|
1. DE EERSTE MENS ALS NIET GECULTIVEERDE MENS; DE MENS ALS MENS
(hoofdstuk 13/14)
2. MEER OVER HET VERLANGEN NAAR ERKENNING (hoofdstuk 15/16)
3. MEGALOTHYMIA ALS HET VERLANGEN NAAR SUPERIORITEIT (hoofdstuk 17)
4. DE ONTWIKKELING VAN SLAAF TOT MEESTER (hoofdstuk 18)
5. DE UNIVERSELE EN HOMOGENE STAAT (hoofdstuk 19)
-
Hegels nobeler beeld van het liberalisme
-
Hobbes en Locke zagen de liberale maatschappij als een onderlinge
afspraak van gelijke burgers om van elkaars leven en eigendom af
te blijven (rationeel eigenbelang)
-
voor Hegel is de liberale maatschappij een onderlinge afspraak van
gelijke burgers om elkaar te erkennen (rationele erkenning),
d.w.z. erkenning op een universele basis waarbij de waardigheid
van ieder mens als vrij en autonoom wezen door allen wordt erkend
-
de innerlijke ´tegenstrijdigheid´ van de relatie tussen meester en
slaaf werd opgelost in een staat waarin een synthese tot stand
kwam tussen de moraal van de meester en die van de slaaf; het
onderscheid tussen meesters en slaven werd afgeschaft en de
voormalige slaven werden de nieuwe meesters, niet van andere
slaven, maar van zichzelf; in deze nieuwe synthese bleef iets
bewaard van zowel de horigheid als de heerschappij, namelijk de
arbeid van de slaaf en het bevredigende gevoel erkend te worden
van de meester
-
een vorm van irrationele erkenning is bijvoorbeeld de nationalistische
of racistische staat, want het onderscheid tussen de ene groep
mensen en de andere is een toevallig en willekeurig
bijverschijnsel van de geschiedenis v.d. mens met dezelfde impasse
als de prestigestrijd tussen aristocratische meesters: de ene
natie wordt meester en de andere slaaf, voor beide is de erkenning
onvolledig
-
de liberale staat als rationele, universele, homogene, openbaar
bediscussieerde staat
-
de liberale staat is rationeel, omdat hierin de rivaliserende eisen om
erkenning met elkaar worden verzoend op de enig mogelijke basis
die voor alle partijen aanvaardbaar is, namelijk op basis van de
menselijkheid van het individu
-
deze rationaliteit blijkt uit het feit dat de liberale universeel is,
d.w.z. alle leden worden erkend omdat ze mensen zijn en niet omdat
ze lid zijn van een of andere nationale, etnische of raciale groep
-
deze rationaliteit blijkt ook uit het feit dat de liberale staat
homogeen is, omdat deze staat een klasseloze maatschappij schept
waarin het onderscheid tussen meesters en slaven is afgeschaft
-
de rationaliteit blijkt ten slotte ook uit het feit dat deze staat
welbewust is gefundeerd op duidelijke en alom bekende principes
-
de liberale staat vertegenwoordigt een vorm van rationeel
zelfbewustzijn, omdat mensen in een samenleving voor het eerst hun
ware aard leren kennen en in staat zijn een politieke gemeenschap
te vormen die met deze aard in overeenstemming is
-
de erkenning bestaat in de toekenning en bescherming van de rechten
van ieder mens:
-
recht op leven, recht op bezit, recht op thymotische meningen
(waaronder religieuze overtuigingen), recht op participatie in de
regering, en recht op meediscussiëren over belangrijke
beleidskwesties (bijv. als ambtenaar)
-
in een liberale staat is de erkenning tussen staat en burgers
wederzijds: de staat geeft de burgers rechten en de burgers
spreken af de wetten van de staat te gehoorzamen; de geldigheid
van deze rechten wordt alleen beperkt als ze met elkaar in strijd
zijn, d.w.z. als het uitoefenen van het ene recht de uitoefening
van het andere onmogelijk maakt
-
wetenschap en erkenning in de Universele Geschiedenis
-
de universele homogene staat die aan het einde van de geschiedenis
verschijnt, rust dus op het dubbele fundament van economie en
erkenning; het eraan voorafgaande historische proces is gevoed
door de progressie van de moderne natuurwetenschappen en de strijd
om erkenning.
-
de eerste volgt uit het verlangende deel van de ziel dat in de
vroeg-moderne tijd werd vrijgemaakt en zich richtte op de
ongelimiteerde accumulatie van rijkdom; dit werd mogelijk gemaakt
door een verbond tussen verlangen en rede: het kapitalisme is
onlosmakelijk verbonden met de moderne natuurwetenschappen.
-
de strijd om erkenning stamt daarentegen uit het thymotische deel van
de ziel; de strijd werd gevoed door de werkelijkheid van de
slavernij, die voor de slaaf strijdig was met zijn droom van
meesterschap in een wereld waarin alle mensen vrij en gelijk waren
voor het aangezicht van God
-
iedere beschrijving van het historische proces, iedere echte
Universele Geschiedenis, is onvolledig zonder een verklaring van
deze beide fundamenten, zoals ook iedere beschrijving van de
menselijke persoonlijkheid onvolledig is zolang geen rekening is
gehouden met het verlangen, rede en thymos
-
de keuze voor democratie is een keuze ter wille van erkenning, niet ter
wille van het verlangen; de economische ontwikkeling schept echter
bepaalde voorwaarden waardoor deze keuze gemakkelijker wordt en
wel om twee redenen:
-
de economische ontwikkeling geeft de slaaf een idee van
meesterschap
-
de economische ontwikkeling schept de behoefte aan algemeen onderwijs,
wat een sterk nivellerend effect heeft
-
de economie schept een soort praktische gelijkheid voordat deze
wettelijk wordt
-
als mensen uit niets anders dan rede en verlangen bestonden, zouden ze
volkomen tevreden zijn met een leven in Zuid-Korea onder een
militaire dictatuur, of onder het verlichte technocratische
bestuur van Franco in Spanje, of in een door de Kwomintang geleid
Taiwan waar snelle economische groei prioriteit heeft; en toch
bestaan de burgers van deze landen uit meer dan alleen verlangen
en rede: ze zijn trots op en overtuigd van hun waardigheid en ze
willen dat die waardigheid dan ook wordt erkend, in de eerste
plaats door de regering van het land waarin ze wonen
-
“Het verlangen naar erkenning is dus de
ontbrekende schakel tussen liberale economie en liberale politiek.
We hebben gezien hoe een hoge mate van industrialisering een
verstedelijkte maatschappij schept met mobiele en steeds beter
opgeleide burgers die vrij zijn van traditionele gezagsvormen als
die van de stam, de priester of het gilde. We hebben gezien dat er
een sterke empirische correlatie bestond tussen dit soort
samenlevingen en de liberale democratie, al konden we die
correlatie niet volledig verklaren. De zwakke plek in ons
verklaringsschema was het feit dat we de keuze voor de liberale
democratie economisch probeerden te verklaren op grond van het
verlangende deel van de ziel. We hadden echter naar het
thymotische deel, naar het verlangen naar erkenning, moeten
kijken. Want de maatschappelijke veranderingen waarmee
industrialisering gepaard gaat, met name de veranderingen in
opleidingsniveau, lijken te leiden tot een vraag om erkenning die
onder armere en minder hoog opgeleide mensen niet bestond. Als
mensen rijker, kosmopolitischer en beter opgeleid zijn, eisen ze
niet slechts meer rijkdom maar ook erkenning van hun status. Uit
deze niet-economische, niet-materiële impuls is te verklaren
waarom mensen in Spanje, Portugal, Zuid-Korea, Taiwan en de
Volksrepubliek China niet alleen een markteconomie maar ook een
vrije regering door en voor het volk eisten.” (231)
© 2005 Evert
Jan Ouweneel
|