| Websophia | NRC-Next artikelen | Uw reactie |
Drie lessen voor Amerikaanse presidenten met een democratiseringsdrang
Ooit dacht president Bush de democratie te kunnen vestigen in Irak. Dat dacht hij nog meer toen hij geen massavernietigingswapens vond in Irak. Maar ook al daarvoor ging Bush ervan uit dat Irak na Saddam Hoessein een oase van democratische vrijheid zou kunnen worden. En zou Irak eenmaal zijn gevallen voor de vrijheid, dan zou de rest van het Midden-Oosten vanzelf een keer volgen, was zijn verwachting. Het liep, zoals bekend, heel anders. De Irakezen hebben weinig van hun nieuwe vrijheid kunnen genieten sinds de val van de dictator in 2003. Irak is weggezakt in een bloedige burgeroorlog, etnische en religieuze minderheden worden vervolgd, en wat een bevrijdingsleger had moeten zijn wordt door velen als een bezettingsleger opgevat.
Een dramatische misrekening. Wat zag Bush over
het hoofd? In ieder geval hield hij geen rekening met de condities waaraan
een democratie sinds lang moet beantwoorden om gezond en stabiel te zijn.
Daarom drie lessen voor presidenten met een democratiseringsdrang, ontleend
aan drie steden waar ooit een democratie ontstond: Athene, Washington en
Berlijn. Voordeel: weinig ruimte voor vriendjespolitiek of despotisme. Want behalve de militaire leiders werden alle bestuurders aangewezen door het lot, iedere bestuurder werd gecontroleerd door de Volksvergadering, en voor je goed en wel aan het besturen was moest je alweer stoppen. Bovendien kon je voor tien jaar worden verbannen, wanneer men meende dat je een gevaar vormde voor de democratie. Nadeel: Atheense bestuurders waren te kort aan de macht om echt bedreven te raken in het vak. En omdat er zoveel burgers mochten meepraten, kwam het dikwijls aan op charisma en retoriek. Vooral burgers van arme en eenvoudige komaf waren hier ontvankelijk voor. Aristocraten, die van huis uit het politieke spel en de overredingskunst hadden meegekregen, wisten de macht naar zich toe te trekken. Andere burgers (vooral degenen met een koopmansachtergrond) waren eveneens bespraakt en wisten op hun beurt de arme boeren tegen de rijke aristocraten uit te spelen. Politieke schandalen en valse aanklachten werden ingezet om aan macht en rijkdom te winnen. Gelijk krijgen was vaak belangrijker dan gelijk hebben. En gelijk kregen dikwijls niet de gematigde en verbindende politici, maar de radicale en polariserende politici. Wat kan een Amerikaanse president met democratiseringsdrang hiervan leren? Dat democratisch bestuur een bepaalde vaardigheid en weerbaarheid vereist. Teveel onervaren burgers in een democratie versterkt de positie van aristocraten, stamhoofden, geestelijk leiders en rijke kooplieden, omdat deze vertrouwd zijn met macht en geoefend zijn in retoriek. Ook maakt een overmaat aan onervarenheid de democratie tot een vrijplaats van populisten en demagogen. Een gezonde democratie vereist een brede debatcultuur waarin burgers zélf nadenken over politieke kwesties, mee kúnnen praten en mee mógen praten, en nooit het algemeen belang uit het oog verliezen.
Irak heeft nooit zo’n debatcultuur gekend, laat
staan een brede. Van de Turkse Ottomanen, die 400 jaar over Irak regeerden,
tot en met Saddam Hussein bepaalde de sunnitische minderheid het beleid en
had de sji’itische meerderheid zich daarnaar te voegen. En ook onder de
sunnieten was er nauwelijks ruimte voor debat, want eerst was een sultan,
toen een koning en toen een dictator de baas. Voordeel: Amerikanen kunnen een hoop tegenslagen verwerken zonder dat meteen het gevaar dreigt van een burgeroorlog of revolutie. Ze verwachten weinig van de overheid en geven elkaar veel ruimte omdat ze zijn ingesteld op zelfredzaamheid. Hebben mensen toch hulp nodig, dan zorgen Amerikanen vooral zélf voor elkaar, met name in kerkverband. Nadeel: als Amerikaanse burgers elkaar niet helpen, doet de overheid vaak ook niets en kunnen mensen volkomen aan hun lot worden overgelaten. Wat kan een Amerikaanse president van zijn eigen land opsteken? Dat een stabiele democratie een zekere zelfredzaamheid van haar burgers vraagt. Niet zoveel zelfredzaamheid dat sommige zwakken hiervan de dupe worden (voegen wij Europeanen graag toe), maar wel zoveel dat de meeste burgers ook zónder sterke overheid voor zichzelf en elkaar kunnen zorgen.
In het Joegoslavië van Tito en het Irak van
Saddam Hussein werden de vele etnische en religieuze partijen bijeengehouden
door een dictator. Toen echter Tito in 1980 overleed en Hussein in 2003 werd
afgezet, moesten burgers ineens zelfredzaam worden en lós van een sterke
leider zien samen te leven. Dat bleek ontzettend moeilijk. De oorlogen in
het Joegoslavië van de jaren negentig en de huidige burgeroorlog in Irak
maakt dit schrijnend duidelijk.
Wat valt hiervan te leren? Dat een democratie
alleen gezond en stabiel functioneert wanneer voldoende mensen het goed
genoeg hebben. Mensen die een uitzichtloos bestaan leiden, staan open voor
communisme, fascisme, nazisme of religieus extremisme. Amerika besefte dit
na de Tweede Wereldoorlog en pompte ruim 12 miljard dollar in het
geruďneerde Europa. Oók in Duitsland. Dit artikel verscheen op 12 augustus 2008 in NRC-Next. |
| Websophia | NRC-Next artikelen | Uw reactie |