|
1. HEDENDAAGS PESSIMISME (hoofdstuk 1)
-
optimisme aan het begin van de 19e eeuw, tot aan de Eerste
Wereldoorlog
-
Eerste Wereldoorlog ondermijnt Europees zelfvertrouwen → eerste
pessimisme
-
Tweede Wereldoorlog
-
technisch mogelijk om hele bevolkingsgroepen uit te roeien: joden,
koelakken, ´totale oorlog´
-
in het 19e eeuwse vooruitgangsgeloof werd menselijk kwaad
geassocieerd met een achterlijke maatschappijvorm. De
holocaust vond echter plaats in één van de meest
geavanceerde, beschaafde en ontwikkelde landen van Europa.
Dat roept de vraag op: Als economische ontwikkeling,
onderwijs en beschaving geen waarborg vormen tegen een
verschijnsel als het nazisme, wat is dan de zin van het
historisch proces?
-
20ste eeuwse pessimisme:
-
moderne wetenschap brengt niet alleen vooruitgang
(vernietigingswapens, milieurampen)
-
twijfel aan de menselijke redelijkheid en de liberale democratie als
redelijkste oplossing
-
Europese zelfdestructie logenstrafte het idee van een superieure westerse
rationaliteit
-
gebrek aan vertrouwen in democratie leidt tot geloof in levenskracht van
totalitaire staten
-
communisme wordt door velen als totalitair alternatief voor liberale
democratie gezien
-
politieke volwassenheid houdt in dat we de wereld accepteren zoals ze is
en niet zoals wij willen dat ze is
-
Henry Kissinger, jaren zeventig: “In deze tijd worden we voor het eerst
in onze geschiedenis geconfronteerd met de naakte
waarheid dat de [communistische] uitdaging niet
verdwijnt.”
-
in de jaren tachtig zien de meeste ´progressieven´ in Europa en Amerika
voor zichzelf geen toekomst meer in het
sovjetcommunisme. Men blijft echter overtuigd van
de legitimiteit van het marxisme-leninisme voor ánderen
(hoe verder hoe gepaster: Rusland, China, Cubanen,
Nicaraguanen, Vietnamezen, derde wereld)
2. VAL VAN RECHTSE MILITAIR-AUTORITAIRE STATEN (hoofdstuk 2)
-
de
legitimiteitscrisis van rechtse militair-autoritaire staten
-
ernst v. crisis in dictaturen ontging ons door ongeloof in democratie
(=geloof in sterke staten)
-
kritieke zwakte van sterke staten is het gebrek aan legitimiteit (crisis
op het niveau van ideeën)
-
legitimiteit is een relatief begrip dat in de subjectieve beleving van
mensen bestaat
-
waarom mensen trouw aan Hitler: omdat ze in de legitimiteit van zijn
gezag geloofden
-
minderheidsdictatuur mogelijk; legitimiteitscrisis = crisis binnen de
dragende elites
-
fascisme geen universele leer, want het ontkent het bestaan van algemene
menselijkheid
-
dictaturen hebben vaak wel een doel voor de korte, maar niet voor
de lange termijn
-
voorbeelde van korte termijn doelen: eliminering van terrorisme (Junta in
Argentinië), herstel van maatschappelijke orde
(Griekenland), beëindigen van economische chaos
-
geen basis voor legitimiteit op de lange duur: grote fouten leiden dan tot
de val van het hele regime (terwijl in een democratie ten
hoogste het kabinet valt)
-
“Legitimiteit is wel eens vergeleken met een soort kasreserve. Alle
regeringen, hetzij democratisch hetzij autoritair, maken
soms moeilijke tijden door; maar alleen legitieme
regeringen kunnen in noodgevallen op deze reserve
terugvallen.” (65)
-
voorbeelde van een val door falen:
-
Dictatuur in Portugal valt in 1976 door niet te winnen koloniale oorlog
in Afrika
-
Griekse kolonelsregime valt in 1974 door dreiging van oorlog met Turkije
-
Argentijnse Junta valt in 1983 door nederlaag in oorlog om de
Falklandeilanden
-
Peru krijgt in 1980 burgerregering (na legerregime) door sociaal-economische
problemen
-
het cliché ´niemand staat vrijwillig macht af´ blijkt lang niet altijd
op te gaan!
3.
VAL VAN LINKSE COMMUNISTISCH-TOTALITAIRE STATEN (hoofdstuk 3)
-
veel militaire dictaturen in Latijns-Amerika hadden heel specifieke
idealen en hebben de burgermaatschappij, d.w.z. het domein van
particuliere belangen, alleen willen beheersen, niet
vernietigen
-
totalitarisme, zoals het sovjet-communisme en fascisme,
onderscheidt zich hiervan doordat het een alomvattende visie
op het leven van de mens heeft, zodat ook politieke partijen,
pers, vakbonden en de kerk worden aangepakt
-
doel van het sovjet-totalitarisme: niet alleen van de vrijheid worden
beroofd, maar de vrijheid ook vrezen, zichzélf ketenen en zo
kiezen voor orde en veiligheid
-
dit paste men toe op de Russen, een ras “gebroken door slavernij”
(Custine, 19e eeuw)
-
vgl. de roman One Flew over the Cuckoo´s Nest uit 1962 van Ken
Kesey
-
de totalitaire staat had niet alleen het eeuwige leven, zo dacht men,
maar kon zich ook als een virus over de hele wereld
verspreiden.
-
de vele tekortkomingen van het sovjetsysteem, met name de economische
malaise, leidde tot een legitimiteitscrisis van het hele
systeem
-
er bleek maar één consistent normenstelsel te zijn waarnaar het oude
systeem, óók door de machthebbers, kon worden beoordeeld
en veroordeeld: dat van de liberale democratie, dat wil
zeggen, de productiviteit van een marktgerichte economie
en de vrijheid van een democratische politiek
-
toen men na de dood van Stalin niet meer koos voor pure terreur (die ook
voor de uitvoerders ervan onvoordelig is), verschoof het
machtsevenwicht tussen staat en samenleving in het
voordeel van de samenleving:
-
de staat controleerde niet meer alle aspecten van het leven; corruptie
floreerde
-
er ontstond, óók in Oost-Europa, een “post-totalitair” regime (Václav
Havel): de democratische gedachte kon in deze
samenlevingen niet worden uitgeroeid, maar de erfenis
van het totalitarisme remde het democratiseringsproces
-
China is nog een dictatuur, maar het regime heeft geen greep meer op
belangrijke delen van de maatschappij; ook vertoont het
land niet meer de ideologische samenhang die het
marxisme-leninisme het eens verleende
-
Het economisch wonder van Oost-Azië deed China beseffen dat zij
achterliep en door de socialistische planeconomie
gedoemd was tot armoede en achterlijkheid. De daaropvolgende
Chinese liberalisering door Deng Xiaoping (in 1978)
leidde in vijf jaar tot een verdubbeling van de
graanproductie en bewees de effectiviteit van het
marktprincipe. Van 1978 tot de onderdrukking in 1989
herstelde de burgermaatschappij zich zeer snel in de
vorm van spontane bedrijfsorganisaties, ondernemers,
informele verenigingen, enz.
-
De Chinese leiders meenden hun legitimiteit eerder te kunnen behouden als
ze zich inzetten voor de modernisering en hervorming
van China dan als ze de marxistische leer koppig
bleven verdedigen.
-
Zowel Gorbatsjov als de Chinese leiders voerden economische hervormingen
door om hun positie te consolideren, hetgeen echter
neerkwam op meer burgelijke vrijheden, wat weer kon leiden
tot openlijk protest, zoals de studenten op het plein van
de Hemelse Vrede in 1989: de protesterende studenten
wilden niet alleen economische vrijheid, maar ook
politieke vrijheid!
-
machtswisseling is in totalitaire staten altijd een hachelijke zaak:
omdat de opvolging niet constitutioneel geregeld is, beloven
kandidaten fundamentele hervormingen (die in feite het hele
systeem ter discussie stellen m.b.v. liberale ideeën als
enige alternatieve normenstelsel!) om hun rivalen te slim af
te zijn, wat weer nieuwe verwachtingen wekt, waar de
manipulator geen greep meer op heeft
-
“[het totalitarisme is er niet in geslaagd een nieuwe mens te vormen]
Al vertonen de mensen in de Sovjetunie en de Volksrepubliek
China talloze typische ´posttotalitaire´ trekjes, ze blijken
niet de geatomiseerde, afhankelijke, naar gezag hunkerende
kinderen te zijn die ze volgens de vroegere westerse theorieën
zouden zijn. Ze zijn volwassenen die waar van onwaar en goed
van kwaad kunnen onderscheiden, mensen die net als andere
volwassenen in de nadagen van de mensheid erkenning van hun
volwassenheid en autonomie verlangen.” (63)
4. DE WERELDOMVATTENDE LIBERALE REVOLUTIE (hoofdstuk 4)
-
Fukuyama´s opvatting van liberalisme
-
Fukuyama´s opvatting van democratie
-
democratie: het universele recht om deel te hebben aan de
politieke macht, dat wil zeggen het recht van alle burgers
om te stemmen en te participeren in de politiek
-
het recht op participatie in de politieke macht is het belangrijkste
liberale recht; daarom is het liberalisme van oudsher nauw
verbonden met democratie.
-
Fukuyama´s formele definitie van democratie, ter beoordeling van
landen: “Een land is democratisch als het volk het
recht heeft zijn eigen regering te kiezen in periodieke,
geheime verkiezingen met verschillende partijen op basis
van algemeen en gelijk stemrecht voor volwassenen.”
-
Liberalisme en democratie gaan niet altijd samen
-
een land kan liberaal zijn zonder heel democratisch te zijn
(Groot-Brittannië in de 18e eeuw; alleen een
kleine maatschappelijke elite geniet een reeks rechten,
waaronder stemrecht)
-
een land kan democratisch zijn, maar niet liberaal (Iran, een land met
democratische verkiezingen maar met weinig/geen vrijheid
van meningsuiting, vergadering of godsdienst)
-
Economisch liberalisme
-
De wereldomvattende liberale revolutie
-
Het aantal mogelijkheden om een land politiek en economisch te
organiseren is steeds verder afgenomen. Van de
verschillende soorten regimes staat alleen de liberale gedachte
nog overeind.
-
voor een zeer groot deel van de wereld bestaat er momenteel geen
ideologie, die aanspraak kan maken op universele
geldigheid en die het liberalisme bedreigt
-
er bestaat geen ander universeel legitimiteitsprincipe dan de
soevereiniteit van het volk
-
alleen de islam (met een vijfde van de wereldbevolking als achterban)
vormt, net als het liberalisme en het communisme, een
systematische en samenhangende ideologie met een eigen
moraal en eigen regels voor politieke en sociale
rechtvaardigheid; maar buiten gebieden die in
cultureel opzicht al islamitisch zijn, heeft hij
nauwelijks aantrekkingskracht
-
“We kunnen ons geen wereld indenken die wezenlijk verschilt van de
huidige en tegelijk beter is. Ook in andere tijden, waarin
minder werd nagedacht, heeft men gemeend dat die tijd de
beste was, maar wij komen als het ware uitgeput tot deze
conclusie, moe van alle alternatieven die we hebben
beproefd omdat we dachten dat ze wel beter moesten zijn
dan de liberale democratie.” (72)
-
zijn er kansen voor de liberale democratie alleen maar tijdelijk
teruggekeerd of is er een ontwikkeling op langere
termijn gaande die uiteindelijk alle landen naar de
liberale democratie zal voeren?
-
is de huidige tendens naar democratie misschien toch een cyclisch
verschijnsel en zal ooit het verval weer zijn intrede
doen?
-
is het bovendien mogelijk dat de huidige crisis van het autoritarisme
slechts een meevaller is? vielen de autoritaire
systemen niet om toevallige gebeurtenissen?
-
“De democratie heeft weliswaar niet altijd gezegevierd in de wereld,
maar er valt toch een uitgesproken tendens naar democratie
te bespeuren.” (tabel, blz. 74-75)
-
1. het is net zo ondenkbaar dat steden en auto´s in de nabije toekomst
uit de ontwikkelde wereld zouden verdwijnen als dat de
slavernij zou terugkeren
-
2. even indrukwekkend als de groei van het aantal democratieën is het
feit dat de democratische bestuursvorm ook is
overgenomen door niet-westerse delen van de wereld met
andere politiek, religieuze en culturele tradities.
-
3. de principes van vrijheid en gelijkheid, het fundament van de
democratie, zijn blijkbaar niet toevallig, noch het
gevolg van een etnocentrisch vooroordeel; ze zeggen
iets over de natuur van de mens
-
“De vraag of er zoiets bestaat als een Universele Geschiedenis van de
mensheid waarin de ervaringen van alle tijden en alle
volken zijn opgenomen, is een zeer oude vraag, maar de
recente gebeurtenissen dwingen ons haar opnieuw te
stellen. Van meet af aan stond in de meest serieuze en
systematische pogingen om een Universele Geschiedenis te
schrijven de geschiedenis als ontwikkeling van de Vrijheid
centraal. De geschiedenis was geen willekeurige
aaneenschakeling van gebeurtenissen, maar een zinvol
geheel waarin ideeën over een rechtvaardige politiek en
maatschappelijk bestel werden ontwikkeld en uitgewerkt. En
als we ons nu geen radicaal andere wereld dan de onze
kunnen voorstellen, een wereld waarin ons huidige bestel
duidelijk fundamenteel is verbeterd, moeten we rekening
houden met de mogelijkheid dat de Geschiedenis ten einde
is.” (76)
5. DE UNIVERSELE GESCHIEDENIS (hoofdstuk 5)
-
Niet
alle volken en culturen trachten een Universele Geschiedenis
te schrijven. En hoewel de westerse filosofische en
historische traditie in Griekenland is begonnen, hebben ook de
schrijvers van de Griekse oudheid nooit een dergelijk project
ondernomen.
-
De
Grieken hadden geen grote verwachtingen van de toekomst.
Eerder was er sprake van een kosmisch kringloopidee. Plato
beschrijft in de Staat een bepaalde natuurlijke cyclus
van staatssystemen, en de Politica van Aristoteles
gaat over de vraag hoe revoluties ontstaan en hoe het ene
type staatssysteem wijkt voor het andere. Aristoteles meende,
dat geen enkele staatsvorm de mens volledig kon bevredigen
en dat deze ontevredenheid leidde tot een eindeloze cyclus
waarin de mens de ene staatsvorm verwisselde voor de andere.
-
In
de 20ste eeuw zien wij deze cyclusgedachte
terugkeren bij de gedesillusioneerde denkers Oswald Spengler
en Arnold Toynbee, die evenmin een lineaire, uniforme ontwikkeling
(laat staan vooruitgang) in de geschiedenis zien, maar een
cyclische beweging in de geschiedenissen van de verschillende
volken, doordat zij ieder afzonderlijk onderworpen blijken te
zijn aan dezelfde wetten van groei en verval.
In
de bijbel
komen wij als eerste de gedachte van een
Universele Geschiedenis tegen.
© 2005 Evert
Jan Ouweneel
|