|
- In 1450 350-400 miljoen mensen op aarde,
waarvan 60-120 miljoen in Midden/Zuid-Afrika, Oceanië en Amerika
(buiten Oude-Wereldweb); in 1800 zo’n 900 miljoen mensen op
aarde
- Eurazië-Afrika, Oceanië en Amerika zijn
stuk voor stuk gebieden:
* waar de kosten van transport en informatie
betrekkelijk gering zijn
* waar men betrekkelijk makkelijk iets te
weten komt over omstandigheden elders
* waar relatief probleemloos gereisd kan
worden
* waar goederen, ideeën en, onbedoeld,
ziekten worden uitgewisseld
- Vandaar dat in deze webben:
* de culturele diversiteit aanzienlijk
vemindert, doordat men zich al dan niet vrijwillig aanpast aan
een geringer aantal waarden en normen
* de economische diversiteit toeneemt,
doordat verschillende gemeenschappen zich in uiteenlopende
activiteiten specialiseren
* doeltreffender gebruikt wordt gemaakt van
de beschikbare middelen, wat weer tot grotere welvaart leidt,
die overigens erg ongelijk is verdeeld
- Al met al zijn de samenlevingen binnen de
diverse webben:
* rijker, machtiger en hiërarchischer dan de
samenlevingen erbuiten
* in de 15de eeuw leidt de combinatie van
wetenschap en vakmanschap tot:
- snel/sterk/wendbaar schip, goedkoper,
geschikt voor zwaar geschut en alle
zeeën
- nieuwe navigatiekennis: inzicht in grote
lucht- en zeestromingen, i.c.m. de kunst om astronomische
waarnemingen om te zetten in een redelijk goede plaatsbepaling.
* In 1788 leven in Australië mogelijk
750.000 aboriginals, maar de schattingen lopen sterk uiteen; ze
doen niet aan landbouw, al branden ze wel stelselmatig stukken
land af om een goede habitat te creëren voor de planten die zij
graag verzamelen en de dieren waarop zij graag jagen; de
aboriginals leven in kleine, mobiele groepen die losjes
georganiseerd zijn in vijf- tot achthonderd ‘stammen’ die,
althans in het droge binnenland, handel drijven, bruiden
uitwisselen en elkaar steunen, ook al zijn ze soms honderden
kilometers van elkaar verwijderd; met enige regelmaat vliegen ze
elkaar ook in de haren; als in 1788 schepen vol Engelse
gevangenen arriveren, aanvankelijk vooral kleine dieven uit
Londen, worden de aboriginals afgeslacht, verdrongen of door
ziekte geveld; al in 1845 zijn er meer kolonisten dan
aboriginals; het aantal kolonisten zal dan alleen nog maar
toenemen en het aantal aboriginals alleen nog maar slinken
- Het samengaan van alle webben en de
verspreiding van het wereldwijde web is voornamelijk het werk
van de Atlantische Europeanen; zij zijn de Mongolen van de
zee:
* net als de Mongolen hebben zij een militair
voordeel (vanaf 1450 beschikken ze over het scheepskanon) en
aarzelen ze niet om dat uit te buiten
* net als de Mongolen hebben ze geen moeite
om bondgenoten te vinden die in ieder geval op de korte termijn
grote voordelen in een samenwerking zien
* en net als de Mongolen leggen zij met hun
overwinningen, slachtpartijen en inlijvingen een stevige basis
voor een ongekende consolidatie van sociaal en ecologisch
interactieve netwerken
- Zuid-Afrika is duizenden jaren lang
de thuisbasis van herders, de Khoikhoi, en jager-verzamelaars,
de San; al met al leven er misschien 50.000 mensen in het
Kaapgebied; vanaf 1488 wordt het gebied plotseling en volledig
opgeslokt door het web: Portugese en later, na 1600, Nederlandse
schepen op weg naar de Indische Oceaan onderbreken hun reis bij
Kaap de Goede Hoop om water en voedsel in te slaan en te
herstellen van de ontberingen.
* in 1652 vestigt de Verenigde Oost-Indische
Compagnie daar een permanente post
* omdat de Khoikhoi en de San niet de
voorraden kunnen leveren die voor de lange zeereizen nodig zijn,
brengt de VOC vanaf 1670 boeren naar de Kaap, waardoor het
gebied verandert in een landbouwkolonie
* van meet af aan is men hier afhankelijk
van de slaven die gekocht of geroofd worden van de Khoikhoi, of
die uit India, Indonesië, Madagaskar en (vanaf de 18de
eeuw steeds vaker) uit Mozambique worden gehaald
* de economie richt zich steeds meer op de
behoeften van de passerende schepen, en tarwe, vlees, wijn en
prostituees waren dan ook toonaangevend
* 1713: een schip waarvan het linnengoed aan
wal wordt gewassen, brengt pokken mee; een kwart van de
inwoners van Kaapstad en 90% van de Khoikhoi overlijdt hieraan:
in 1755 en tussen 1770 en 1780 slaat de ziekte nogmaals toe en
maakte nu niet alleen slachtoffers onder de Khoikhoi, maar ook
onder de Bantoes ten oosten van de Kaap, in de Zuid-Afrikaanse
streken die we nu Transkei en Natal noemen
* de Nederlandse taal en het calvinisme van
de Hervormde Kerk verspreiden zich over de slavengemeenschap en
de vrije Khoikhoi; rond 1700 zijn er genoeg moslims om bij de
VOC een verzoek in te dienen voor de bouw van een moskee
* rond 1800 wonen er in het Kaapgebied
ongeveer 20.000 voor het merendeel Nederlandse kolonisten en
25.000 slaven, veelal afkomstig uit zuidelijk Afrika
SLAVENHANDEL
- Belang/omvang van slavenhandel wijzigt als
web wordt uitgebreid met vele kustgebieden
* 1441: Portugezen nemen voor het eerst
zwarte Afrikanen gevangen en beginnen een kleinschalige
slavenhandel op Portugal en later op Madeira en de Canarische
Eilanden
* succes van de suikerplantages aldaar wordt
gevolgd door ontwikkeling van plantages in achtereenvolgens São
Tomé, op eilanden voor de Afrikaanse kust, en in Brazilië
* 1534: begin transatlantische slavenhandel
op Brazilië, eerst vooral vanaf de kusten van wat nu Senegal en
Ghana heet, in 18de eeuw ook vanuit Mozambique en
Oost-Afrika
* 1780-1790: hoogtepunt: jaarlijks bijna
80.000 slaven over de Atlantische Oceaan
- Slachtoffers:
* 25 miljoen slaven worden naar de
Afrikaanse westkust gebracht
* 15 miljoen slaven overleven en worden
verscheept
* 10 miljoen slaven overleven de
overtocht
- Bestemming:
* 40% naar Brazilië
* 40 % naar het Caraïbisch gebied
* 5 % naar de Verenigde Staten
- Alles draaide om de handel (suiker vindt
gretig aftrek in Europa, tabak vindt overal aftrek)
- Om deze producten in Amerika te kunnen
telen, een gebied dat qua windrichting gunstig ligt voor de
Europese markt, zijn een hoop sterke armen nodig; er zijn
onvoldoende Indianen voorhanden, die bovendien gemakkelijk
kunnen vluchten in een voor hun vertrouwde omgeving;
plantage-eigenaren huren Europese contractarbeiders (en een paar
Ierse en Schotse slaven), maar vinden die vanaf 1640 te duur en
te zwak (velen sterven aan malaria en gele koorts rond 1650);
Afrikaanse slaven zijn minder duur (hoewel niet goedkoop) en
kunnen in het tropische Amerika beter overleven; men besluit ze
daarom te kopen
- Waarom verkopen Afrikanen hun
mede-Afrikanen als slaven aan de Europeanen:
* mensen zijn schaars in Afrika; de rijkdom
van een man wordt daarom vaak berekend in termen van mensen: hoe
meer kinderen, vrouwen, bedienden en slaven van hem afhankelijk
waren, hoe groter zijn status, rijkdom, macht en veiligheid
* nu kan een veroverde slaaf in opstand
komen, en een slaaf die nog te dicht bij huis is kan weglopen;
het is dus gunstig ongewenste slaven uit te leveren aan
kusthandelaren, in ruil voor wapens of porseleinslakken; met de
wapens kan men weer nieuwe slaven veroveren en met de
porseleinslakken (een betaalmiddel) kan men de eigen familie en
het aantal bedienden uitbreiden
* de voorkeur gaat uit naar vrouwen en
kinderen omdat die in Afrika doorgaans op het land werken en
trouwer zijn dan mannen; ook biedt een familie meer emotionele
bevrediging; ten derde betaalt de Atlantische markt meer voor
mannen dan voor vrouwen en kinderen.
* Afrikaanse slavenhandelaren trekken zich
niets aan van het lot van de slaven, want van een
gemeenschappelijke Afrikaanse identiteit is geen sprake
- De gevolgen van de slavenhandel zijn niet
voor ieder gelijk: sommige volken worden van de kaart geveegd;
terwijl het dunbevolkte Midden-Afrikaanse regenwoud onaangetast
blijft
- De Afrikaanse kusthandelaren leren de
Europese talen vloeiend spreken, en een enkeling neemt Europese
kledinggewoonten en manieren over
© 2007 Evert
Jan Ouweneel
|