deel 1 deel 2 deel 3 deel 4 deel 5

Samenvatting van Francis Fukuyama´s Het einde van de Geschiedenis, deel 3: "De strijd om erkenning" Het einde van de geschiedenis en de laatste mens

Evert Jan Ouweneel

1. DE EERSTE MENS ALS NIET GECULTIVEERDE MENS; DE MENS ALS MENS (hoofdstuk 13/14)

  • Fukuyama bedoelt met Hegel eigenlijk ´Hegel door de bril van Kojčve´

    • het gaat Fukuyama meer om de ideeën dan om Hegel of Kojčve

  • beschrijving van de ´eerste mens´ als gedachtenexperiment

    • Hobbes, Locke en Rousseau maken ook gebruik van dit middel: door de ´natuurlijke´ mens te beschrijven, ontdaan van culturele eigenschappen (nationaliteit, status, religie), komen die eigenschappen bloot te liggen die alle mensen als mens gemeen hebben

    • de ´natuurtoestand´ volgens Thomas Hobbes is een oorlog van ´allen tegen allen´ door wedijver, wantrouwen en vooral ijdelheid (als negatieve aanduiding voor trots, zelfrespect)

      • maatschappelijke oplossing voor vrede: opgeven van ijdelheid uit zelfbehoud; ofwel: verlangen naar erkenning ondergeschikt maken aan de drang tot zelfbehoud

        • mensen niet ´zedelijker´ dan andere dieren; zelfbehoud is het fundamentele zedelijke feit: alle begrippen van recht en rechtvaardigheid zijn voor Hobbes verankerd in het rationele streven naar zelfbehoud

        • het fundamentele mensenrecht is het recht op leven, d.w.z. op het behoud van ieders lichamelijke bestaan, en de enige legitieme regering is een regering die dat leven kan behouden en een terugval in de oorlog van allen tegen allen kan verhinderen

      • heerser is de Leviathan als de ´Koning over alle jonge, hoogmoedige dieren´

      • soeverein heerser noodzakelijk ter onderdrukking van de ´hoogmoedigen´

    • John Locke vervangt Hobbes´ absolute monarchie door een beperkte regeringsvorm, nl. een constitutioneel regime dat zijn gezag ontleent aan de instemming v.d. onderdanen

      • ook Locke ziet in de ´natuurtoestand´ het gevaar van oorlog of anarchie en de noodzaak de mens tegen zijn eigen gewelddadigheid te beschermen

        • ook in de oplossing van Locke is het verlangen naar erkenning opgeofferd aan de drang tot zelfbehoud; Locke (en later Jefferson, Madison enz.) veronderstelde, dat de angst voor een geweld­dadige dood en het verlangen naar zelfbehoud en comfort sterk genoeg is om het verlangen naar erkenning te smoren bij iedere rationele mens die zijn eigenbelang kent

      • zelfbehoud is de meest fundamentele hartstocht en het recht op leven het fundamentele recht waaruit alle andere rechten kunnen worden afgeleid

      • naast het recht op een lichamelijk bestaan benadrukt Locke ook het recht op een comfortabel en potentieel rijk bestaan, oftewel het recht op particulier bezit

    • Locke´s liberalisme is echter onbevredigend

      • deze beperkte visie op de mens creëert een nieuw type individu, de bourgeois: dit is de mens die zich uitsluitend bezighoudt met zijn onmiddellijke zelfbehoud en materiële welvaart, slechts in de gemeenschap om hem heen geďnteresseerd voor zover deze zijn particuliere belangen bevordert

      • de lockeaanse mens hoeft geen gemeenschapszin te kennen, niet vaderlands­lievend, dapper, vrijgevig te zijn of zich te bekommeren om het welzijn van zijn naasten; zoals Kant al zei, kan een liberale maatschappij ŕ la Locke bestaan uit duivels, als ze maar rationeel zijn

      • Hegels visie op de mens is nobeler en geeft ook een betere verklaring voor al die conflicten in de geschiedenis die niet volledig in termen van economisch eigen­belang kunnen worden vertaald; Hegel beschouwt het verlangen naar erkenning als de fundamentele behoefte van de mens die in een liberale democratie niet onderdrukt wordt, maar juist bevredigd is

    • Hegels ´eerste mens´ deelt met de dieren zijn behoefte aan voedsel, slaap, onderdak en voortbestaan, maar hij heeft óók behoefte aan iets dat hem van de dieren onderscheidt, nl. erkenning

      • mensen kennen waarde toe aan zichzelf, anderen, dingen of principes en willen dat anderen deze waarde erkennen

        • de mens is dus een gemeenschapswezen, wezenlijk op anderen gericht

        • contra de wezenlijke zelfgerichtheid van Hobbes en Locke

      • nu wil de mens ook erkend worden als mens, en hij meent dat hij als mens meer waarde heeft dan een dier omdat hij vrij is, en wat is vrijheid: tegen je eigen dierlijke instincten ingaan, met name de instinctieve drang tot zelfbehoud, hetgeen erop neerkomt dat je pas waarlijk vrij bent als je je leven waagt!

        • de mens wil dus erkend worden als meester over de natuur

        • deze hang naar meesterschap richt zich ook tot de medemens (waarom?), zodat er al spoedig een bloedig gevecht ontstaat met de medemens, waarin de een de ander probeert te dwingen tot erkenning van zijn meesterschap

        • de eerste die zich uit angst voor een gewelddadige dood aan de ander onderwerpt, is de slaaf van de meester geworden (niemand moet sterven!)

        • dit leidt tot de eerste primitieve samenleving die gekenmerkt wordt door de ongelijke relatie van heerschappij en horigheid

    • Terwijl Hobbes en Locke vanuit de ´natuurtoestand´ meteen de vreedzame burgermaatschappij zien ontstaan, is er bij Hegel dus nog een belangrijke tussenfase die ook meer recht doet aan de geschiedenis, namelijk de fase van een gestratificeerde samenleving: de monarchie of aristocratie

      • veel traditionele aristocratische maatschappijen zijn voortgekomen uit het ´krijgsethos´ van nomadenstammen die meer sedentaire volken konden overwinnen doordat ze meedogenlozer, wreder en moediger waren

    • Hegel veronderstelt dus een zedelijke vrijheid van de mens, dit is de vrijheid van de mens om zélf, óngedetermineerd, regels te stellen en te volgen

      • deze vrijheidsopvatting staat in schril contrast tot die van Hobbes en Locke; in de Angelsaksische traditie is de vrijheid van mens en dier gelijk en komt zij neer op de afwezigheid van externe dwang: ongehinderd doen wat men wil doen

        • een mens of aap die een banaan wil eten, is vrij als niets hem hindert in het eten van die banaan

        • de wil is hier de laatste begeerte in het redeneren, en de rationaliteit staat weer geheel in dienst van de drang tot zelfbehoud, zodat dit ook aan dieren kan worden toegeschreven

      • wij kunnen niet bewijzen dat wij zedelijk vrij zijn en ongedetermineerd kunnen bepalen wat goed en kwaad is, maar het is wel een belangrijk psychologisch verschijnsel, want alle mensen doen alsof zij een vrije wil hebben

2. MEER OVER HET VERLANGEN NAAR ERKENNING (hoofdstuk 15/16)

  • het begrip ´erkenning´ is al zo oud als de westerse politieke filosofie

    • Plato had het over thymos, Machiavelli over eerzucht, Hobbes over trots of ijdelheid, Rousseau over amour-propre, Alexander Hamilton over de zucht naar roem, James Madison over ambitie, Hegel over erkenning en Nietzsche over de mens als het ´blozende dier´

      • het verlangen naar erkenning is bij uitstek het politieke gedeelte van het menselijk karakter, want juist dit verlangen brengt de mens ertoe zich boven anderen te stellen en drijft de mens tot Kants toestand van ´asociale sociabiliteit´

      • het is dus niet verwonderlijk dat voor veel filosofen het centrale probleem van de politiek wordt gevormd door het temmen of beteugelen van het verlangen naar erkenning op een wijze die de hele politieke gemeenschap dient

      • in de moderne politieke filosofie is dat zo goed gelukt dat wij burgers van moderne egalitaire democratieën het verlangen naar erkenning in onszelf vaak niet eens meer als zodanig herkennen

    • het gevoel van waarde, met name eigenwaarde, is bij Plato als thymos (bezieling, hart, vuur) het derde deel van de ziel, naast de epithymia (het verlangen of de begeerte) en de rede. Het kan ook een aangeboren gevoel voor rechtvaardigheid worden genoemd

      • Wanneer anderen ons behandelen alsof wij minder waard zijn dan ons gevoel van eigenwaarde ons vertelt, dan ervaren wij woede.

      • Voldoen wij zélf niet aan ons gevoel van eigenwaarde, dan voelen wij schaamte

      • Worden wij beoordeeld in overeenstemming met ons gevoel van eigenwaarde, dan voelen wij trots.

        • er is nog verschil tussen thymos en het ´verlangen naar erkenning´, want het is mogelijk dat men een thymotische trots voelt zonder dat deze trots bevestigd wordt door de erkenning van anderen

    • een voorbeeld van Václav Havel maakt duidelijk dat in ieder mens de thymos huist

      • een groenteboer in een communistisch land plaatst in zijn etalage een kaartje waarop staat: “Proletariërs aller landen, verenigt u!”; eigenlijk is hij bang en zou hij moeten schrijven “Ik ben bang en aan mijn gehoorzaamheid bestaat dan ook geen twijfel”, maar dit schrijft hij niet op het kaartje, want hij zou zich generen en schamen voor zo´n ondubbelzinnig blijk van zelfvernedering; hij probeert zijn gevoel van eigenwaarde te redden door zich in zijn uiting van onderwerping te verbergen achter de façade van iets verhevens, namelijk de vrije gehoorzaamheid aan een ideologie; zijn boodschap luidt nu: “ik gedraag me zoals van mij verwacht wordt, ik ben gehoorzaam en heb daarom het recht met rust gelaten te worden”

      • de groenteboer gelooft dat hij een zekere waarde heeft, die te maken heeft met het vermogen te kiezen; hij gelooft dat hij ´beter is dan´ zijn natuurlijke angsten en verlangens

      • Havel verwijt het communisme, dat het gewone mensen heeft vernederd door hen te dwingen tot talloze onbeduidende en minder onbeduidende morele compro­missen met hun betere ik; het heeft veel grondiger dan het ´bourgeois´ libera­lisme de verlangende kant van de ziel versterkt ten koste van de thymotische kant

      • in het Westen misleiden mensen zichzelf niet in naam van het socialisme, maar in naam van idealen als ´zelfverwerkelijking´ of ´persoonlijke groei´

    • Thymos geeft krachtige emotionele steun aan het proces van waarderen en taxeren, waardoor mensen hun sterkste natuurlijke instincten kunnen overwinnen om te doen wat volgens hen goed of rechtvaardig is.” (197) – mensen waarderen/taxeren:

      • zichzelf, en voelen zich verontwaardigd namens zichzelf

      • anderen, en voelen woede namens anderen (bijv. een feministe of een Europese tegenstander van het apartheidssysteem in Zuid-Afrika)

    • de thymos is echter niet alleen de psychologische zetel van rechtvaardigheid en onbaatzuchtigheid, maar tegelijk nauw verwant met menselijke zelfzucht

      • het thymotische zelf eist erkenning voor zijn eigen gevoel voor de waarde van dingen, zowel van zichzelf als van anderen; het verlangen naar erkenning blijft een vorm van zelfbewustzijn, een projectie van iemands waarden op de buitenwereld

      • er is echter geen enkele garantie dat het rechtsgevoel van de één overeenkomt met dat van de ander; het is een subjectief gevoel dat tot conflicten kan leiden wanneer mensen erkenning eisen voor twee verschillende waarderingen (zoals bijv. de positie van de zwarten in het apartheidssysteem)

    • door het zelfbewuste karakter van thymos worden thymos en verlangen vaak met elkaar verward; maar verlangen in de zin van begeerte (epithymia) is een verlangen naar iets materieels, thymos is een verlangen naar iets ideëels

  • voorbeelden van thymotische woede

    • vb. 1: wanneer men net als Hobbes de wil reduceert tot verlangen en rede, dan staakt een arbeider alleen maar om economische redenen; maar de woede die bij loonconflicten ontstaat, heeft zelden iets te maken met het absolute loonniveau, maar meer met het feit dat de directie met haar aanbod de waardigheid van de arbeider onvoldoende ´erkent´; dat verklaart waarom stakers veel kwader worden op stakingsbrekers dan op de directie

    • vb. 2: in zijn Theory of Moral Sentiments schrijft Adam Smith: “Met sympathie, voldoening en waardering te worden gezien, verzorgd en opgemerkt, dat is het voordeel waar­op we hopen. Het is de ijdelheid, niet het gemak of het plezier waar het ons om gaat. Maar ijdelheid berust altijd op de overtuiging dat we het object van aandacht en goedkeuring zijn. De rijke is trots op zijn rijkdom, omdat hij meent dat hij daardoor vanzelf de aandacht van de wereld krijgt en dat de mensheid geneigd is hem te volgen in alle aangename gevoelens die de voordelen van zijn situatie zo gemakkelijk bij hem opwekken. [..] De arme man daarentegen schaamt zich voor zijn armoede. Hij meent dat hij daardoor buiten het gezichtsveld van de mensheid valt, of dat de mensen, als ze hem al opmerken, nauwelijks enig medegevoel zullen hebben met zijn ellende en ontberingen.”

    • vb. 3: veel mensen die officieel arm zijn in de Verenigde Staten, zijn nog altijd rijker dan de rijke mensen in bepaalde derde wereldlanden; de laatsten voelen zich echter rijker doordat zij vergelijken met hun landgenoten de rijken zijn en niet de armen

    • vb. 4: alleen de armste en de rijkste landen neigen naar stabiliteit; de landen die zich economisch moderniseren, zijn in politiek opzicht het minst stabiel omdat groei aanleiding geeft tot nieuwe verwachtingen en eisen

      • aan de vooravond van de revolutie hadden de Franse boeren het juist wat beter; maar zij voelden hun relatieve gebrek veel beter

    • vb. 5: de abortuskwestie had nauwelijks economische betekenis, maar zowel de voor- als de tegenstanders waren verontwaardigd: de ene partij namens de geaborteerde foetussen en namens het gekrenkte moederschap, de andere partij namens de vrouwen en hun ongelijkheid t.o.v. de man

    • vb. 6: Ralph Ellison over het racisme in Amerika: het meest kwetsende is het feit dat een zwarte in de ogen van veel blanken een ´onzichtbaar mens´ is, iemand die niet echt gehaat is, maar ook niet als medemens wordt gezien; armoede maakte de onzichtbaarheid alleen maar erger

    • vb. 7: de bekende en aloude kritiek op het communisme in Oost-Duitsland wekte bij lange na niet zo´n thymotische woede als de televisiebeelden van de residentie van Honecker (overigens niet groter dan het huis van een welvarende West-Duitser)

    • vb. 8: thymotische woede speelde een sleutelrol als katalysator van de revoluties in 1989 in Leipzig, Praag, Timişoara, Beijing of Moskou; hun hartstochtelijke woede werd gewekt door hun subjectieve beoordeling van betrekkelijk kleine onrechtvaardig­heden als het arresteren van een dominee (László Tökes), de vermeende moor op een student (Praag) of de weigering van hoge functionarissen om een lijst eisen in ontvangst te nemen (China)

  • citaten

    • 1. “De verlangende mens, de homo economicus, de echte bourgeois, zal een ´kosten-batenanalyse´ maken die hem altijd wel een reden zal geven om ´binnen het systeem´ te blijven werken. Slechts de thymotische mens, de woedende mens die zijn eigen waardigheid en die van zijn medeburgers koestert, die meent dat zijn waarde uit meer bestaat dan alleen het complex van verlangens dat zijn lichamelijk bestaan uitmaakt, slechts deze mens is bereid voor een tank te gaan lopen of voor een rij soldaten te gaan staan.” (205)

    • 2. Door het gevoel van zelfrespect kunnen we, volgens Joan Didion, zonder zelfverwijt ´nee´ zeggen tegen anderen.

3. MEGALOTHYMIA ALS HET VERLANGEN NAAR SUPERIORITEIT
(hoofdstuk 17)

  • megalothymia en isothymia

    • 1. het verlangen erkend te worden als superieur aan anderen zal voortaan megalothymia worden genoemd; het kan zich manifesteren in de tiran die een naburig land bezet en het volk tot slaaf maakt zodat het zijn gezag zal erkennen, maar ook in de concertpianist die erkend wil worden als de belangrijkste vertolker van Beethoven

    • 2. het tegenovergestelde is isothymia, het verlangen te worden erkend als de gelijke van anderen

    • 3. deze twee manifestaties van het verlangen naar erkenning zijn cruciaal voor de verklaring van de historische overgang naar de moderne tijd

  • pogingen de megalothymia te beteugelen of juist vrij te zetten

    • Socrates beschouwt thymos in Plato´s Staat als een aangeboren politiek deugd, die echter politieke gemeenschappen niet bij elkaar kan houden, maar ook kan vernietigen; de thymotische soldaat vergelijkt hij met een waakhond, die, indien niet goed afgericht, evengoed zijn meester als een vreemde kan bijten; voor de opbouw van een rechtvaardig politiek bestel is het dus nodig dat de thymos wordt gecultiveerd en getemd

    • Augustinus noemt het verlangen naar eer een zonde (want onverenigbaar met de deugd van nederigheid), maar een van de lichtste zonden die toch ook een bron van menselijke grootheid kan zijn

    • Niccolň Machiavelli begreep dat megalothymia in de vorm van eerzucht de psychologische achtergrond was van de ambitie van heersers; maar in plaats van de thymotische heersers of soldaten op te voeden, zoals Plato had voorgesteld, probeerde hij de thymos te neutraliseren met thymos

      • gemengde republieken, waarin de thymotische ambities van de heersers en de aristocratie in evenwicht werden gehouden door het thymotische verlangen naar onafhankelijkheid van het volk, vormden volgens Machiavelli een waarborg voor een zekere mate van vrijheid (een vroege versie van de scheiding van machten)

    • volgens Jean-Jacques Rousseau ontstond de amour-propre (ijdelheid of ´eigen­liefde´) tijdens de historische ontwikkeling van de mens op het moment dat hij in maatschappelijk verband ging leven en zich met anderen begon te vergelijken; de vergelijking van de eigen waarde met die anderen was volgens Rousseau de bron van alle ongelijkheid tussen mensen en van de slechtheid en de ellende van de beschaafde mens; ze vormde namelijk de oorsprong van het particulier bezit en van al het maatschappelijk onrecht dat daaruit voortvloeide

    • Hobbes en Locke trachtten de thymos helemaal uit het politieke leven te weren en te vervangen door een combinatie van verlangen en rede

      • de bourgeois was een welbewuste schepping van het vroeg-moderne denken, een poging tot maatschappelijke planning om maatschappelijke vrede te bereiken door de menselijke natuur zelf te veranderen; de grondleggers van het moderne liberalisme stelden niet de megalothymia van velen tegenover die van enkelen, zoals Machiavelli had voorgesteld, maar hoopten de megalothymia geheel te kunnen uitbannen door de belangen van het verlangende deel van de menselijke natuur tegenover de hartstochten van het thymotische deel te stellen

      • voor Locke was het doel van de arbeid de bevrediging van verlangens; die verlangens stonden niet vast, ze groeiden en veranderden voortdurend, en het enige constante was dat ze bevredigd moesten worden; voor Locke was arbeid een in wezen onaangename bezigheid ter wille van de voorwerpen van waarde die de arbeid schiep; werk en de ongelimiteerde accumulatie van bezit waren een middel om aan de angst voor de dood te ontsnappen; zelfs als een rijk mens veel meer had dan zijn natuurlijke behoeften vereisten, kwam zijn dwangmatige accumulatie van rijkdom uiteindelijk voort uit het verlangen zich in te dekken tegen slechte tijden en tegen de mogelijke terugkeer van de armoede, zijn natuurlijke toestand (voetnoot 7, blz. 391)

    • hoewel de stichters van de Verenigde Staten nauw aansloten bij Locke, bleven megalothymia en isothymia een probleem vormen; Alexander Hamilton noemde de ´zucht naar roem de overheersende hartstocht van de sterke en ambitieuze mens´; maar hoe deze hartstocht in te dammen; hun oplossing: een Amerikaanse politicus kan even ambitieus zijn als Ceasar of Napoleon, maar het systeem laat hem niet meer worden dan Jimmy Carter of Ronald Reagan; iedere politicus wordt aan alle kanten beperkt door machtige instituties en politieke krachten en gedwongen zijn ambitie te verwezenlijken als ´dienaar´ in plaats van meester van het volk

    • C.S. Lewis ziet de moderne maatschappij bestaan uit ´mensen zonder borst´: mensen met uitsluitend verlangen en rede, zonder de trotse zelfbewustheid die op een of andere manier in vroeger tijden het wezenlijk menselijke was.

      • in onze tijd is de megalothymia vervangen door twee zaken:

        • de ontwikkeling van het verlangende deel van de ziel, wat zich manifesteert in een grondige economisering van het leven

        • een allesdoordringende isothymia, dat wil zeggen het verlangen als gelijke van anderen te worden erkend; in deze vorm is de thymos er nog steeds

    • Friedrich Nietzsche is de grootste en felste apologeet van de thymos in de moderne tijd; zijn leer van de ´wil tot macht´ is op te vatten als een poging de thymos boven verlangen en rede te stellen en de schade te herstellen die het moderne liberalisme aan de trots en de zelfbewustheid van de mens had aangericht

      • het wezen van de mens is niet zijn verlangen of zijn rede, maar zijn thymos: de mens is bovenal een waarderend wezen, het ´blozende dier´ dat tot leven kwam in zijn vermogen de woorden ´goed´ en ´kwaad´ uit te spreken

      • dit schatten is per definitie geen egalitaire daad, want men moet daarbij onderscheid maken tussen beter en slechter; daarom is Nietzsche alleen geďnteresseerd in de megalothymia

    • “Hoewel de thymos of het verlangen naar erkenning steeds met verschillende namen is aangeduid, is het duidelijk dat van Plato tot Nietzsche dit ´derde deel´ van de ziel altijd centraal heeft gestaan in de filosofie. De geschiedenis is dus op een heel andere wijze te lezen, niet als een verhaal over het ontstaan van de moderne natuurwetenschappen of over de logica van economische ontwikkeling, maar als de opkomst, de groei en de uiteindelijke ondergang van de megalothymia. De huidige economische wereld kon pas ontstaan nadat het verlangen als het ware was vrijgemaakt en de thymos was onderdrukt. Het historische proces dat begint met het bloedige gevecht van de meester, eindigt in zekere zin met de hedendaagse bourgeois van de moderne liberale democratieën, die liever materieel gewin dan eer zoekt.” (215)

4. DE ONTWIKKELING VAN SLAAF TOT MEESTER (hoofdstuk 18)

  • de zelfbewustwording van de slaaf door zijn arbeid

    • in het begin wilde de een meer zijn dan een dier en ging de strijd op leven en dood aan met een ander. Degene die zich overgaf, werd de slaaf, de ander de meester. De eerste samenleving (middeleeuwse standenmaatschappij, aristocratie)

    • ongelijkheid onbevredigend voor zowel slaaf als meester:

      • de slaaf is geen mens  maar een angstig en behoeftig dier dat niet in staat is zijn biologische of natuurlijke gedetermineerdheid te overwinnen

      • de meester waagt zijn leven voor erkenning door een slaaf die het niet waard is hem te erkennen

    • de meester maakt bovendien geen wezenlijke verandering door; hij kan gedood worden, maar niet geschoold, zoals Kojčve opmerkt

      • natuurlijk kan de meester steeds weer zijn leven wagen in gevechten op leven en dood met andere meesters, om de macht over een gebied of om een troon­opvolging; maar al is het voor een mens bij uitstek menselijk om zijn leven te riskeren, het blijft altijd hetzelfde; de onophoudelijke verovering en herovering van grondgebied verandert niets aan de kwalitatieve relatie van de mens tot anderen of tot zijn natuurlijke milieu en is dan ook geen motor voor historische vooruitgang

      • de aristocratische strijder schiep geen rijkdom, hij stal deze van andere strijders, of preciezer gezegd van de boer op wiens overschotten hij beslag legde; in economisch opzicht handelde hij niet rationeel, want hij verkocht zijn arbeid niet aan de hoogste bieder: hij werkte zelfs helemaal niet en was tevreden met zijn rust; hij werd in zijn gedrag belemmerd door de eisen die zijn trots stelde, en door erecodes die niet toelieten dat hij dingen beneden zijn waardigheid deed, zoals handel drijven; het wezen van de aristocraat was verbonden met zijn bereidheid zijn leven te wagen in een bloedig gevecht; oorlog bleef dan ook essentieel voor de aristocratische levensstijl en oorlog is economisch ´suboptimaal´

    • de ontevredenheid van de slaaf ontaardt niet in dodelijke stilstand, maar wordt juist een creatieve en verrijkende verandering; door het ontbreken van erkenning gaat de slaaf naar verandering verlangen

    • aanvankelijk is de slaaf door zijn vroegere angst voor de dood gedwongen voor de meester te werken, maar geleidelijk verandert het motief voor zijn arbeid

      • hij werkt niet langer uit angst om onmiddellijk te worden gestraft, maar uit plichtsbesef en zelfdiscipline, en langzamerhand leert hij zijn dierlijke verlangens te onderdrukken ter wille van het werk; met andere woorden, hij ontwikkelt een soort arbeidsethos

      • bovendien begint de slaaf door het werk te beseffen dat hij een mens is, dat hij de natuur kan transformeren, dat wil zeggen grondstoffen uit de natuur kan veranderen naar een vooropgesteld plan of concept; de slaaf gebruikt gereedschap, waarmee hij niet gereedschap kan maken en zo ontstaat technologie

      • de moderne natuurwetenschappen zijn niet de uitvinding van luie meesters die alles hebben wat ze willen, maar van slaven die gedwongen zijn te werken en niet berusten in hun situatie

      • werk vertegenwoordigde vrijheid omdat het bewees dat de mens zijn natuurlijke gedetermineerdheid kon overwinnen en door zijn arbeid creatief kon zijn; werk ´in overeenstemming met de natuur´ bestond eenvoudig niet; echt menselijk werk begon pas als de mens bewees dat hij de natuur meester was

    • “De meester bewijst zijn vrijheid door zijn leven te wagen in een bloedig gevecht, waarmee hij laat zien dat hij boven zijn natuurlijke gedetermineerdheid uitstijgt. De slaaf daarentegen ontwikkelt het idee vrijheid door voor de meester te werken, waarbij hij merkt dat hij als mens in staat is tot vrije en creatieve arbeid. Als de slaaf de natuur meester wordt, krijgt hij een idee van wat meesterschap nu juist is. De potentiële vrijheid van de slaaf is historisch veel belangrijker dan de feitelijke vrijheid van de meester. De meester ís vrij; hij ervaart zijn vrijheid direct, zonder reflectie, als hij doet en consumeert wat hij wil. Anderzijds kent de slaaf slechts het idee vrijheid, een idee dat hij door zijn werk leert. De slaaf is echter niet vrij in zijn eigen leven; er is een discrepantie tussen zijn idee van vrijheid en zijn feitelijke toestand. De slaaf is dus filosofischer: hij moet vrijheid in abstracto beschouwen voordat hij haar in de werkelijkheid kan beleven, en hij moet de principes van een vrije maatschappij bedenken voordat hij erin kan leven. Het bewustzijn van de slaaf is dus hoger dan dat van de meester, omdat het meer van zichzelf bewust is, dat wil zeggen over zichzelf en zijn toestand reflecteert.” (220)

    • de belangrijkste slavenideologie is het christendom, waarvolgens gelijkheid is gebaseerd op het feit dat alle mensen gelijkelijk begiftigd zijn met één specifiek vermogen, het vermogen zedelijke keuzen te maken; mensen die duidelijk ongelijk zijn in schoonheid, talent, intelligentie of vaardigheid, zijn desalniettemin gelijk voor zover ze zedelijk handelende personen zijn; het lelijkste en onhandigste weeskind kan in de ogen van God een mooiere ziel hebben dan de begaafdste pianist of de briljantste natuurkundige

    • terwijl het christendom echter het juiste concept van vrijheid had, verzoende het de slaven uit de bestaande wereld uiteindelijk toch met hun onvrijheid door hun voor te houden dat ze de bevrijding niet in dit leven moesten verwachten

    • voor de voltooiing van het historische proces hoefde volgens Hegel het christendom dus alleen nog maar te worden geseculariseerd, oftewel het christelijke vrijheidsidee moest worden vertaald in het hier en nu; ook was er nog één bloedig gevecht nodig, het gevecht waarin de slaaf zich bevrijdt van de meester

    • Hegel beschouwde zijn filosofie als een transformatie van de christelijke leer, die niet langer gebaseerd was op mythe en het gezag van de heilige geschriften, maar op het feit dat de slaaf absolute kennis en bewustzijn had verworven

5. DE UNIVERSELE EN HOMOGENE STAAT (hoofdstuk 19)

  • Hegels nobeler beeld van het liberalisme

    • Hobbes en Locke zagen de liberale maatschappij als een onderlinge afspraak van gelijke burgers om van elkaars leven en eigendom af te blijven (rationeel eigenbelang)

    • voor Hegel is de liberale maatschappij een onderlinge afspraak van gelijke burgers om elkaar te erkennen (rationele erkenning), d.w.z. erkenning op een universele basis waarbij de waardigheid van ieder mens als vrij en autonoom wezen door allen wordt erkend

      • de innerlijke ´tegenstrijdigheid´ van de relatie tussen meester en slaaf werd opgelost in een staat waarin een synthese tot stand kwam tussen de moraal van de meester en die van de slaaf; het onderscheid tussen meesters en slaven werd afgeschaft en de voormalige slaven werden de nieuwe meesters, niet van andere slaven, maar van zichzelf; in deze nieuwe synthese bleef iets bewaard van zowel de horigheid als de heerschappij, namelijk de arbeid van de slaaf en het bevredigende gevoel erkend te worden van de meester

      • een vorm van irrationele erkenning is bijvoorbeeld de nationalistische of racistische staat, want het onderscheid tussen de ene groep mensen en de andere is een toevallig en willekeurig bijverschijnsel van de geschiedenis v.d. mens met dezelfde impasse als de prestigestrijd tussen aristocratische meesters: de ene natie wordt meester en de andere slaaf, voor beide is de erkenning onvolledig

  • de liberale staat als rationele, universele, homogene, openbaar bediscussieerde staat

    • de liberale staat is rationeel, omdat hierin de rivaliserende eisen om erkenning met elkaar worden verzoend op de enig mogelijke basis die voor alle partijen aanvaardbaar is, namelijk op basis van de menselijkheid van het individu

      • deze rationaliteit blijkt uit het feit dat de liberale universeel is, d.w.z. alle leden worden erkend omdat ze mensen zijn en niet omdat ze lid zijn van een of andere nationale, etnische of raciale groep

      • deze rationaliteit blijkt ook uit het feit dat de liberale staat homogeen is, omdat deze staat een klasseloze maatschappij schept waarin het onderscheid tussen meesters en slaven is afgeschaft

      • de rationaliteit blijkt ten slotte ook uit het feit dat deze staat welbewust is gefundeerd op duidelijke en alom bekende principes

    • de liberale staat vertegenwoordigt een vorm van rationeel zelfbewustzijn, omdat mensen in een samenleving voor het eerst hun ware aard leren kennen en in staat zijn een politieke gemeenschap te vormen die met deze aard in overeenstemming is

    • de erkenning bestaat in de toekenning en bescherming van de rechten van ieder mens:

      • recht op leven, recht op bezit, recht op thymotische meningen (waaronder religieuze overtuigingen), recht op participatie in de regering, en recht op meediscussiëren over belangrijke beleidskwesties (bijv. als ambtenaar)

    • in een liberale staat is de erkenning tussen staat en burgers wederzijds: de staat geeft de burgers rechten en de burgers spreken af de wetten van de staat te gehoorzamen; de geldigheid van deze rechten wordt alleen beperkt als ze met elkaar in strijd zijn, d.w.z. als het uitoefenen van het ene recht de uitoefening van het andere onmogelijk maakt

  • wetenschap en erkenning in de Universele Geschiedenis

    • de universele homogene staat die aan het einde van de geschiedenis verschijnt, rust dus op het dubbele fundament van economie en erkenning; het eraan voorafgaande historische proces is gevoed door de progressie van de moderne natuurwetenschappen en de strijd om erkenning.

      • de eerste volgt uit het verlangende deel van de ziel dat in de vroeg-moderne tijd werd vrijgemaakt en zich richtte op de ongelimiteerde accumulatie van rijkdom; dit werd mogelijk gemaakt door een verbond tussen verlangen en rede: het kapitalisme is onlosmakelijk verbonden met de moderne natuurwetenschappen.

      • de strijd om erkenning stamt daarentegen uit het thymotische deel van de ziel; de strijd werd gevoed door de werkelijkheid van de slavernij, die voor de slaaf strijdig was met zijn droom van meesterschap in een wereld waarin alle mensen vrij en gelijk waren voor het aangezicht van God

    • iedere beschrijving van het historische proces, iedere echte Universele Geschiedenis, is onvolledig zonder een verklaring van deze beide fundamenten, zoals ook iedere beschrijving van de menselijke persoonlijkheid onvolledig is zolang geen rekening is gehouden met het verlangen, rede en thymos

      • de keuze voor democratie is een keuze ter wille van erkenning, niet ter wille van het verlangen; de economische ontwikkeling schept echter bepaalde voorwaarden waardoor deze keuze gemakkelijker wordt en wel om twee redenen:

        • de economische ontwikkeling geeft de slaaf een idee van meesterschap

        • de economische ontwikkeling schept de behoefte aan algemeen onderwijs, wat een sterk nivellerend effect heeft

      • de economie schept een soort praktische gelijkheid voordat deze wettelijk wordt

    • als mensen uit niets anders dan rede en verlangen bestonden, zouden ze volkomen tevreden zijn met een leven in Zuid-Korea onder een militaire dictatuur, of onder het verlichte technocratische bestuur van Franco in Spanje, of in een door de Kwomintang geleid Taiwan waar snelle economische groei prioriteit heeft; en toch bestaan de burgers van deze landen uit meer dan alleen verlangen en rede: ze zijn trots op en overtuigd van hun waardigheid en ze willen dat die waardigheid dan ook wordt erkend, in de eerste plaats door de regering van het land waarin ze wonen

    • “Het verlangen naar erkenning is dus de ontbrekende schakel tussen liberale economie en liberale politiek. We hebben gezien hoe een hoge mate van industrialisering een verstedelijkte maatschappij schept met mobiele en steeds beter opgeleide burgers die vrij zijn van traditionele gezagsvormen als die van de stam, de priester of het gilde. We hebben gezien dat er een sterke empirische correlatie bestond tussen dit soort samenlevingen en de liberale democratie, al konden we die correlatie niet volledig verklaren. De zwakke plek in ons verklaringsschema was het feit dat we de keuze voor de liberale democratie economisch probeerden te verklaren op grond van het verlangende deel van de ziel. We hadden echter naar het thymotische deel, naar het verlangen naar erkenning, moeten kijken. Want de maatschappelijke veranderingen waarmee industrialisering gepaard gaat, met name de veranderingen in opleidingsniveau, lijken te leiden tot een vraag om erkenning die onder armere en minder hoog opgeleide mensen niet bestond. Als mensen rijker, kosmopolitischer en beter opgeleid zijn, eisen ze niet slechts meer rijkdom maar ook erkenning van hun status. Uit deze niet-economische, niet-materiële impuls is te verklaren waarom mensen in Spanje, Portugal, Zuid-Korea, Taiwan en de Volksrepubliek China niet alleen een markteconomie maar ook een vrije regering door en voor het volk eisten.” (231)

© 2005 Evert Jan Ouweneel

deel 1 deel 2 deel 3 deel 4 deel 5