs uit in alle aspecten van het verwerkingsproces, vooral in het verven van de stoffen, totdat de industriële revolutie van de 18de eeuw de ambachtelijke productie van stoffen in India en elders in de wereld ernstig ontwricht

- zijdeproductie is sinds 2700vC een goedbewaard geheim van de Chinese keizers, tot het 300nC naar India uitlekt

- rondtrekkende boeddhistische en hindoeïstische geestelijken brengen via de handelsroutes miljoenen mensen in contact met hun boodschap, die luidt dat de mens bevrijd kan worden van zijn aardse kwellingen; het hindoeïsme krijgt vooral volgelingen in Zuidoost-Azië; het boeddhisme raakt over een groter gebied verspreid: kloosters ontstaan in het zuidoosten en midden van Azië, China, Korea en Japan

 

CHINA

- in 589 raakt China weer verenigd onder de Sui-dynastie (589-618); deze politiek-militaire eenheid blijft, althans in naam, gehandhaafd tot 1279; hieruit blijkt een sterke groei van de centrale keizerlijke macht, die te danken was aan de voltooiing van het Grote Kanaal in 611

* het Grote Kanaal vormt een veilige en goedkope transportweg tussen de beneden­loop van de Yangzi en het stroomgebied van de Gele Rivier; de woeste wateren van de Gele Zee kunnen nu vermeden worden; keizerlijke bestuurders varen met kanaal­boten naar het ontluikende zuiden en innen belastingen in natura; dit levert voldoende middelen op om de legers langs de noordgrens te onderhouden; tegelijk ontvangt het keizerlijk hof hierdoor tal van kostbaarheden uit naburige en verre streken

- de Tang-dynastie (618-907)

* met de ondergang van de Han-dynastie verliest ook het confucianisme gezag; tijdens de Tang-dynastie wordt de confuciaanse traditie opnieuw gevestigd onder de Chinese landeigenaars; dit maakt de morele en intellectuele acceptatie van het keizerlijk bewind door de ontwikkelde bestuurders minder kwetsbaar; onder druk van het boeddhisme (die met zijn kloosters een belangrijke religieuze en economische factor vormt) wordt meer nadruk gelegd op het bovennatuurlijke; in 845 is er sprake van een anti-boeddhistische campagne, waarin veel kloosters worden gesloten en monniken weer normale burgers moeten worden; het boeddhisme blijft echter onderdeel van de Chinese cultuur

* omdat de stepperuiters sneller zijn dan de Chinese infanterie, hoe talrijk die laatste ook is, blijft de verdediging van de noord- en westgrens van China een probleem; over de lange afstanden zijn de legers moeilijk te bevoorraden en te controleren; in 755 breekt aan de noordwest-grens een massale opstand uit en kan de Tang-dynastie worden gered dankzij de gewapende interventie van Oeigoer-Turken uit Midden-Azië, die vervolgens flink moeten worden gesteund; dergelijke vergoedingen aan de steppevolken hebben echter tot gevolg dat de Chinese goederen en gewoonten zich over de oostelijke steppe tot diep in Midden-Azië verspreiden

* ook door de karavaanhandel met verre streken als India en Midden-Azië, en door de overzeese handel met nabijgelegen kustgebieden en eilanden (o.a. Korea, Japan, Java) kan de Chinese invloedssfeer zich uitstrekken over Midden- en Oost-Azië zonder aan kracht in te boeten, de snelle opkomst van de islam ten spijt

* de massale bevolkingsgroei, vooral in het zuiden, stimuleert economie, ambachten en culturele creativiteit; zo kan door de techniek van de blokdruk het geschreven woord zich verspreiden over een groot publiek, en ontstaat er een standaard voor de Chinese schilderkunst en poëzie; de porseleinproductie neemt een grote vlucht en het buskruit kan voortaan beheerst worden ingezet; tevens wordt het examenstelsel ingevoerd, waarvolgens iedereen die ambtenaar (mandarijn) wil worden moet slagen voor een serie moeilijke examens (m.n. over de confuciaanse klassieken); dit staatsexamen fungeert als selectieprocedure, zodat alleen de beste talenten tot de overheid toetreden

- de Song-dynastie (960-1279)

* tussen 960-1127 regeert de Song-dynastie over heel China; hoofdstad is de noordelijke stad Kaifeng; na de inval in 1127 van de Jurchen (de voorouders van de Mantsjoes die 500 jaar later de Qing-dynastie vestigen) krijgt de Jin-dynastie het noorden van het land in handen; In 1271 moet deze dynastie wijken voor de Mongoolse Yuan-dynastie

* het deel van het hof dat in 1127 weet te ontsnappen, sticht de Zuidelijke Song-dynastie; Hangzhou wordt de nieuwe hoofdstad; men berust erin dat 30% van de Chinezen onder vreemde heerschappij leeft; vanaf 1279 valt ook zuidelijk China onder het bewind van de Yuan-dynastie, nadat het is veroverd door Koeblai Khan, kleinzoon van Dzjengis Khan

- tijdens de Song-dynastie worden plaatselijke militaire gouverneurs en hun aanhangers vervangen door vanuit het hof aangewezen ambtenaren; dit systeem van burgerbestuur leidt tot een grotere controle en meer macht in handen van de keizer

- de Song-dynastie doet veel aan stadsontwikkeling, niet uitsluitend voor bestuurlijke doeleinden maar ook als centra voor handel, industrie en koopvaardij; er verschijnt ook een welvarende middenstandsklasse; naar schatting heeft Hangzhou zo’n 1,5 miljoen inwoners: veel meer dan enige Europese stad in die tijd; op het hoogtepunt van deze dynastie overschrijdt de Chinese bevolking voor het eerst de 100 miljoen

- met de verspreiding van de boekdrukkunst en het onderwijs groeit de handel; de opkomst van papiergeld en een uniform belastingstelsel vormen de basis voor een echt landelijke handelsmarkt; tegelijkertijd voltrekt zich een soort industriële revolutie: volgens de historicus Robert Hartwell verzesvoudigt tussen 806 en 1078 de productie van ijzer per hoofd van de bevolking: in 1078 produceert China 125.000 ton ijzer per jaar; dit ijzer wordt niet alleen voor massaproductie van eigen goederen gebruikt, maar ook geëxporteerd.

- belangrijke Chinese uitvindingen van deze periode zijn het kanon en de vlammen­werper (in het laatste geval wordt veel buskruit in buizen van bamboe gestampt), en een verbeterde drukkunst (bladzijden hoeven niet meer uit één blok te worden gesneden, maar kunnen worden samengesteld uit afzonderlijke tekens)

 

RIJKEN ROND CHINA

- In Korea verschijnt vanaf ca. 100nC een ongelooflijk vruchtbare combinatie van kunstmatig bewaterde rijstvelden, ijzeren werktuigen en door ossen voortgetrokken ploegen; deze combinatie staat aan de basis van het meest zuidelijke koninkrijk van de drie rijken die Korea zeven eeuwen lang domineren voordat het schiereiland onder de Silla-dynastie (668-935) wordt verenigd; het boeddhisme wordt de nationale godsdienst, en ook het Chinese schrift en de confuciaanse leer krijgen een plek in de Koreaanse samenleving; om meer inkomsten te genereren en haar macht uit te breiden, brengt de Silla-dynastie de nieuwe rijstvelden naar elk Koreaans dal dat zich daar enigszins voor leende, hoewel gerst en sorghum in het noorden belangrijke gewassen blijven

- In Japan wordt dit proces enige tijd later herhaald: de natte rijstvelden bereiken rond 300vC de Japanse eilanden, maar pas vanaf 250nC raken ze wijd genoeg verbreid om de Yamoto-staat te ondersteunen, waaruit later het Japanse keizerhuis voortkomt; met de komst van Koreaanse boeddhisten in 552 komt de geletterdheid naar Japan en worden de contacten met het vasteland hechter; als het Japanse hof in 593 besluitt het ingevoerde geloof te beschermen en te steunen, komt de boeddhistische connectie aan de basis te staan van een stelselmatige invoer van Chinese ideeën en praktijken, al blijft het Japanse platteland, ver verwijderd van het hof, koppig volharden in zijn tradities

- In de periode waarin de rijstvelden zich verbreidden naar geografisch gunstige gebieden, verrijzen ook in de grootste rivierdalen van het Zuidoost-Aziatische vasteland en op de eilanden Sumatra en Java nieuwe staten en worden de handelsbetrekkingen met India en China nauwer; vrijwel alle nieuwe monarchen in de regio breiden de lokale tradities uit met hofrituelen en godsdienstige ceremonies uit India; zij heersen over landbouwers die steeds vaker overgaan op rijstbouw, met als gevolg dat ze steeds vaker worden gedwongen hun oogst te delen met belasting- en pachtontvangers, omdat al het grondwerk dat nodig is om de rijstvelden tot stand te brengen een te grote investering vergt

- De bosvolken die de levenswijze van vissen, jagen en verzamelen in stand houden, bevolken naar verhouding een veel groter deel van Zuidoost-Azië, zodat de vorstenhuizen van Zuidoost-Azië en de paleis-tempelsteden die zij bewonen semi-exotische enclaves in een landschap van tropische tuiniers blijven

 

ISLAMITISCH RIJK

- Vanaf 635 worden de moslims de belangrijkste bewaarders en bouwers van het Oude-Wereldweb: ze introduceren een geheel eigen beschaving, die is gebaseerd op goddelijke openbaringen aan de profeet Mohammed (560-632), erfenissen van het heidense Arabië en elementen uit de joods-christelijke, Sassanidische, Grieks-Romeinse en Indiase tradities

- de islam raakt onlosmakelijk met de politiek verbonden als Mohammed in 622 zijn geboortestad Mekka ontvlucht en over de nabijgelegen Medina-oase gaat heersen; zijn openbaringen, die hij mondeling overbrengt, komen volgens hem rechtstreeks van God en worden later opgetekend in de koran, leidraad voor gelovigen; in 630 keren de moslims zegevierend naar Mekka terug en nog voor Mohammeds dood in 632 zijn alle Arabische stammen verenigd; dan volgt een reeks klinkende overwinningen op Romeinse (Byzantijnse) en Sassanidische (Perzische) legers tussen 634 en 651, en vervolgens aan de verre grenzen van het islamitische rijk (na 711 in Spanje en Noordwest-India en in 751 op de Chinezen in Midden-Azië); het christendom overleeft deze opmars dankzij het falen van de islamitische legers bij de muren van Constantinopel in de jaren 673-678 en opnieuw in de periode 717-718

* kamelen voorzien in de enige materiële basis voor de aanvankelijke zegetocht van de islam; de Arabieren, die als geen ander weten hoe ze deze dieren moeten houden, hebben meer kamelen ter beschikking dan enig ander volk en kunnen hun legers, die ze vrijwel altijd via de woestijn kunnen bereiken, beter bevoorraden dan hun tegenstanders (de uitvinding van het kameelzadel in 200nC maakt de kameel als woestijnlastdier geschikter dan muilezel en paard; in dezelfde tijd wordt overigens ook het paardenzadel met stijgbeugels geïntroduceerd, wat de Arabische nomaden wellicht op een idee bracht)

- Het intensief beleefde geloof geeft vorm aan de nieuwe beschaving van het islamitische rijk

* godsdienstige plechtigheden (zoals dagelijkse gebeden), aangevuld door de Sjaria (de Heilige Wet, gebaseerd op de koran en leefwijze van Mohammed en zijn geloofsgenoten) geven de volken een gemeenschappelijk identiteit en regelgeving; zo heeft vanaf 700 het begrip handelsovereenkomst overal in het rijk min of meer dezelfde betekenis

* ook het Arabisch verbindt de volken (religieus, politiek en economisch), aangezien alle moslims Arabisch moeten leren om de koranteksten te kunnen onthouden en voordragen

- Na de dood van Mohammed in 632 worden zijn opvolgers (kaliefen) in eerste instantie gekozen door een kleine kring van prominente moslims: eerst is Aboe-Bakr de leider, dan Umar en daarna Uthman (of Osman); de laatste is lid van de Omajjaden-familie en wordt in 656 vermoord; er breekt een burgeroorlog uit en Mohammeds schoonzoon, Ali, komt als overwinnaar uit de bus; de Omajjaden menen echter dat zij van het kalifaat zijn beroofd en vermoorden in 680 Ali´s zoon Hoessein; vanuit Damascus regeren zij vervolgens over het islamitische rijk, totdat de Abbasiden uit Mekka in 750 de Omajjaden verslaan en Bagdad tot hoofdstad van het rijk uitroepen

* veel moslims, sjiieten geheten, vinden het verwerpelijk dat de strijd om het kalifaat aldus met geweld is beslist; zij willen de herinnering aan Ali en Hoessein levend houden en verwerpen het gezag van de Omajjaden en Abbasiden; de soennitische meerderheid beschouwt de beide families wél als rechtmatige opvolgers van de profeet; de hieruit voortvloeiende tweespalt creëert een breuk in de gemeenschap der gelovigen die nog steeds niet is hersteld

* naast de opvolgingskwestie verschillen de sjiieten en soennieten ook van mening over de verhouding tussen politiek en religie (‘staat en moskee’, zogezegd); de sjiieten zien graag het politiek-militaire en religieuze leiderschap in één persoon verenigd, terwijl de soennieten beide gescheiden houden

* in 909 zegt iemand een afstammeling te zijn van Fatima, de dochter van Mohammed, en roept zichzelf uit tot mahdi (‘de verwachte’), de persoon die is voorbestemd om de ware islam in ere te herstellen en daarom aanspraak kan maken op het kalifaat; zijn beweging, een extreme vorm van de sjiitische islam, krijgt enthousiaste steun van de Berber-stammen uit de Noord-Afrikaanse bergen, die onder de banier der Fatamiden in korte tijd de kuststreken van Marokko, Algerije en Tunesië veroveren; één van de opvolgers van de mahdi veroverdt Egypte en roept Caïro uit tot de hoofdstad van zijn rijk; de laatste Fatamide wordt in 1171 door Saladin, waarna het soennisme wordt hersteld

- Het koopmanschap van Mohammed maakt, dat in het Islamitisch Rijk veel meer respect bestaat voor handelaren en markttradities dan in vroegere rijken; de rol van kamelen als transportmiddel wordt belangrijker en de informele contacten tussen de stedelingen en de (kamelen houdende) nomaden ontwikkelt zich tot één van de kenmerkende aspecten van de nieuwe islamitische samenleving

* dit echter ten koste van de boeren en landeigenaren van het platteland; de landbouw in Mesopotamië en de omliggende streken krijgt het dan ook zwaar te verduren; in Spanje bloeit de landbouw echter op dankzij de nieuwe Zuidoost-Aziatische gewassen en irrigatietechnieken die de islamitische veroveraars uit drogere gebieden meebrengen

- Volgens de koran dienen moslims zowel het christendom als het jodendom te tolereren, zolang zij hun belasting maar betalen (niet iedere islamitische leiders is er daarom happig op om andersdenkenden te bekeren); moslims, christenen en joden leven dus eeuwenlang vreedzaam naast elkaar

* het geloof van de overwinnaars wordt door velen als een aantrekkelijk alternatief beschouwd; zo laten de Iraniërs het zoroastrisme geleidelijk varen en nemen veel handelaren en vorsten uit het dal van de Niger (waar veel goud en zout beschikbaar is) het islamitisch geloof aan; ook aan de kust van Oost-Afrika, waar met het Islamitisch Rijk gehandeld wordt, bekeert men zich tot de islam en bevat de plaatselijke taal (Swahili) Arabische elementen

- De grootste bedreiging van de islamitische eenheid vormt de grens tussen Iran en Midden-Azië: de instorting van de Sassanidische staat in 651 gaat gepaard met een raadselachtige verslechtering van het leven van de Iraanse plattelandssoldaten, die hun regio altijd zo goed hebben verdedigd tegen de steppeplunderaars; het effect is dat de contacten tussen de Turkse steppevolken en de stedelijke centra van Zuidwest-Azië nauwer worden; dit geldt vooral voor de Abbasiden-kaliefen, die Turkse slaven als lijfwacht inhuren; deze lijfwachten (slavensoldaten) beginnen zich in de 9de eeuw te bemoeien met de intriges aan het hof van de Abbasiden; met als resultaat dat de kaliefen uiteindelijk stromannen van deze soldaten worden; sommige provincies worden volledig zelfstandig, en in het jaar 1000 hebben de Turkse avonturiers en veroveraars, bekeerd tot de soennitische islam, de macht over bijna het gehele beschavingscentrum van Zuidwest-Azië

- Het Byzantijnse Rijk lijkt hetzelfde lot te zijn beschoren als de staat der Sassaniden (onderwerping aan de islamitische heerschappij); het duurt echter tot 1453 voordat Constantinopel wordt ingenomen door de Turken; west-eurazië blijft opgesplitst in twee vijandige religieuze blokken; nieuwe vaardigheden, gewassen en ideeën kunnen zich echter wel degelijk verspreiden over de beschaafde volken van Eurazië

 

AFRIKA

- Op de Ethiopische hoogvlakte, nabij de monding van de Rode Zee, komt het koninkrijk van Aksum tot bloei omdat goud, ivoor en andere kostbaarheden uit het Afrikaanse binnenland bijdragen aan de handel tussen Afrika en Zuid-India; het contact tussen de koning van Aksum en Egyptische christenen leidt er rond 350 toe dat de koning het christendom uitroept tot de officiële godsdienst van zijn rijk; in Ethiopië en Nubië houden de christelijke koninkrijken lang stand, ook nadat ze door de moslims zijn afgesneden van de kust; als Egypte en Noord-Afrika tussen 636 en 711 onder islamitisch bewind komen, bestaan de banden met de rest van de wereld voornamelijk uit contacten met moslims

- In het dal van de Niger zijn al minstens vijfhonderd jaar stedelijke handelaren actief voordat de opening van de handelsroute door de Sahara de exploitatie van goudbeddingen en zoutmijnen in de woestijn stimuleert; dit bevorderde op zijn beurt de opkomst van nieuwe staten langs de grens tussen de West-Afrikaanse woestijn en savanne, vooral op plekken waar de rivieren elk jaar overstromen, want dat maakte de grond geschikt voor de verbouw van gierst en wortelgewassen; de heersers van deze staten halen de kostbare goederen (zoals stoffen) uit gebieden aan de andere kant van de Sahara en organiseren in ruil daarvoor de winning en uitvoer van goud en woestijnzout

* de Afrikaanse handelaren ontwikkelen al vóór 800 een voorkeur voor de islam, en in 985 bekeert de eerste (bekende) Afrikaanse koning zich tot deze godsdienst

- In Oost-Afrika slagen zeelui uit het huidige Indonesië rond of voor 500 erin Madagaskar te bereiken; zij brengen Zuidoost-Aziatische gewassen mee, zoals Indonesische bananen, zoete aardappel en taro, die, i.t.t. de Afrikaanse gierst en sorghum, uitstekend bestand zijn tegen vochtige omstandigheden; als deze Aziatische gewassen Oost- en Midden-Afrika bereikten, verrijzen in de bosachtige gebieden en vooral in het gebied rond het Victoria-meer en het Tanganjika-meer in rap tempo nieuwe nederzettingen; de Bantoes (afstammelingen van de migranten uit het huidige West-Afrikaanse Kameroen) nemen deze nederzettingen in en gebruiken ze om de minder droge delen van het Oost-Afrikaanse binnenland te koloniseren; vervolgens gaan de Oost-Afrikanen nauwe contacten aan met Zuidwest-Azië: in het zuidelijke Mozambique is Iraans aardewerk uit de zesde of zevende eeuw gevonden, in Kenia Chinees aardewerk uit de achtste of negende eeuw; ook de islam verspreidt zich in hoog tempo over de kuststreek; het overgrote deel van de inwoners van de groeiende steden wordt islamitisch en ontwikkelt een lokale taal, het Swahili, dat sterk werd beïnvloed door het Arabisch; de Bantoes, die de handel in de gebieden achter de kust controleren, blijven echter nog eeuwenlang trouw aan hun eigen godsdiensten

- . Het uiterste zuiden en de delen van het Oost-Afrikaanse binnenland die niet geschikt waren voor landbouw en veeteelt, bleven het domein van de jager-verzamelaars. Maar vóór 1000 n.Chr. waren de nederzettingen in het grootste deel van Afrika sterk veranderd als gevolg van de nieuwe gewassen, de ijzerbewerking, het grotere bereik van de kameelkaravanen en de toegenomen mogelijkheden van de rundveehouders. Kortom, Afrika lag op de grens van het Oude-Wereldweb. [107]

- In grote delen van Afrika, met name het zuiden, belemmeren malaria, gele koorts, slaap­ziekte, rivierblindheid en andere dodelijke en uitputtende ziekten niet alleen de opbouw van nederzettingen en de bevolkingsgroei, maar ook de communicatie, de specialisatie en de verstedelijking, alle vindingrijke pogingen tot milieubeheer ten spijt; bovendien hebben de runderen, paarden en kamelen in tropisch Afrika vaak last van een vliegenziekte (trypano­somiasis), die deze dieren ongeschikt maakt als transportmiddel; als gevolg van de Afrikaanse ziekten wordt deze regio komt in de negentiende en twintigste eeuw onder de paraplu van het Oude-Wereldweb te staan

      * ook het Afrikaanse landschap belemmert integratie in het Oude-Wereldweb: grote rivieren als de Kongo en de Niger lenen zich uitstekend voor de scheepvaart, maar de stroomversnellingen en watervallen bij de mondingen belemmeren de toegang tot de zee

 

NOORD-EURAZIATISCHE STEPPEVOLKEN

- De steppennomaden behouden hun eigen levensstijl, rijden op paarden, bewaken hun kuddes, maken jacht maken op wilde dieren of plunderen agrarische nederzettingen; hun plundertochten leveren echter nooit op wat ze willen: de willekeurig bijeengesprokkelde buit moet altijd geruild worden voor dingen die ze echt nodig hebben of waaraan ze veel waarde hechten; de steppeplunderaars zijn daarom genoodzaakt de handelaren te tolereren en de goederen die deze handelaren over de steppe vervoeren te beschermen; deze interactie tussen herders en boeren wordt alleen maar intensiever in de gevallen waarin de nomaden de beschaafde bevolking onderwerpen;

* zo heerst de Toba-confederatie (vermoedelijk geleid door Turkssprekende nomaden, waar anderstaligen deel van uitmaken) van 368 tot 543 over het noorden van China

* vanaf 378 verschijnen de Hunnen op het Europese toneel; vanuit hun basis op de Hongaarse vlakte ondernemen zij door heel Europa rooftochten

- Op de steppen heeft de op- en ondergang van nomadische overheersing twee gevolgen:

* ten eerste veroorzaakte deze steeds weerkerende politiek-militaire onrust en een lange reeks migraties over de steppe, want met regelmaat vluchten verslagen volken naar andere grasvlakten, ofwel naar het zuidoosten (Mantsjoerije en Noord-China), ofwel naar het westen (richting Oekraïne en Hongarije); dit verklaart de lange reeks nieuwkomers die tussen 200 en 1000 in Oost-Europa arriveren, want de Hunnen, Avaren, Bulgaren, Khazaren, Petsjenegen en Magyaren die plunderend Europa binnentrekken, zijn in feite vluchtelingen die vanuit het oosten worden opgedreven door andere nomadenvolken

* ten tweede raken de steppevolken gewend aan de nieuwe situatie en laten de karavanen veilig passeren in ruil voor de kosten van hun eigen bescherming, die laag genoeg zijn om de verre handel niet te belemmeren

- De karavanen worden nog grootschaliger als men met schuiten en sleeën goederen over de Russische en Siberische rivieren gaat vervoeren en de noordelijke boslanden beter worden verbonden met het grasland en (door karavanen) de agrarische nederzettingen ten zuiden daarvan; aldus gan de steppennomaden deel uitmaken van een netwerk van verre handel, waardoor ze producten voor eigen consumptie kunnen aanvullen met bont uit het noorden en graan en goederen als zijde of ijzerproducten uit het zuiden; deze goederen­invoer gaat gepaard met de komst van nieuwe godsdiensten, ideeën en technieken naar alle uithoeken van de steppen en, in mindere mate, naar de noordelijke bosgebieden

 

EUROPA

- Het werktuig dat ervoor zorgt dat de natte kleigrond van West-Europa blijvend verandert in productieve graanvelden, is een zware ploeg, uitgerust met een strijkbord dat de aarde uit de ploegsnede naar één kant duwt. De grond tussen de voren komt iets hoger te liggen, waardoor de ontwatering aanzienlijk verbetert; deze ploegen kunnen echter pas enkele eeuwen na hun uitvinding gebruikt worden, aangezien ze kostbaar zijn en het een probleem is om de zes tot acht ossen bij elkaar te krijgen die nodig zijn om de ploeg door de zware grond te trekken; rond 1000nC is het landschap tussen de Loire en de Elbe echter veranderd in een tapijt van graanvelden; de oude bossen en drassige weiden zijn verdrongen en het eens zo onderontwikkelde, dunbevolkte West-Europa is uitgegroeid tot een productief en groeiend brandpunt in het Oude-Wereldweb

- De ontwikkelingen van West-Europa worden lange tijd belemmerd door lokale onrust en invasies; deze tumultueuze periode kent drie migratiegolven vanuit Oekraïne en Hongarije:

* 378-489: eerste invasies van de Germanen in Frankrijk, Engeland, Spanje en Noord-Afrika, versneld door de vlucht van de Hunnen

* 568-650: tweede migratiegolf, versneld door de migratie van de Avaren naar Hongarije, waardoor de Lombarden naar Italië en de Slaven naar de Balkan worden gedreven

* 800-1000: Magyar-ruiters uit Hongarije, moslims uit Spanje en Noord-Afrika, en Viking-zeevaarders uit Scandinavië maken van West-Europa een plundergeibed; als gevolg van de verbeterde scheepvaart ondernemen de Vikingen zelfs expedities naar IJsland (875), Groenland (982) en Newfoundland (even na 1000)

- Deze drieledige aanval leidt allereerst in de Noord-Frankrijk en de Lage Landen (waar men met de rug tegen de kustlijn staat) tot een zeer doeltreffende: talloze Europese ridders, net als hun Parthische en Sassanidische voorgangers zeer toegewijd, verdedigen de dorpen van de pachters die in hun levensonderhoud voorzien; i.t.t. de Iraanse cavaleristen en Byzan­tijnse mobiele eenheden (Grieks: ‘cataphracten’), verwerpen de Europese ridders echter de pijl en boog als wapen; beschermd door hun maliënkolder willen ze de snelheid van hun galopperende paarden vooral benutten door de vijand frontaal met een speer (en bijl, voor gevechten van man tot man) te lijf te gaan; dit blijkt inderdaad een uitstekende tactiek

* vanuit Noord-Frankrijk en de Lage Landen verspreiden de ridders zich snel over Europa: naar het westen (Engeland, Ierland), zuiden (Spanje, Sicilië) en oosten (tot over de Elbe); in de eerste kruistocht (1099) bereiken de ridders zelfs Jeruzalem

- Het Byzantijnse Rijk overleeft een lange reeks schrikbarende aanvallen, mede dankzij de uitgebreide vestingwerken en de goed verdedigbare positie van Constantinopel: als de aanvallers de stad afsnijden van het achterland, kan de stad altijd over water worden bevoorraad vanaf de kust van de Egeïsche Zee en/of de Zwarte Zee; aanvallers moeten dus dus zowel te land als ter zee een overmacht hebben; tot 1204 (als de stad wordt ingenomen en grondig geplunderd door kruisvaarders) krijgt geen van de talloze beleggingslegers (Perzen, Arabieren, Avaren, Bulgaren, Russen) dit voor elkaar

* in de kustgebieden rond de Egeïsche, de Adriatische en de Zwarte Zee kan hierdoor een christelijke versie van de stedelijke cultuur en samenleving standhouden, terwijl zich langzaam een West-Europese versie van de christelijke beschaving ontwikkelt; in de eeuwen voor 1000 oefenen beide versies, de westerse (Latijnse) en oosterse (Griekse) beschaving, grote aantrekkingskracht uit op Slaven, Kelten en Germanen

 

MOBIELE GODSDIENSTEN

- Tussen 200 en 1000 raken christendom, islam en boeddhisme wijd verspreid:

* de nieuwe godsdiensten ontwikkelen in korte tijd nieuwe rituelen, kunststijlen en corpora van kennis waarin elementen uit de Indiase, Iranese, joodse en hellenistische tradities in specifieke en blijvende vormen worden samengevoegd;

* in plaats van goddelijke hulp bij de verwerving van wereldlijke rijkdom en bescherming te beloven, proberen deze religies de aspiraties van de mens op een eeuwigdurende, bovenaardse wereld te richten (hemel, nirwana, hereniging met Sjiva en Krisjna, paradijs); de morele regels voor het dagelijks leven zijn streng en worden bekrachtigd door de angst voor een eeuwig verblijf in de hel, of, in het geval van de hindoeïsten en boeddhisten, een eindeloze reeks weinig gelukkige reïncarnaties; tegelijk maakt de hoop op herstel in een volgend leven de oneerlijkheid en het leed op aarde draaglijker

                        - In zware tijden is de instandhouding van de hoop het mooiste geschenk dat de nieuwe religies de mens te bieden hebben; de verbreiding van deze religies heeft dan ook tot resultaat dat de sociale differentiatie van de beschaafde samenleving eenvoudiger gehandhaafd, hersteld en uitgebreid kan worden; deze congruentie verklaart het duidelijke verband tussen de indrukwekkende groei van deze verlos­sings­religies en de snelle verbreiding van beschaafde staten over Eurazië en Afrika

* de nieuwe godsdiensten maken van de aalmoes een godsdienstige verplichting om steun te bieden aan bijvoorbeeld de armen, zieken en wezen;

* daarnaast bieden succesvolle religieuze gemeenschappen vaak economische voordelen, zoals al snel ervoren werd door de handelaren die zich tot de islam bekeren

- in veel rijken wordt een mobiele godsdienst uitgeroepen tot staatsgodsdienst; er is daarbij sprake van een vage verbintenis tussen de heersers en de godsdiensten: de officiële bescherming van religieuze instellingen — kloosters, tempels, kerken, moskeeën en madrassa´s (koranscholen) — zijn gunstig voor zowel gever als ontvanger van bescherming, maar beperkt de absolute macht van de koning of keizer, want hij wordt geacht dezelfde morele en religieuze regels te gehoorzamen als zijn onderdanen; grote vraag: als de koning moreel en religieus tekortschoot, moet de gelovige dan in opstand komen? het sektarisch verzet tegen de gevestigde heerschappij (bijv. boeddhistische sekten in China of islamitische sekten in het Midden-Oosten) hangt samen met een bevestigend antwoord op deze vraag

* in 226nC komt de eerste Sassanidische monarch aan de macht door zijn steun te geven aan een herleefde en herziene vorm van het zoroastrisme; na 651 raakt het zoroastrisme echter in verval doordat de Iraniërs massaal overlopen naar de islam

* in 312 kiest de Romeinse keizer Constantijn onomwonden voor het christendom, maar verbiedt de traditionele heidense geloven of andere godsdiensten niet; in 395 wordt het christendom alsnog de enige legitieme godsdienst van het Romeinse Rijk

* in 317 omhelst een Noord-Chinese heerser het boeddhisme; de confuciaanse en taoïstische overtuigingen leven echter nog sterk onder de conservatieve geleerden en landeigenaren, die een afkeer hebben van buitenlandse ideeën en praktijken; in 845 bewegen confucianen de Tang-keizer ertoe duizenden boeddhistische kloosters te sluiten en hun grootgrondbezit te confisqueren; het boeddhisme leeft ondergronds verder

* rond 320 kiest de Indiase Gupta-dynastie voor het hindoeïsme (i.t.t. tot hun boeddhis­tische voorgangers, de Maurya´s (321-184vC); hoewel de rijke boeddhistische kloosters in India ook tijdens de Gupta-dynastie floreren, neemt de invloed van het boeddhisme af

- Rond 1000 nC hebben de zendelingen een christelijk continent van Europa gemaakt, met enkele heidense enclaves langs de zuidkust van de Oostzee; de Litouwers bekeren zich in 1387 als laatste tot het christendom

- De nieuwe religies geven oude tradities in de kunst en het denken een nieuwe glans, verspreiden waar zij komen de geletterdheid en bieden miljoenen mensen toegang tot een gemeenschappelijke wereld van zingeving; de diverse beschavingen worden geken­merkt door een vertrouwdheid met en eerbied voor regels en rituelen gebaseerd op heilige teksten

- de opmars van boeddhisme, hindoeïsme, christendom en islam gaat gepaard met de verzwelging of ondergang van tientalle godsdiensten

 

AMERIKA EN OCEANIË

- Midden-Amerikaanse beschavingen:

* Maya´s (600vC-840nC) – tijdens de klassieke Maya-beschaving (250-840) ontstaat er nieuwe welvaart door verbeterde landbouw; de heersende elite gebruikt deze welvaart om stenen paleizen, tempels en pleinen te bouwen, die met talloze beelden worden versierd; ook ontwerpt men een schrift (pas in 1960 volledig ontcijferd) en een kalender met een wiskundige notatie­methode (inclusief het concept ‘nul’) om data vast te stellen; dit leidt tot zulke nauw­keurige resultaten dat wij die data kunnen omzetten naar de dagen en jaren van onze huidige kalender; de Mayaheersers, die leiding geven aan rivaliseren­de stadstaten, ontlenen hun recht op macht aan hun afkomst, aan de mogelijkheid om via rituelen de gunst van de goden te krijgen, en aan het gebruik van militaire macht.

- tussen 900 en 1100 verlaten de Maya´s de laaglanden, een migratie die vermoedelijk wordt veroorzaakt door een combinatie van politieke onrust en een plotselinge afname van de bestaans­middelen als gevolg van grote droogte; in de eeuwen die volgen leven de Maya’s van de kap-en-brandlandbouw en kent hun samenleving geen steden of een uitgebreide sociale hiërarchie

* Tolteken (800-1050) – de stad Teotihuacán voert enige tijd (ca. 100-700) een soort heerschappij over een groot deel van het Mexicaanse binnenland, de Maya-steden incluis; rond 650 wordt de stad echter geplunderd en na een onrustige periode nemen de Tolteken, die hun basis hebben in Tula, de rol van heersers over; ze regeren van 800 tot 1050 over een iets minder groot gebied; schriftelijke verslagen ontbreken

- Polynesiërs vestigen zich op Paaseiland, Hawaï (400), Nieuw-Zeeland (1300) m.b.v. drijver

      * deze reizen veronderstellen de uitvinding van de drijver, waarmee een kano zelfs

      op turbulent zeewater in balans kan blijven; de Polynesische kolonisten op deze

      afgelegen eilanden staan echter niet in verbinding met de rest van de wereld

© 2007 Evert Jan Ouweneel

10.000-1000 vC 3500 vC -200 nC 200-1000 nC 1000-1500 nC 1450-1800 nC