|
1. IS DE GESCHIEDENIS DOELGERICHT? JA, DOOR DE WETENSCHAP (hoofdstuk 6)
-
even afgezien van de vraag of de mens er ook
gelukkiger of in ethisch opzicht beter van wordt
-
verloopt de geschiedenis cyclisch, dan moet het
bewustzijn van vorige stadia volledig verdwijnen
-
verloopt de geschiedenis doelgericht, dan moet kennis
de sleutel zijn tot deze doelgerichtheid
-
moderne wetenschappen zijn onmiskenbaar cumulatief en doelgericht
-
i.t.t. schilderkunst, poëzie, muziek of architectuur
(volgende schilder niet beter)
-
wetenschap bouwt voort op zichzelf
-
mens keert niet terug tot de staat van onwetendheid
-
resultaten niet onderhevig aan menselijke grillen;
natuurwetten niet te veranderen
-
wetenschap heeft het karakter van menselijke samenlevingen mede
bepaald
-
jagers hadden een andere samenleving dan metaalbewerkers
-
aristotelische wetenschap nauw verbonden met
Grieks-christelijke cultuur
-
moderne wetenschap (16e/17e eeuw)
maakt kennis tot universeel bezit
-
door dit universele karakter van kennis lijken moderne
samenlevingen op elkaar
-
eerste richtinggevend mechanisme: militaire competitie
-
uit zelfbescherming moet een staat superieure
technologie v.d. vijand overnemen
-
sterker nog: oorlogsdreiging dwingt tot herstructurering
van sociale systemen
-
staten moeten een bepaalde grootte hebben om met buren te
concurreren
-
mogelijkheid tot mobilisatie v.e. leger (daartoe
stemrecht aan de armen)
-
sterk centraal staatsgezag moet belastingen heffen en
wetten uitvaardigen
-
regionale, religieuze en familieverbanden onderworpen
aan de staat
-
opleidingsniveau moet hoog genoeg zijn ter bediening van
de technologie
-
vb. 1:
grote monarchieën voerden in 17e eeuw slechts 3
v.d. 100 jaar géén oorlog; oorlogsfinanciering
vroeg om een een sterk centraal staatsgezag, waarbij
aristocratische privileges aan banden werden gelegd (nivellering
– nieuwe sociale groeperingen – mogelijkheid tot Franse
revolutie)
-
vb. 2:
soortgelijk
proces in Ottomaanse rijk en Japan
-
vb. 3:
Gorbatsjovs
perestrojka; m.n. het Strategic Defense Initiative (SDI)
van de V.S. maakte Moskou duidelijk dat het de competitie tussen de twee ideologische
systemen niet zou kunnen volhouden zonder interne hervormingen
-
tweede richtinggevend mechanisme: economische ontwikkeling
-
natuurbeheersing ter bevrediging van menselijke behoeften
-
wijzigend perspectief van productiemogelijkheden, nauw verbonden met de
ontwikkeling v.e. steeds rationeler wordende arbeidsorganisatie
(of arbeidsdeling)
-
industriële samenleving moet overwegend stedelijk zijn vanwege de
benodigde geschoolde arbeidskrachten, infrastructuur en diensten
-
efficiënte arbeidsmarkt vereist mobiele en almaar bijscholende
arbeiders die niet verbonden zijn aan een baan, plaats of sociaal
verband
-
dit betekent een ondermijning van trad. soc. groepen als stammen,
clans, families, religieuze sekten enz. t.b.v. bureaucratische
organisatievormen
-
mensen worden aangenomen o.b.v. scholing, niet o.b.v. familie of status
en prestaties worden naar vaststaande, universele maatstaven
afgemeten
-
vb. 1: 19e eeuws
Amerika: 80% eigen baas; 20e eeuws Amerika: 10% eigen
baas, rest maakt deel uit van een bureaucratische organisatie
-
vb. 2: door druk v.
economische rationalisering houdt maffia wel stand i.h. relatief
onderontwikkelde zuiden en niet i.h. geïndustrialiseerde noorden
van Italië
2. IS DE RICHTING VAN DE GESCHIEDENIS OMKEERBAAR? NEE, DOOR DE WETENSCHAP
(hoofdstuk 7)
-
kan de moderne wetenschap doelbewust worden afgewezen
door bestaande maatschappijen?
-
vader van de anti-technologische doctrines
is Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
-
de natuurlijke mens is tevreden omdat hij al tevreden is als hij geen
honger heeft en een dak boven zijn hoofd; moderne economieën
daarentegen maken mensen alleen maar ontevreden/ongelukkig,
doordat zij een kunstmatige wereld creëren van angst, hoop en
verwachting, en met iedere behoefte die zij bevredigen weer nieuwe
behoeften scheppen
-
kan bijv. een radicale milieubeweging het hele moderne concept v.d.
verovering v.d. natuur omverwerpen, evenals de technologische
beschaving die erop berust?
-
nee, want mensen willen niet de zegeningen van de moderne maatschappij
opgeven en terugkeren naar de uitputtende arbeid van een arme
boer; zéker niet als de buren wel de vruchten blijven plukken van
de moderne technologie
-
de technologische ontwikkeling bevriezen leidt tot de
vraag, waarom het leven op een willekeurig gekozen technologisch
peil nu eigenlijk zo bevredigend zou zijn
-
de technologische vernieuwing op zeer selecte basis toestaan leidt tot
de vraag, wie beslist welke technologieën aanvaardbaar zijn
-
bovendien bestaan de meest realistische oplossingen voor de
milieuproblemen waarschijnlijk in het creëren v. alternatieve of
milieu beschermende technologieën
-
kan een wereldramp het onvrijwillige verlies van de
moderne wetenschap tot gevolg hebben?
-
stel een desastreuze wereldoorlog of milieuramp leidt tot een opleving
van antimoderne en antitechnologische religies; zelfs de
vernietiging van moderne wapens en de specifieke kennis voor hun
fabricage kan de herinnering aan de productiemethode niet wegnemen
-
bovendien dwingt één slechte alle goede staten al om technologisch
bij te blijven
-
de moderne wetenschappen zijn zo machtig, zowel in goede als in
kwade zin, dat het zeer twijfelachtig is of ze ooit vergeten of ´ont-ontdekt´
zouden kunnen worden als de menselijke soort niet feitelijk wordt
uitgeroeid; en is de progressie van de wetenschap onomkeerbaar,
dan is ook de geschiedenis die daaruit voortvloeit onomkeerbaar
3. LEIDT WETENSCHAP TOT KAPITALISME IN DE GEÏNDUSTRIALISEERDE
SAMENLEVING? (hoofdstuk 8)
4. LEIDT WETENSCHAP TOT KAPITALISME IN DE ONDERONTWIKKELDE SAMENLEVING?
(hoofdstuk 9)
-
de aanhoudende armoede van de onderontwikkelde wereld
blies het marxisme nieuw leven in
-
heersende doctrine: de afhankelijkheidstheorie
-
in 1914 legde Lenin uit waarom in kapitalistische landen de
levensstandaard was gestegen en de vakbonden tevreden waren; het
kapitalisme had namelijk de uitbuiting verplaatst naar de kolonieën
met hun inheemse arbeid en grondstoffen; Lenin stelde dat de
uiteindelijke tegenstrijdigheid die het kapitalisme ten val brengt
geen strijd is bínnen de ontwikkelde wereld (zoals Marx meende),
maar de klassenstrijd tussen het ontwikkelde Noorden en het ´wereldproletariaat´
in de onderontwikkelde wereld
-
opvolger is de Argentijnse econoom Raul Prebisch (jaren vijftig): het laat
ontwikkelde Zuiden is eeuwig afhankelijk van het rijke Noorden
doordat het Noorden de wereldmarkt afsluit voor moeilijk te
fabriceren goederen als auto´s en vliegtuigen, zodat het Zuiden
alleen grondstoffen en andere basisproducten kan aanleveren
-
verschillende scholen van de afhankelijkheidstheorie in de jaren zestig
baseren zich op het werk van Prebisch
-
gematigde dependencistas negeren westerse multinationals en
moedigen lokale industra aan door hoge tariefmuren tegen import
(importsubstitutie); radicale afhankelijkheidstheoretici zoeken de
revolutie, terugtrekking uit het kapitalistische handelssysteem en
integratie in het sovjetblok naar het voorbeeld van Cuba
-
in de jaren zeventig, als men de zwakke basis van het marxisme in
landen als China en de Sovjetunie ziet, blaast men de
afhankelijkheidstheorie nieuw leven in als formule voor de
toekomst van de onderontwikkelde landen
-
afhankelijkheidstheorie achterhaald door economische ontwikkeling
van Oost-Azië
-
het Azië van na de oorlog toont aan dat late moderniseerders in feite
een voordeel hebben in vergelijking met de gevestigde industriële
mogendheden
-
westerse multinationals leverden Azië markten, kapitaal en technologie
in ruil voor goedkope arbeidskracht
-
modernste technologieën konden hierdoor worden overgenomen zonder de
last van een verouderde en inefficiënte infrastructuur
-
vb. 1: in
1949 hadden Taiwan en China grofweg dezelfde levensstandaard;
in 1989 was de levensstandaard in Taiwan ruim 21 keer hoger dan in
China
-
vb. 2: in 1960 hadden Noord-Korea en Zuid-Korea ongeveer dezelfde
levensstandaard; in 1989 was de levensstandaard in Zuid-Korea ruim 4 keer hoger dan in Noord-Korea
-
hoewel economische planning in Azië groter dan in de V.S., blijken de
sectoren met de meeste binnenlandse concurrentie en integratie in
internationale markten in Azië het meest succesvol
-
het naoorlogse economische wonder in Azië bewijst dat het kapitalisme
in principe voor alle landen openstaat
-
waarom zijn andere marktgerichte economieën buiten
Azië niet even snel gegroeid?
-
mercantilisme als obstakel voor economische groei
-
Noord-Amerika erfde de filosofie, traditie en cultuur van Locke´s
liberale Engeland, Latijns-Amerika erfde de feodale instituties
v.h. 17e en 18e eeuwse Spanje en Portugal
-
mercantilisme: de kroon of een elite is de economische
opperbaas en zowel de hele productie als alle commerciële
activiteiten zijn afhankelijk van speciale vergunningen,
monopolierechten en handelsprivileges
-
elite werd door eigen regeringen beschermd tegen internationale
concurrentie d.m.v. importsubstitutie
-
daardoor moesten lokale producenten zich beperken tot kleine
binnenlandse markten, waardoor ze geen kostenverlaging door
productie op grotere schaal konden realiseren
-
in de 20e eeuw: koppeling van eeuwenoud mercantilisme aan
het linkse verlangen naar ´sociale rechtvaardigheid´ en de
afhankelijkheidstheorie. Gevolg:
-
veel te grote, inefficiënte staatsorganen die proberen de economische
activiteiten rechtstreeks te manipuleren of ze te bedelven onder
regels
-
Brazilië: veel te veel staatsbedrijven die niet failliet kunnen gaan
en waarbij de verdeling van banen een kwestie van politieke gunst
is; prijzen worden door politieke onderhandelingen met machtige
vakbonden bepaald
-
Peru: zoveel voorschriften rond het opzetten van nieuwe bedrijven met
zoveel kosten, dat arme mensen geen formele ondernemer kunnen
worden, met als gevolg een ´informele´ economie die een kwart
tot een derde van het BNP produceren
-
Argentinië: in 1913 is het gemiddeld inkomen vergelijkbaar met dat van
Zwitserland, in 1992 is nog maar éénzesde van Zwiterland; het
verval kan rechtstreeks worden teruggevoerd op het toepassen van
importsubstitutie in reactie op de economische wereldcrisis van de
jaren dertig
-
volgens schrijver Mario Vargas Llosa heeft het economisch liberalisme
in Latijns-Amerika in feite nooit bestaan, wel een vorm van
mercantilisme, waarbij sprake is van “het verlenen van
monopolies of bevoorrechte posities aan een kleine elite die
afhankelijk is van de staat en waarvan de staat zelf weer
afhankelijk is”
-
Azië toont aan dat onderontwikkelde landen in 1 of 2 generaties de
achterstand kunnen inhalen
-
het moderniseringsproces eiste zijn tol, maar de ontberingen en
moeilijkheden van de arbeidersklasse in landen als Japan,
Zuid-Korea, Taiwan en Hongkong vallen in het niets vergeleken bij
de massale sociale terreur die op de bevolking van de Sovjetunie
en China werd uitgeoefend
-
de logica van de moderne wetenschappen bevordert inzicht in
economisch eigenbelang
5. LEIDT WETENSCHAP TOT DE LIBERALE DEMOCRATIE? (hoofdstuk 10)
-
wereldwijd is er een sterke correlatie tussen
sociaal-economische modernisering en democratisering
-
meest geavanceerde economie (West-Europa en N-Amerika) ook
stabielste democratie
-
hoe hoger het ontwikkelingsniveau van Aziatische landen hoe
democratischer ze zijn
-
meest geavanceerde economie van Oost-Europa ook het snelst
democratisch
-
de enige afwijkende regio is het Midden-Oosten: niet stabiel, toch
rijk (verklaring: olie)
-
drie soorten argumenten waarom industrialisatie tot
een liberale democratie zou moeten leiden
-
de democratie werkt beter dan een dictatuur, omdat veel van de
conflicten die zich tussen opkomende sociale groepen ontwikkelen
ofwel door het rechtsysteem ofwel uiteindelijk door het politieke
systeem beslecht moeten worden
-
de democratische politieke systemen reageerden veel sneller op de
ecologische bewustwording in de jaren zestig en zeventig dan de
dictaturen op de wereld; verklaring: democratieën staan deelname
en dus ook feed-back toe (zoals het protest van een lokale
gemeenschap tegen een uiterst giftige chemische fabriek), zonder
feed-back zullen regeringen altijd geneigd zijn grote bedrijven
die een belangrijke bijdrage leveren aan de nationale welvaart te
bevoordelen boven de belangen op de lange duur van kleine groepen
individuele burgers
-
bezwaar tegen dit argument: het vermogen van een democratie om conflicten vreedzaam op te lossen is
het grootst, wanneer deze conflicten ontstaan tussen ´belangengroeperingen´
waartussen al geruime tijd consensus bestaat over de regels van
het spel, en wanneer de conflicten primair economisch van aard
zijn; de democratie is niet bijzonder goed in het oplossen van
klassentegenstellingen door geërfde sociale status en geschillen
tussen diverse etnische en nationale groepen
-
vb. 1: Amerikaanse democratie niet in staat dat te doen wat nodig
is om zwarten volledig te assimileren en van een formele
kansengelijkheid tot een brede voorwaardengelijkheid te komen
-
vb. 2: een formele democratie
in derde-wereldlanden als de Filippijnen en Peru maskeert slechts
de ongelijkheid in welvaart, prestige, status en macht die de
elite kan aanwenden om het democratisch proces te beteugelen
-
een zich moderniserende dictatuur kan in principe veel effectiever zijn
dan een democratie als de voorwaarden moeten worden geschapen voor
economische groei en, na verloop van tijd, een stabiele democratie
-
“Kapitalisme gedijt het best in een mobiele en egalitaire
maatschappij met een ondernemende middenklasse die de traditionele
landeigenaren en andere geprivilegeerde, maar economisch inefficiënte
sociale groepen opzij heeft gezet; als een zich moderniserende
dictatuur dwang gebruikt om dit proces te versnellen, maar niet
zwicht voor de verleiding om geld en macht van een inefficiënte
traditionele klasse van landeigenaren over te hevelen naar een
even inefficiënte overheidssector (Latijns-Amerika), dan is er
geen enkele reden waarom deze dictatuur economisch strijdig zou
zijn met de modernste vormen van ´postindustriële´ economische
organisatie.” (146)
-
op grond van deze redenering riepen Andranik Migranjan en andere
sovjetintellectuelen [anno 1992] om een ´autoritaire overgang´
naar een markteconomie in de Sovjetunie door een nationaal
presidentsambt met dictatoriale macht in te stellen
-
democratie komt uiteindelijk op als een bijverschijnsel van een
machtsstrijd tussen niet-democratische linkse of rechtse elites
-
als alternatief voor onophoudelijke machtsstrijd en arbitraire
dictatuur komen er steeds routineuzer en geïnstitutionaliseerder
procedures om nieuwe leiders te selecteren en het beleid door te
lichten; als dergelijke procedures om van leider te veranderen
bestaan, kunnen de verantwoordelijken voor een slecht beleid
worden vervangen zonder het hele systeem omver te werpen
-
variant: de democratie vloeit voort uit een compromis tussen
elitegroepen – het leger, technocraten, de industriële
bourgeoisie – die door uitputting, frustratie of doordat ze
elkaars ambities in de weg staan, bij gebrek aan beter akkoord
gaan met een regeling waarbij de macht wordt gedeeld
-
bezwaar tegen dit argument: als de democratie voor niemand de eerste keus is, zal zij niet erg
stabiel zijn; er is eerder sprake van een soort wapenstilstand
tussen strijdende facties en is kwetsbaar voor een wijziging in
het machtsevenwicht die ertoe zou kunnen leiden dat een bepaalde
groep of elite opnieuw aan de macht komt
-
een voortgaande industrialisatie levert maatschappijen met een
geschoolde middenklasse op, en deze maatschappijen vereisen
participatie en gelijke rechten
-
ondanks de inkomensverschillen die vaak optreden in de eerste fasen van
industrialisatie, tendeert economische ontwikkeling uiteindelijk
naar een algemene nivellering omdat ze een enorme vraag creëert
naar een breed, geschoold arbeidspotentieel; door onderwijs gaan
mensen ook meer van en voor zichzelf eisen; ze verwerven met
andere woorden een bepaald gevoel voor waardigheid dat ze
gerespecteerd willen zien door hun medemensen en door de staat;
een dergelijke nivellering en zelfbewustwording stimuleert mensen
oppositie te voeren tegen politieke systemen die deze nivellering
niet respecteren of niet alle mensen erin laten delen
-
variant: de wetenschappelijk-technische elite die nodig is om een
moderne industriële economie te leiden, zal uiteindelijk een
grotere politieke liberalisatie eisen, omdat wetenschappelijk
onderzoek alleen kan gedijen in een sfeer van vrijheid en in een
open uitwisseling van ideeën
-
bezwaar tegen dit argument: als het doel van een land in de
eerste plaats economische groei is, dan zou misschien niet de
liberale democratie of het socialisme als winnaar uit de bus
komen, maar de combinatie van liberale economie en autoritaire
politiek die sommigen de naam ´bureaucratisch-autoritaire staat´
hebben gegeven en die wij ook een ´marktgericht autoritarisme´
zouden kunnen noemen
-
“Marktgerichte autoritaire regimes snoepen van twee walletjes: ze
kunnen de bevolking dwingen tot een relatief hoge graad van
maatschappelijke discipline, terwijl ze voldoende vrijheid laten
voor innovatie en de toepassing van de modernste technologieën.”
(149)
-
vb. het industriële beleid functioneerde in Taiwan alleen omdat de
staat de planners kon afschermen van politieke druk zodat ze zich
op de markt konden richten en efficiënte beslissingen konden
nemen; het functioneerde met andere woorden omdat Taiwan níet op
democratische wijze werd geregeerd
-
de logica van de moderne wetenschappen en het erdoor aangedreven
industrialisatieproces wijzen niet in één bepaalde politieke
richting, zoals ze dat wel doen in de economische sfeer
-
het mechanisme dat ten grondslag ligt aan onze doelgerichte
geschiedenis, kan zowel tot een bureaucratisch-autoritaire als een
liberale toekomst leiden
-
we moeten dan ook de verklaring van de huidige crisis in
het autoritarisme en van de democratische revolutie die overal op
de wereld plaatsvindt, elders zoeken
6. IS HET MOGELIJK EEN UNIVERSELE GESCHIEDENIS TE SCHRIJVEN? (hoofdstuk
11)
7. HET TEKORT VAN EEN ZUIVER ECONOMISCHE BENADERING (hoofdstuk 12)
© 2005 Evert
Jan Ouweneel
|