deel 1 deel 2 deel 3 deel 4 deel 5

Samenvatting van Francis Fukuyama´s Het einde van de Geschiedenis, deel 4: "Hic Rhodus, hic saltus" Het einde van de geschiedenis en de laatste mens

Evert Jan Ouweneel

1. WAAROM NIET ALLE LANDEN EVEN SUCCESVOL DEMOCRATISCH ZIJN (hoofdstuk 20)

  • waarom blijft de overgang naar democratie zo moeilijk voor veel naties waarvan volk en regering de democratische beginselen in abstracto hebben aanvaard?

    • rede en politiek schieten vaak tekort om de doelstellingen te verwezenlijken

      • veel landen in Latijns-Amerika werden na hun onafhankelijkheid in de 19e eeuw ingericht als liberale democratieën, maar niet één is er in geslaagd tot op de huidige dag een ononderbroken democratische traditie te handhaven

      • Duitsland is slechts met veel moeite een stabiele democratie geworden, ook al was zij diep geworteld in de West-Europese traditie

      • Frankrijk, de bakermat van vrijheid en gelijkheid, heeft sinds 1789 vijf verschillende democratische republieken zien komen en gaan

      • democratieën van Angelsaksische origine hebben daarentegen zonder veel moeite de stabiliteit van hun instellingen kunnen handhaven

  • de instabiliteit van een democratie is uiteindelijk gelegen in de ongelijke verhouding tussen volk en staat

    • staten zijn doelbewuste politieke creaties, maar volkeren zijn al bestaande morele gemeenschappen; dat wil zeggen, het zijn gemeenschappen met uniforme opvattingen over goed en kwaad, over de aard van het heilige en het profane, die het resultaat kunnen zijn van een doelbewuste opstelling in een ver verleden, maar nu grotendeels voortleven als een traditie

      • het domein van de staat is het domein van de politiek, het gebied van de bewuste keuze van de juiste regeringswijze; het domein van het volk is subpolitiek: het is het terrein van cultuur en maatschappij, waarvan de regels zelden expliciet zijn of bewust erkend worden, zelfs niet door degenen die eraan deelnemen

    • staten staan in veel gevallen op gespannen voet en soms zelfs op voet van oorlog met hun volkeren

      • Fukuyama´s definitie van een volk: een zedelijke gemeenschap met uniforme opvattingen over goed en kwaad

      • volkeren, en de culturen die zij scheppen, vinden dus hun oorsprong in het thymotische deel van de ziel

        • cultuur ontstaat uit het vermogen waarden toe te kennen

        • religie en nationalisme zijn culturele passies, wortelend in de thymos

        • de orthodoxe gelovige wordt boos als de waardigheid van wat hij voor heilig houdt wordt aangetast

        • de nationalist gelooft in de waardigheid van zijn nationale of etnische groep en wordt boos als die waardigheid wordt genegeerd

      • de thymotische herkomst van religie en nationalisme verklaart waarom conflicten over ´waarden´ potentieel veel dodelijker zijn dan conflicten over materieel bezit of rijkdom

        • geld kan simpelweg worden verdeeld; waardigheid is compromisloos

        • vandaar dat democratieën van Angelsaksische origine vaak zo stabiel zijn, daar zij de opkomst van een soort kille berekening van het eigenbelang ten koste hebben laten gaan van vroegere morele en culturele criteria

      • Hobbes en Locke verruilden de cultuur en moraal van ´het volk´ voor een louter instrumentele verzameling democratische waarden van ´de staat´: zowel ´deelnemer´ zijn als ´rationeel´, ´seculier´, ´mobiel´, ´empathisch´ en ´tolerant´.

        • het betreft hier louter gewoonten die men zich moet eigen maken om met succes te kunnen leven in een vreedzame en welvarende maatschappij

        • vandaar dat Nietzsche de staat het ´koudste van alle monsters´ noemde, dat volkeren en hun culturen vernietigde door hun ´duizend  verlokkingen´ voor te houden

      • maar wil de democratie functioneren, dan moeten de burgers van democratische staten de instrumentele wortels van hun waarden vergeten en een zekere irrationele thymotische trots ontwikkelen op hun politieke systeem en levenswijze

        • burgers moeten van de democratie gaan houden, niet omdat ze noodzakelijkerwijs beter is dan de alternatieven, maar omdat ze van hén is

        • bovendien moeten ze waarden als ´tolerantie´ niet langer beschouwen als middelen tot een bepaald doel; in een democratische samenleving wordt tolerantie de kenmerkende deugd

        • de schepping van een ´democratische´ of ´burgerlijke´ cultuur houdt in dat de burger trots wordt op de democratie en democratische waarden in zijn zelfbeeld opneemt

        • dit is van levensbelang voor een gezonde en stabiele democratie, omdat in de praktijk geen enkele samenleving kan blijven bestaan als ze uitsluitend is gebaseerd op rationele berekening en begeerte

  • wat zijn de culturele factoren die de vestiging van stabiele liberale democratieën belemmeren?

    • nationalisme

      • nationalisme en liberalisme zijn niet inherent onverenigbaar

        • vb. 1: nationale eenwording van Duitsland en Italië

        • vb. 2: een onafhankelijk Litouwen kan een volledig liberale staat zijn, mits het de rechten van al zijn burgers garandeert, ook die van de Russische minderheid die verkiest te blijven

      • een sterk gevoel van nationale eenheid gaat noodzakelijkerwijs vooraf aan de opkomst van een stabiele democratie

        • vb. 1: Engeland, Verenigde Staten, Frankrijk, Italië en Duitsland

        • vb. 2: in de Sovjetunie kan pas een stabiele democratie ontstaan, nadat het land is uiteengevallen in kleinere nationale eenheden

        • vb. 3: de geografische, economische en geestelijke scheiding tussen blanke minderheid (11%) en de indianen vormt een ernstig obstakel voor een stabiele democratie in Peru

        • vb. 4: in Zuid-Afrika zowel een kloof tussen blank en zwart als tussen de zwarten onderling (lange geschiedenis van stammenstrijd)

    • religieuze intolerantie

      • ook religie en liberalisme zijn niet inherent onverenigbaar

        • vb. christendom maakte de weg vrij voor de Franse Revolutie (Hegel)

      • een stabiele democratie vereist een tolerante en egalitaire religie

        • vb. 1: protestantisme maakte het geloof tot een persoonlijke kwestie tussen de christen en God, waardoor er geen aparte klasse van priesters meer nodig was en de religie zich in het algemeen niet meer met de politiek hoefde te bemoeien

        • vb. 2: boeddhisme en sjintoïsme hebben zich beperkt tot een gebied van persoonlijke verering met als middelpunt de familie

        • vb. 3: hindoeïsme en confucianisme niet egalitair, maar wel rekkelijke (enigermate tolerante) doctrines en daarom verenigbaar met een groot scala aan seculiere activiteiten

        • vb. 4: het orthodoxe jodendom en de fundamentalistische islam zijn noch egalitair noch tolerant, daar zij ernaar streven elk aspect van het menselijk leven te regelen, inclusief de politiek; zij staan onverzoenlijk tegenover liberalisme en de erkenning van universele rechten, in het bijzonder vrijheid van geweten en godsdienst

    • sociale ongelijkheid

      • vb. 1: volgens Tocqueville dankt de Amerikaanse democratie haar kracht en stabiliteit aan het feit dat de Amerikaanse samenleving al door en door egalitair en democratisch was, lang voordat de onafhankelijk­heids­­verklaring en de grondwet werden geschreven: Amerikanen werden ´als gelijken geboren´; zij erfden hun culturele tradities van het liberale Engeland en Holland

      • vb. 2: Brazilië en Peru daarentegen erfden een zeer gelaagde klassen­structuur, waarin de verschillende klassen tegenover elkaar stonden en elk hun eigenbelang najoegen (slavernij en grootgrondbezit)

      • vb. 3: het ontbreken van grootgrondbezit in Costa Rica, een geïsoleerd en verwaarloosd deel v.h. Spaanse rijk, en de gelijkheid in armoede, is één verklaring voor ´t betrekkelijke succes v.d. democratie aldaar

    • onvermogen tot zelfbestuur

      • Tocqueville wees erop dat de democratie het best functioneert als ze niet van bovenaf maar van onderaf werkt, waarbij de centrale staat op natuurlijke wijze voortkomt uit talloze plaatselijke bestuurslichamen en particuliere verenigingen die dienen als scholen van vrijheid en zelfbeschikking

      • democratie is een kwestie van zelfbestuur en als mensen in staat zijn zichzelf te besturen in hun steden, corporaties, beroepsverenigingen en universiteiten, is de kans groter dat ze daar op nationaal niveau ook in slagen

        • vb. Frankrijk en Spanje hebben zoveel moeite gehad om een stabiele democratie te vestigen, omdat in beide gevallen in de 16e en 17e eeuw het feodale stelsel werd vernietigd door een centralistische en zich aan de moderne tijd aanpassende monarchie, wat deze landen de erfenis opleverde van een sterke staatsmacht en een zwakke, ontmoedigde burgermaatschappij die afhankelijk was gemaakt van het staatsgezag; in deze centralistische monarchieën ontstond een bepaalde mentaliteit waardoor mensen het vermogen verloren zich particulier en spontaan te organiseren, samen te werken op niveaus onder het staatsniveau en de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven op zich te nemen; tot op de dag van vandaag is Frankrijk centralistisch en Spanje liet een centralistische erfenis na aan vele staten in Zuid-Amerika

  • een staatsman die streeft naar democratisering moet zich bewust zijn van deze subpolitieke beperkingen die kunnen verhinderen dat een staat het einde van de geschiedenis bereikt

    • de culturele factoren voor een stabiele democratie: nationale eenheid, economisch ontwikkeld, grotendeels protestant, gezonde burgermaatschappij, sociaal egalitair

    • de politieke factoren voor een stabiele democratie: het vermogen de strijdkrachten in de kazernes te houden, het vermogen misverstanden uit het verleden aan te pakken, het vermogen het verleden symbolisch te continueren (vlaggen, volksliederen, enz.), de aard van het partijenstelsel en de keuze tussen een presidentiële of parlementaire democratie

  • de kracht van een ´democratische´ cultuur is vaak erg afhankelijk van de volgorde waarin de verscheidene elementen van de liberale democratie zich voordeden

    • voorbeeld:      

      • Engeland en de V.S.: eerst liberalisme (vrijheid), dan pas democratie (gelijkheid)

      • eerst werden liberale rechten als vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en politieke deelname aan de regering uitgeoefend door een kleine elite, voordat ze doordrongen tot andere lagen van de bevolking

      • de gewoonten van democratische discussie en compromis­vorming, waarbij de rechten van de verliezers zorgvuldig worden beschermd, kunnen ook gemakkelijker worden aangeleerd door een kleine elite met dezelfde sociale achtergrond en opvattingen dan door een grote heterogene samenleving vol oude vijandschappen tussen bijv. stammen of etnische groepen

      • door deze volgorde kon de liberale democratische praktijk zich verbinden en vervlechten met de oudste nationale tradities

  • misverstanden over cultuur en democratie

    • culturele factoren zijn een voldoende voorwaarde voor democratie

      • nazi-Duitsland voldeed aan bijna alle culturele voorwaarden voor een stabiele democratie, en toch was er de enorme uitbarsting van thymotische woede

      • “Democratie kan nooit door de achterdeur naar binnen: op een gegeven moment moet ze voortvloeien uit een welbewuste politieke beslissing om een democratie te vestigen.” (245)

    • culturele factoren zijn een noodzakelijke voorwaarde voor democratie

      • India was rijk noch sterk geïndustrialiseerd, het was geen nationale eenheid noch protestant, en toch is het erin geslaagd sinds zijn onafhankelijkheid in 1947 een effectieve, functionerende democratie in stand te houden

      • hele volken zijn cultureel ongeschikt verklaard voor een stabiele demo­cratie: Duit­sers, Japanners, katholieke Latino´s, orthodoxe Grieken en Russen, Oost-Europa

      • vaak wordt gesteld, dat een land niet kan democratiseren als het geen demo­cratische traditie heeft, maar dan zou geen enkel land ooit een democratie zijn geworden omdat er geen volk of cultuur bestaat (ook niet in West-Europa) waar in het begin geen sterke autoritaire tradities waren

  • de scheidslijn tussen cultuur en politiek, tussen volkeren en staten, is niet al te duidelijk

    • staten kunnen een belangrijke rol spelen bij het vormen van volkeren, d.w.z. bij het vaststellen van hun ´taal van goed en kwaad´ en het scheppen van nieuwe gewoonten, gebruiken en culturen

      • de Amerikanen waren niet gewoon ´als gelijken geboren´, ze waren ook ´gelijk gemaakt´ door de praktijk van zelfbestuur en door de openlijke en democratische wijze waarop de Verenigde Staten werden gesticht

    • culturen zijn geen statische fenomenen als natuurwetten; ze zijn door de mens gemaakt en continue onderworpen aan een evolutieproces

      • culturen kunnen veranderen door economische ontwikkeling, oorlogen en andere nationale trauma´s, immigratie of door bewuste keuze

      • daarom moeten culturele ´voorwaarden´ voor democratie, hoewel ze belangrijk zijn, behandeld worden met een zekere scepsis

      • anderzijds onderstreept het belang van volkeren en hun culturen de grenzen van het liberaal rationalisme, oftewel de afhankelijkheid van rationele liberale instellingen van de irrationale thymos

        • de rationele liberale staat kan niet ontstaan na een enkele verkiezing, noch kan hij blijven bestaan zonder enige mate van vaderlandsliefde of een instinctieve gehechtheid aan waarden als tolerantie

        • voor het welslagen van de politieke modernisering moet iets premoderns blijven bestaan binnen het kader van rechten en grondwettelijke regelingen (religie, etniciteit of een ander irrationeel uitgangspunt); volkeren moeten blijven bestaan en de overwinning van de staat mag niet absoluut zijn

2. WAAROM NIET ALLE LANDEN EVEN SUCCESVOL ECONOMISCH GROEIEN (hoofdstuk 21)

  • cultuur speelt (naast beleid) een cruciale rol in economisch gedrag; dit blijkt nergens zo duidelijk uit als uit de houding tegenover arbeid

    • de houding tegenover werk wordt onmiskenbaar beïnvloed door de nationale cultuur

      • zie de superieure economische prestaties van de joden in Europa, Grieken en Armeniërs in het Midden-Oosten of de Chinezen in Zuidoost-Azië

      • zie ook het grote verschil in inkomen en opleiding tussen afstammelingen van zwarten die vrijwillig uit West-Indië immigreerden en de afstammelingen van slaven die rechtstreeks uit Afrika naar Amerika werden gebracht

    • de traditionele liberale economische wetenschap, die begint bij Adam Smith, stelt dat arbeid in principe een onaangename bezigheid is

      • Fukuyama wijst in een voetnoot op de verworteling van deze gedachte in de joods-christelijke traditie: arbeid is de vloek die de mens is opgelegd wegens de zondeval; het eeuwige leven bestaat niet uit arbeid maar uit eeuwige rust

      • men begint aan arbeid met het oog op het nut van de dingen die het oplevert; hiervan kan men in de eerste plaats genieten in de vrije tijd

      • harder werken wordt gestimuleerd door meer materiële voordelen voor de individuele werker

    • maar hoe dan het carrièretype te verklaren, de hardwerkende advocaat of bedrijfs­manager of de Japanse ´salaryman´ in dienst van een ambitieuze Japanse multinational?

      • zuiver utilitair gezien is hun gedrag irrationeel (wanneer men nut opvat als staande voor alles wat het menselijk verlangen bevredigt of het menselijk lijden verlicht, m.n. door het verwerven van onroerend goed en ander materieel bezit): ze werken zo hard dat ze geen tijd hebben om hun geld uit te geven; ze genieten niet van hun vrije tijd, want die hebben ze niet; en ondertussen ruïneren ze hun gezondheid en hun vooruitzichten op een comfortabele oude dag na hun pensionering, want zo oud worden ze waarschijnlijk niet

      • de reden waarom zulke mensen zo hard werken is slechts gedeeltelijk gerelateerd aan geldelijke compensatie: het werk zelf en de status en erkenning die ermee samenhangen schenken hun duidelijk voldoening; hun gevoel van eigenwaarde is afhankelijk van hoe hard en vakkundig ze werken, hoe vlug ze in het bedrijf promotie maken en hoeveel aanzien ze hebben bij andere mensen

      • oftewel: het werk dat ze doen bevredigt meer hun thymos dan hun verlangens.

    • met name Max Weber legde in 1901 een verband tussen protestantisme en kapitalisme

      • Weber zag in de soberheid, zelfdiscipline, eerlijkheid, properheid en afkeer van eenvoudige genoegens een wereldse vorm van ascese die hij opvatte als een variant van de calvinistische predestinatieleer: arbeid was geen onaangename bezigheid die men ondernam voor nut of consumptie, arbeid was veeleer een ´roeping´ die, zo hoopte de gelovige, liet zien of hij tot de geredden of verdoemden behoorde; arbeid was verricht voor een totaal immaterieel en ´irrationeel´ doel, namelijk om te laten zien dat men ´uitverkoren´ was

      • ´het idee van plicht en roeping´ leeft volgens Weber in de hedendaagse wereld voort ´als de geest van uitgestorven religieuze opvattingen´, en het arbeidsethos van het moderne Europa kan niet volledig worden verklaard zonder te verwijzen naar zijn religieuze oorsprong

    • het economisch succes van andere culturen is te verklaren uit soortgelijke factoren als het ´protestantse arbeidsethos´

      • in de boeddhistische Jodo Shinshu- of Zuiver-Landsekte lag de nadruk op zuinigheid, soberheid, eerlijkheid, hard werken en een ascetische houding tegenover eten en drinken, en ze rechtvaardigde winst maken op een manier die helemaal niet voorkwam in vroegere confuciaanse tradities

      • de Shingaku-beweging, hoewel minder invloedrijk dan Jodo Shinshu, verkondigde ook een vorm van werelds mysticisme met de nadruk op zuinigheid en vlijt en minder aandacht voor consumptie

      • deze religieuze bewegingen sloten naadloos aan bij de Bushido-ethiek van de klasse der samoerai, een aristocratische krijgersideologie met de nadruk op het riskeren van het leven, wat echter niet tot ledige heerschappij leidde maar tot ascese, zuinigheid en vooral studie

      • de ´geest van kapitalisme´ met zijn ascetische arbeidsethos en rationaliteit hoefde dus niet tegelijk met scheepsbouwkundige technologie en de Pruisische grondwet in Japan te worden ingevoerd; die bestond al in religieuze en culturele tradities

    • andere culturen vormden juist een obstakel voor een kapitalistische econ. ontwikkeling

      • het hindoeïsme is een van de weinige grote wereldgodsdiensten die niet is gebaseerd op het leerstuk van de universele gelijkheid van de mens; integendeel, mensen worden rigoureus ingedeeld in een ingewikkeld stelsel van kasten, die bepalend zijn voor hun rechten, privileges en levenswijze

      • paradoxaal is het hindoeïsme geen belemmering geweest voor een liberale politiek – hoewel de groeiende religieuze onverdraagzaamheid misschien een indicatie is dat dit aan het afbrokkelen is

      • de mogelijkheid van een hogere wedergeboorte in een volgend leven verzoent hindoes van de laagste kasten met de positie waarin zij door geboorte verkeren, met als gevolg apathie en traagheid; deze rechtvaardiging van armoede werd in een modernere vorm gepropageerd door Gandhi, die verkondigde dat de deugden van het eenvoudige boerenleven geestelijk meer voldoening gaven

      • V.S. Naipaul schrijft in India, A Wounded Civilization (1978): “De vloek van het kaste-systeem is niet alleen de onaanraakbaarheid en de consequente vergoddelijking van vuiligheid; de vloek in een India dat probeert te groeien, is vaak de totale gehoorzaamheid die het oplegt, de kant en klare bevrediging, de vermindering van de lust tot avontuur, de verdringing van de mensen met persoonlijkheid – de onmogelijkheid om uit te blinken.” (187)

      • Gunnar Myrdal: Indiase religie “een geweldige bron van sociale traagheid”

    • “Zuiver economisch liberalisme – het leerstuk dat mensen opwekt zich tot in het oneindige te verrijken door de rationele benadering van het probleem hoe mensen hun persoonlijke verlangens naar eigendom te bevredigen – is mogelijk al voldoende om de werking van de meest kapitalistische samenlevingen te verklaren, maar doet niet volledig recht aan de meest prestatiegerichte en dynamische samenlevingen. De meest succesvolle kapitalistische samenlevingen zijn opgeklommen omdat ze een fundamenteel irrationeel en ´premodern´ arbeidsethos hebben, dat mensen er toe brengt ascetisch te leven en zich dood te werken omdat arbeid zelf als heilzaam wordt beschouwd. Dit wijst erop dat er zelfs aan het einde van de geschiedenis nog een vorm van irrationale thymos nodig is om onze rationele, liberale, economische wereld draaiende te houden, als we tenminste tot de belangrijkste economische wereldmachten willen behoren.” (255)

    • of neemt het bereiken van de ´welvaartsstaat´ de laatste prikkel van natuurlijke noodzaak weg en zullen mensen nu de genoegens van de vrije tijd in plaats van die van het werk najagen?

      • zal het arbeidsethos uitgehold raken door de bevordering van andere waarden die niet samengaan met wereldse ascese zoals ´zelfontplooiing´ of het verlangen naar niet zomaar werk, maar ´zinvol werk´?

      • maar wat blijkt: het arbeidsethos is niet zwakker geworden, om vooral economische redenen: voor vele bevolkingsgroepen zijn de reële levensstandaard en de zekerheid van een baan in de jaren tachtig verminderd en de mensen merkten dat ze harder moesten werken om te houden wat ze hadden

      • zij die bang zijn voor de gevolgen van de consumptiedwang voor het arbeidsethos vergeten net als Marx al te gemakkelijk dat het menselijk verlangen en onzekerheid oneindig elastisch is en de mens tot werk blijft aanzetten

    • nu hecht de thymos zich in sommige landen niet meer (zozeer) aan de godsdienst, maar aan een ander object, namelijk de groepen waartoe men behoort

      • de Japanse cultuur (net als vele andere culturen in Oost-Azië) is veel meer op groepen gericht dan op individuen

        • de identiteit van de enkeling gaat op in die van de groep: hij werkt niet zozeer voor zijn eigen profijt op korte termijn als voor het welzijn van de groep of groepen waartoe hij behoort; zijn status wordt niet zozeer bepaald door zijn individuele prestaties als wel door die van de groep

        • de gehechtheid van de enkeling aan de groep heeft daarom een sterk thymotisch karakter: hij werkt voor de erkenning die hij van de groep krijgt en voor de erkenning van zijn groep door andere groepen, niet alleen maar voor het materiële gewin op korter termijn, namelijk zijn salaris

        • juist door deze groepsidentiteit zijn praktijken als permanente levenslange werkgelegenheid effectief, wat veel voorkomt bij bepaalde grote Japanse bedrijven: de paternalistische loyaliteit die een bedrijf zijn werknemer bewijst, wordt beloond door een grotere inspanning van de werknemer, die niet alleen voor zichzelf werkt maar ook voor de eer en de reputatie van de grote organisatie; de organisatie is meer dan een veertiendaags salaris, ze is ook een bron van erkenning en een beschermende paraplu voor familie en vrienden

        • zo kon zelfs in een tijd waarin religieuze spiritualiteit zo goed als verdwenen is, het arbeidsethos blijven bestaan doordat er een trots op arbeid is gecreëerd die berust op de erkenning van gedeeltelijk samenvallende grotere gemeenschappen

      • buiten Azië hebben andere vormen van groepsbewustzijn bijgedragen tot het arbeidsethos

        • economisch nationalisme – een gemeenschappelijk verlangen van bedrijfsleiding en werknemers om samen te werken en exportmarkten uit te breiden – in landen als Zweden en Duitsland

        • het gildewezen is van oudsher ook een bron van identiteit geweest: een hooggeschoolde machinebankwerker werkt niet alleen voor de prikklok maar ook omdat hij trots is op de resultaten van zijn arbeid

        • hetzelfde geldt voor de vrije beroepen waarvan de betrekkelijke hoge toelatingseisen bijdragen aan de bevrediging van de thymos

        • mensen werken harder voor hun gezin dan alleen voor zichzelf en in tijden van oorlog of crisis zijn ze bereid voor de natie te werken

        • omgekeerd kan een eenzijdige nadruk op rationeel verlangen economisch averechts gaan werken: dat kan gebeuren als de arbeiders niet meer trots zijn op de arbeid om de arbeid, maar deze gaan beschouwen als een handelsartikel of als de arbeiders en bedrijfsleiders elkaar beschouwen als tegenstanders in een spel waarin winst van de een verlies van de ander betekent, in plaats van als mogelijke partners in een concurrentiestrijd met arbeiders en bedrijfsleiders van een ander land

  • net als bij de politieke democratie hangt het succes van het kapitalisme tot op zekere hoogte af van het voortbestaan van premoderne culturele tradities in de moderne tijd als uitingen van de irrationele thymos

  • de brede aanvaarding van politiek of economisch liberalisme door een groot aantal landen zal de culturele verschillen niet doen verdwijnen, verschillen die ongetwijfeld duidelijker zullen uitkomen naarmate de ideologische verschillen kleiner worden

    • de ideologische conflicten uit de koude oorlog konden worden opgelost toen een van beide partijen bereid was tot een compromis in een specifieke politieke kwestie, of bereid was zijn ideologische opvattingen helemaal te laten varen; maar de hardnekkige culturele verschillen tussen ogenschijnlijk liberaal-democratische kapitalistische staten zullen veel moeilijker uit te roeien blijken

    • door deze hardnekkige verschillen zal het internationale leven mogelijk steeds meer worden beschouwd als een strijd tussen verschillende [door Fukuyama ethisch gekwalificeerde!] culturen in plaats van rivaliserende ideologieën, want de meeste economisch succesvolle staten zullen op dezelfde leest zijn geschoeid  

3. OVER DE MOGELIJKE OPKOMST VAN NIET-LIBERALE IDEEËN
(hoofdstuk 22)

  • al zijn er op dit moment geen systematische alternatieven voor de liberale democratie, in de toekomst kunnen nieuwe autoritaire alternatieven ontstaan die zich misschien nooit eerder in de geschiedenis hebben voorgedaan

    • er kunnen niet-liberale ideeën opkomen omdat de economie faalt / “imperia van wrok”

      • de huidige heropleving van het islamitisch fundamentalisme in vrijwel elk land ter wereld met een grote islamitische bevolking kan beschouwd worden als een reactie op het feit dat moslimgemeenschappen in het algemeen er niet in zijn geslaagd hun waardigheid te handhaven tegenover het niet-islamitische Westen

        • gedwongen door de concurrentie met een militair overheersend Europa trof een aantal islamitische landen in de 19e en begin 20ste eeuw drastische maatregelen om te moderniseren en zich aan te passen aan westerse gebruiken, op alle gebieden van het leven: van de economie, de bureau­cratie en het leger tot het onderwijs en het sociaal beleid

        • tot het ontstaan van de olierijkdom in de jaren zestig en zeventig was echter geen enkele islamitische samenleving in staat het Westen militair of economisch uit te dagen; en het plan om tot een seculiere pan-Arabische eenheid te komen leed schipbreuk na de vernederende nederlaag van Egypte tegen Israël in 1967

        • het islamitisch fundamentalistisch reveil dat zichtbaar werd in de Iraanse revolutie van 1978-1979, had niets te maken met ´traditionele waarden´: die waarden, corrupt en rekkelijk, waren grondig vernietigd in de loop van de laatste honderd jaar; het islamitisch reveil was veeleer de nostalgische herbevestiging van een aantal oudere, zuiverder waarden, die naar men zei in een ver verleden hadden bestaan en die noch de dubieuze ´traditionele waarden´ van het recente verleden waren, noch de westerse waarden die in het Midden-Oosten nauwelijks wortel hadden geschoten.

        • in dit opzicht vertoont het islamitisch fundamentalisme een meer dan oppervlakkige overeenkomst met het Europese fascisme: want net als het Europese fascisme roerde het fundamentalistisch reveil zich het meest in de ogenschijnlijk modernste landen, want het waren juist hun traditionele culturen die het ernstigst werden bedreigd door de introductie van westerse waarden

        • de kracht van het islamitisch reveil is alleen te begrijpen als we inzien hoe diep de islamitische samenleving in haar waardigheid was gekrenkt doordat zij noch de samenhang van haar traditionele samenleving wist te handhaven, noch de westerse technieken en waarden kon assimileren

      • hoewel in de jaren zestig de wettelijke obstakels voor gelijkheid werden afgeschaft en er allerlei programma´s voor positieve discriminatie van zwarten werden gestart, ging een deel van de Amerikaanse zwarte bevolking er economisch toch op achteruit; één van de politieke gevolgen hiervan is, dat steeds vaker wordt beweerd dat de traditionele normen van economisch succes, zoals arbeid, onderwijs en werkgelegenheid, geen universele maar ´blanke´ waarden zijn

        • sommige zwarte leiders streven niet meer naar een kleurenblinde samenleving maar benadrukken de noodzaak trots te zijn op hun eigen Afro-Amerikaanse cultuur met haar eigen geschiedenis, tradities, helden en waarden, gelijk aan maar apart van de cultuur van de blanke samenleving

        • zwarten gaan zelf kiezen voor segregatie en leggen de nadruk op de waardigheid van de groep in plaats van op individuele prestaties of economische activiteiten als de belangrijkste weg naar maatschappelijke vooruitgang

    • een andere bron van autoritaire ideeën vormen de mensen die economisch juist buitengewoon succesvol zijn geweest / “imperia van eerbied”

      • in Japan, evenals in elke andere cultuur in Oost-Azië, is iemands thymos niet zozeer gehecht aan een individueel zelf, zodat hij trots kan zijn op zijn persoonlijke kwaliteiten, als wel aan de familie en andere groepen waarvan de reputatie boven die van de leden gaat

        • woede ontstaat niet als andere mensen het gevoel van eigenwaarde niet erkennen, maar als deze groepen worden gekleineerd; omgekeerd ontstaat het grootste gevoel van schaamte niet als gevolg van persoonlijk falen, maar als er schande over de groep is gebracht; zo blijven veel ouders in Japan invloed uitoefenen of belangrijke beslissingen van hun kinderen, zoals de keuze van een huwelijkspartner

        • de westerse democratie is gebaseerd op de botsing van verschillende thymotische meningen; in Japan daarentegen beschouwt de samenleving in haar geheel zich meer als één enkele grote groep met één enkele stabiele bron van gezag; de nadruk op groepsharmonie leidt ertoe dat openlijke meningsverschillen naar de marge van de politiek worden geschoven

        • er zijn geen machtswisselingen tussen politieke partijen op grond van conflicten over ´kwesties´ maar er is juist de decennia lange overheersing van de Liberaal-Democratische Partij (LDP); serieuze politiek wordt in het algemeen bedreven buiten de openbaarheid, in de centrale bureaucratieën of in de achterkamertjes van de LDP

        • in veel Aziatische samenlevingen zou er weinig respect bestaan voor het principiële individualisme van mensen als Solzjenitzyn of Sacharov, die het in hun eentje opnemen tegen het onrecht in de samenleving om hen heen

        • Japan wordt feitelijk geregeerd door de welwillende dictatuur van één partij, niet omdat die partij zich aan de samenleving heeft opgedrongen zoals de communistische partij in de Sovjetunie, maar omdat het Japanse volk ervoor kiest om op die manier geregeerd te worden

      • de voormalig premier van Singapore, Lee Kuan Yew, noemde de democratie een rem op de economische groei van een land, omdat ze een rationele economische planning in de weg staat en een soort egalitaire genotzucht bevordert waarbij talloze persoonlijke belangen ten koste gaan van de gemeenschap in haar geheel

        • de regering van Singapore schrijft voor hoe lang jongens hun haar mogen laten groeien, verbiedt amusementshallen en legt hoge boetes op voor kleine overtredingen als rommel maken op straat en vergeten een openbaar toilet door te spoelen

      • Aziatische samenlevingen komen door hun groepsgerichtheid veel te kort: ze leggen de burgers een hoge mate van conformiteit op een onderdrukken zelfs de mildste vormen van individuele expressie

        • zo zijn door de nadruk op de traditionele patriarchale familie de kansen van de vrouw op een leven buitenshuis beperkt; consumenten hebben weinig rechten en moeten een economisch beleid aanvaarden waarover zij weinig zeggenschap hebben

      • Aziatische samenlevingen hebben echter ook sterke punten, die de leden niet snel zullen prijs geven, vooral niet als zij de niet-Aziatische alternatieven zien: een van de meest gehoorde klachten over het huidige Amerikaanse leven is nu juist dat er geen gemeenschappelijkheid is; dit gemeenschapsgevoel hebben Aziatische samenleving juist te bieden en voor velen die in de culturen opgroeien zijn sociale aanpassing en beperking van het individualisme maar een lage prijs

      • Aziatische samenlevingen kunnen zich in twee heel verschillende richtingen verder ontwikkelen:

        • Azië kan steeds westerser worden in hun ideeën, dat leidt tot de verdere uitbreiding van de formele liberale democratie

        • Azië kan ook steeds autoritairder worden, zeker wanneer de economisch groei stokt in Amerika en Europa in vergelijking met het Verre Oosten

        • de tirannie zou er dan wel een zijn van eerbied, van gewillige gehoorzaamheid van mensen aan een hoger gezag en aanpassing aan een rigide stelsel sociale normen

        • dit imperium van eerbied kan tot een ongekende welvaart leiden, maar het betekent ook een verlenging van de kinderjaren voor de meeste burgers en daarom een onvolledig bevredigde thymos

    • “In de wereld van nu zien we een merkwaardig dubbel fenomeen: de overwinning van de universele en homogene staat en het hardnekkig voortbestaan van volkeren. Enerzijds wordt de mensheid steeds homogener door de moderne economie en technologie en door de verbreiding van het idee van rationele erkenning als enige legitieme regeringsgrond­slag. Anderzijds bestaat overval verzet tegen die homogenisering en zien we een herbevestiging, grotendeels op subpolitiek niveau, van culturele identiteiten die uiteindelijk een versterking betekenen van de bestaande barrières tussen volkeren en naties. De triomf van het koudste van alle koude monsters is onvolledig geweest. Hoewel het aantal aanvaardbare vormen van economische en politieke organisatie de laatste honderd jaar gestaag is afgenomen, zijn er nog steeds vele interpretaties van de resterende vormen, kapitalisme en liberale democratie, mogelijk. Zelfs als de ideologische verschillen tussen staten vervagen, blijven er kennelijk belangrijke verschillen tussen staten bestaan, maar dan verschoven naar het niveau van cultuur en economie. Deze verschillen geven ook aan dat de bestaande staten niet binnen afzienbare tijd zullen samensmelten tot een letterlijk universele en homogene staat. De natie zal een identificatiepunt blijven, ook als meer en meer naties dezelfde economische en politieke organisatie krijgen.” (270)

4. OVER DE ´REALISTISCHE´ GEDACHTE VAN EEN EEUWIGE OORLOG (hoofdstuk 23)

  • over de ´realistische´ visie op internationale betrekkingen

    • de gebeurtenissen van de 20ste eeuw hebben ons niet alleen zeer pessimistisch gestemd over de mogelijkheid van een Universele Geschiedenis en een verbetering in de binnenlandse relaties van landen, maar ook over de relaties tussen landen onderling

      • hoewel alle andere aspecten van het milieu van de mens, godsdienst, familie, economische organisatie, opvattingen over politieke legitimiteit, onderhevig zijn aan historische evolutie, worden ´internationale betrekkingen´ beschouwd als voor altijd identiek: ´Oorlog is eeuwig´ (Kenneth Waltz, Theory of International Politics, 1979)

      • deze visie is systematisch geformuleerd onder de noemer ´realisme´, ´realpolitik´ of ´machtspolitiek´

    • vader van het realisme: Machiavelli; hij meende dat de mensen zich niet zouden moeten laten leiden door de wijze waarop ze volgens filosofen zouden moeten leven, maar door de wijze waarop ze feitelijk leven, en die leerde dat de beste staten het beleid van de slechtste staten zouden moeten evenaren, wilden ze overleven

    • als een op problemen toepasbare theorie verscheen het realisme pas na de tweede wereldoorlog ten tonele,

      • voorstanders: theoloog Reinhold Niebuhr, diplomaat George Kennan, professor Hans Morgenthau (wiens handboek over intern. betrekkingen grote invloed heeft gehad op het Amerikaanse buitenlands beleid tijdens de koude oorlog) en minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger

    • alle realistische theorieën gaan uit van de veronderstelling dat onveiligheid een univer­seel en permanent kenmerk is van de internationale orde, wat een gevolg is van het blij­vend anarchistische karakter ervan; gevolg: een continue streven naar maximale macht

      • door het ontbreken van een internationale soevereine macht vormt elke staat een mogelijke bedreiging voor elke andere staat en de enige manier om die onveiligheid op te lossen is zich gewapenderhand verdedigen

      • dat gevoel van bedreiging is in zekere zin onvermijdelijk omdat elke staat de ´defensieve´ acties van andere staten ten onrechte als een bedreiging zal opvatten en defensieve maatregelen zal nemen die op hun beurt ten onrechte als offensief zullen worden opgevat; alle staten zullen dan ook proberen hun macht ten opzichte van andere staten uit te breiden

      • concurrentie en oorlog zijn onvermijdelijke bijverschijnselen van het internationale stelsel, niet vanwege het karakter van de staten zelf maar vanwege het anarchistische karakter van het stelsel van staten als geheel

    • het streven naar macht uit zelfverdediging staat los van het karakter van een staat, los van de vraag of het land een theocratie is, een slavenhoudende aristocratie, een fascistische politiestaat, een communistische dictatuur of een liberale democratie

      • Morgenthau legde uit dat “het nu juist inherent is aan de politiek dat de acteur op het politieke toneel wordt gedwongen met ideologieën het onmiddellijke doel van zijn actie te verhullen”, en dat is altijd macht

        • Rusland heeft zich onder de tsaren net zo uitgebreid als onder de bolsjewieken; en Japan overheerst in Azië niet meer met kogels, maar met yens

    • als het streven naar macht in principe voor alle staten geldt, wordt de kans op oorlog in werkelijkheid niet bepaald door het agressieve gedrag van bepaalde staten, maar door de vraag of er een machtsevenwicht is binnen het stelsel van staten

      • als er sprake is van een machtsevenwicht, loont agressie waarschijnlijk niet

      • bij geen machtsevenwicht komen staten in de verleiding hun buren uit te buiten

      • macht is ´bipolair´ verdeeld, als 2 staten in het systeem alle andere overheersen

        • Athene en Sparta; Rome en Carthago; Sovjetunie en Verenigde Staten

      • macht is ´multipolair´ verdeeld, als vele staten in het systeem de macht delen

        • Europa in de 18e en 19e eeuw

      • de meeste realisten geloven dat ´bipolaire´ systemen stabieler zijn en schrijft de lange vrede sinds 1945 toe aan de bipolaire machtsverdeling v.d. Koude Oorlog

    • het realisme is er niet alleen in descriptieve vorm, maar ook in prescriptieve vorm, waarbij de volgende verkeersregels voor politiek beleid zijn opgesteld:

      • de uiteindelijke oplossing voor het probleem van de internationale onveiligheid ligt in het handhaven van een machtsevenwicht tussen eventuele vijanden

        • aangezien oorlog beslissend is in geschillen tussen staten, moeten deze voldoende macht hebben om zich te verdedigen; ze kunnen niet uitsluitend vertrouwen op internationale overeenkomsten of op internationale organisatie als de Verenigde Naties, die niet de macht hebben afspraken af te dwingen of sancties toe te passen

      • vrienden en vijanden moeten worden gekozen op grond van hun macht in plaats van hun ideologie of de aard van het desbetreffende regime

        • bijv. het bondgenootschap tussen de V.S. en de Sovjetunie tegen Hitler

        • na de nederlaag van Napoleon weigerde de anti-Franse alliantie, o.l.v. de Oostenrijkse minister van buitenlandse zaken, prins Metternich, Frankrijk op te delen of andere strafmaatregelen tegen dat land te nemen omdat het nodig was als tegenwicht tegen toekomstige bedreigingen voor de vrede in Europa van andere en onverwachte zijde; dit nuchtere streven naar machtsevenwicht, los van ideologische of wraakzuchtige overwegingen, was het thema van Kissingers eerste boek (A World Restored: Metternich, Castlereagh and the Problems of Peace 1812-1822, 1973) en het blijft een klassiek voorbeeld van realisme in de praktijk

      • staatslieden moeten bij de inschatting van binnenlandse dreigingen meer letten op militaire macht dan op intenties

        • een vooronderstelling van het realisme is dat de intentie er in zekere zin altijd is; zelfs als een land vandaag vriendelijk en vredelievend lijkt, kan de stemming morgen omslaan; militaire macht, de aantallen tanks, vliegtuigen en kanonnen, is minder wispelturig maar geldt als een graadmeter voor intenties

      • morele overwegingen mogen geen rol spelen in de buitenlandse politiek

        • “het definiëren van opvattingen in termen van macht behoedt ons voor morele buitensporigheid en politieke waanzin” (Morgenthau)

        • realisten streven voortdurend naar een machtsevenwicht gebaseerd op militaire macht, maar ze zijn ook de eersten die tot een vergelijk proberen te komen met machtige vijanden; want als concurrentie tussen staten in zekere zin permanent en universeel is, zal een wijziging in de ideologie of regering van vijandelijke staten weinig veranderen aan het dilemma van de internationale onveiligheid

        • pogingen het veiligheidsprobleem op te lossen door revolutionaire middelen, bijv. door de fundamentele legitimiteit van een rivaliserende regering aan te tasten door kritiek op schendingen van mensenrechten, zijn ondoordacht en gevaarlijk

        • daarom beschouwde Kissinger de communistische macht van de Sovjetunie als een permanente factor in de internationale realiteit, die niet viel weg te denken of fundamenteel te hervormen

  • over de grote en heilzame invloed van het realisme op de Amerikaanse benadering van de buitenlandse politiek na de tweede wereldoorlog

    • het realisme verloste de Verenigde Staten van de neiging veiligheid te zoeken in een naïef liberaal internationalisme en blindelings te vertrouwen op de Verenigde Naties

      • in de eerste helft van de 20ste eeuw functioneerde de wereld inderdaad volgens realistische beginselen; niet omdat realistische principes eeuwige waarheden voorstelden, maar omdat de wereld verdeeld was in staten met totaal verschillende en tegenstrijdige ideologieën

      • het fascisme aanvaardde expliciet Morgenthau's opvatting dat het politieke leven een onophoudelijk streven naar macht was, terwijl het liberalisme en het communisme beide uitgingen van de universele geldigheid van hun rechtsidee, waardoor zij bijna overal ter wereld met elkaar in conflict kwamen

      • in zo´n wereld was internationaal recht een hersenschim en militaire macht was feitelijk de enige oplossing voor het veiligheidsprobleem

5. HET ONGELIJK VAN DE ´REALISTEN´ (hoofdstuk 24)

  • de vroege bijdragen van het realisme aan de Amerikaanse buitenlandse politiek mogen ons niet blind maken voor de ernstige tekortkomingen van deze visie op de internationale betrekkingen

    • de mening van de realisten dat staten elkaar zien als bedreigingen en zich daarom bewapenen, volgt niet zozeer uit het stelsel als wel uit een verborgen veronderstelling dat samenlevingen in hun internationale gedrag eerder lijken op Hegels meester die erkenning zoekt, of op de ijdele mens van Hobbes, dan op de verlegen eenzelvige van Rousseau

      • zelfbehoud alleen is niet genoeg om de oorlog van allen tegen allen te verklaren; volgens Rousseau leiden angst en onveiligheid niet tot het aanhoudend zoeken naar meer en meer macht, maar tot isolement en gelatenheid

      • je kunt je heel goed een anarchistisch statenstelsel voorstellen dat niettemin vreedzaam is, waarin vragen over bipolariteit of multipolariteit volkomen irrelevant zijn, mits je van de veronderstelling uitgaat dat samenlevingen zich gedragen als Rousseau´s mens in de natuurtoestand of als Hegels slaaf, dat wil zeggen als ze uitsluitend zijn geïnteresseerd in zelfbehoud

      • de ultieme reden voor oorlog tussen staten is daarom eerder thymos dan zelfbehoud: als reusachtige thymotische individuen zoeken staten erkenning van hun waarde of waardigheid om dynastieke, religieuze, nationalistische of ideologische redenen en dwingen daarbij andere staten tot strijd of onderwerping

      • de realist kan daarom helemaal niets afleiden uit de pure machtsverdeling in een statenstelsel: dergelijke informatie krijgt pas betekenis als hij bepaalde veronderstellingen maakt over de aard van de samenlevingen waaruit het stelsel bestaat, namelijk dat ten minste enige ervan eerder tot erkenning neiging dan tot louter zelfbehoud

    • “Het is duidelijk dat alle staten naar macht moeten streven om hun nationale doelen te bereiken, zelfs als die niet verder reiken dan gewoon overleven. Het streven naar macht is in deze betekenis inderdaad universeel, maar de betekenis ervan wordt triviaal. Het is heel iets anders om te stellen dat alle staten hun macht proberen te maximaliseren, vooral hun militaire macht. Wat heb je eraan om hedendaagse staten als Canada, Spanje, Nederland of Mexico te beschouwen als staten die hun macht maximaliseren? Elk probeert inderdaad rijker te worden, maar de rijkdom is gewenst voor de binnenlandse consumptie en niet alleen maar om de machtspositie van de staat te vergroten ten opzichte van buren. In feite zullen deze landen de economische groei van hun buren steunen omdat hun eigen welvaart er nauw mee samenhangt.” (282)

    • Staten jagen daarom niet alleen maar macht na; zij jagen allerlei doelen na die gedicteerd worden door hun opvattingen van legitimiteit; die opvattingen beteugelen het streven naar macht om de macht, en de staten die overwegingen van legitimiteit negeren nemen een groot risico

      • Groot-Brittannië accepteerde het moderne oordeel van de wereld dat kolonialisme een onwettige vorm van overheersing is, waardoor het ondenkbaar was dat zij zouden proberen hun koloniën te behouden of te heroveren

      • toen de communistische macht in het ene na het andere Oost-Europese land in diskrediet raakte, hadden de Sovjets niet het zelfvertrouwen om hun rijk met geweld in stand te houden

      • legitimiteit was, zoals Václav Havel zei, “de macht van de machtelozen”; realisten die alleen op mogelijkheden letten en niet op doelstellingen, weten niet wat te doen als de doelstellingen zo radicaal veranderen

    • het realisme houdt ook geen rekening met de geschiedenis

      • de eerste oorzaak van oorlog is niet de structuur van het statenstelsel maar het verlangen van meesters naar erkenning; imperialisme en oorlog zijn historisch gezien uitvloeisels van aristocratieën die in vroegere tijd hun maatschappelijke status ontleenden aan hun bereidheid hun leven te riskeren

      • ook religieus expansionisme is net als dynastiek expansionisme niet, zoals de realisten beweren, een ongedifferentieerd streven naar macht, maar een streven naar erkenning

      • deze verschijningsvormen van thymos werden in de vroeg-moderne tijd echter grotendeels verdrongen door steeds rationelere vormen van erkenning, die uiteindelijk in de moderne liberale staat gestalte kregen; waar eens burgertwist was geweest over dynastieke en religieuze kwesties, bestonden nu nieuwe, door de moderne Europese natiestaat gevormde zones van vrede

      • het ligt dan in de lijn der verwachtingen, dat wat voor individuen geldt, ook voor staten geldt: als de liberale democratie het klassenverschil tussen meesters en slaven ophief door de slaven eigen meesters te maken, zou het uiteindelijk ook het imperialisme moeten afschaffen

      • de slavenideologie van het christendom, waaruit de moderne liberale samenleving ontstond, toont ook zijn invloed in het feit dat de doodstraf in ontwikkelde landen geleidelijk verdwijnt en dat men grote aantallen slachtoffers in een oorlog steeds minder acceptabel vindt

        • vorsten in de 17e en 18e eeuw zagen er geen been in tienduizenden boerensoldaten de dood in te jagen ter wille van hun persoonlijke roem; tegenwoordig beginnen de leiders van democratische landen niet aan oorlog tenzij er grote nationale belangen op het spel staan

      • voor de industriële revolutie kon een vorst zijn rijkdom alleen vergroten door andermans land en boeren af te pikken of door waardevolle hulpbronnen als het goud en zilver van de nieuwe wereld te veroveren; na de industriële revolutie namen land, bevolking en hulpbronnen als bronnen van rijkdom echter snel in betekenis af in vergelijking met technische vooruitgang, onderwijs en de rationele organisatie van arbeid; de geweldige toename van de arbeidsproductiviteit die hierdoor mogelijk werd, waren van veel grotere betekenis en veel zekerder dan alle economische profijt van territoriale veroveringen

      • tegelijk zijn de economische kosten van oorlog, waarover Kant zo klaagde, exponentieel toegenomen met de technische vooruitgang

        • achteraf lijkt het niet onredelijk te veronderstellen dat minstens één van de crises in de koude oorlog, Berlijn, Cuba, het Midden-Oosten, tot een echte oorlog geëscaleerd zou zijn als de twee supermachten zich niet bewust waren geweest van de vreselijke kosten van zo´n oorlog

      • het fundamenteel niet-oorlogszuchtige karakter van liberale samenlevingen blijkt duidelijk uit de buitengewoon vreedzame betrekkingen die zij met elkaar onderhouden

        • zij onderschrijven allemaal de principes van universele gelijkheid en universele rechten en hebben dan ook geen reden elkaars legitimiteit te betwisten

        • het belangrijkste is echter dat de megalothymia in zulke staten andere uitlaatkleppen dan oorlog heeft gevonden of zodanig is geatrofieerd dat er weinig over is om een moderne versie v.h. bloedige gevecht uit te lokken

        • het gaat er dus niet zozeer om dat de liberale democratie de natuurlijke neigingen van de mens tot agressie en geweld aan banden heeft gelegd, maar dat zij die neigingen fundamenteel heeft omgevormd en de drijfveer voor imperialisme heeft geëlimineerd

        • begin 1988 verklaarde Kommoenist, het theoretisch orgaan van de Sovjetrussische Communistische Partij, dat “er geen politiek invloedrijke krachten in de Verenigde Staten of West-Europa zijn die militaire agressie tegen het socialisme” in de zin hadden, en dat “de burgerlijke democratie een absolute barrière vormt tegen het ontketenen van zo´n oorlog”

        • de visie op een buitenlandse dreiging wordt blijkbaar niet ´objectief´ bepaald door de positie van een land in het statenstelsel, maar wordt sterk beïnvloed door de ideologie

        • de meeste liberale staten begrijpen elkaar ook te goed: ze weten dat hun buren welvaartsstaten zijn, te genotzuchtig om hun leven in de waagschaal te stellen, vol ondernemers en managers maar zonder vorsten of demagogen met ambities die alleen al voldoende zijn om oorlogen te beginnen

6. NATIONALISME ALS BEDREIGING VOOR EEN TOEKOMSTIGE VREDE (hoofdstuk 25)

  • nationalisme als typisch moderne verschijnsel

    • nationalisme vervangt de meester-slaafrelatie door wederzijdse en gelijke erkenning, maar het erkent alleen de leden van een bepaalde nationale of etnische groep; het is dan ook niet verbazingwekkend dat nationalistische bewegingen sinds de Franse Revolutie altijd nauw verbonden zijn geweest met democratische

  • hoe bedreigend is het nationalisme in onze tijd?

    • algemeen wordt aangenomen dat het nationalisme, als het eenmaal is ontwaakt, zo´n elementaire kracht is in de geschiedenis dat het niet te stuiten valt door andere vormen van loyaliteit, zoals religie en ideologie, en uiteindelijk zwakke riethalmen als het communisme en liberalisme zal overwinnen

    • deze opvatting is volgens Fukuyama zowel kortzichtig als onjuist

    • in de eerste plaats mag niet vergeten worden dat het nationalisme een recent en toevallig verschijnsel is; het is, zoals Ernest Gellmer zei, “niet erg diep geworteld in de menselijke geest”

      • in vroeger tijden had een Russische edelman meer gemeen met een Franse edelman dan met een boer die op zijn eigen landgoed woonde; pas na de industriële revolutie (door de “logica van de moderne natuurwetenschappen”) werden sociale groepen qua taal en cultuur als homogene eenheden beschouwd

        • heersers en overheersten moesten dezelfde taal spreken omdat ze nauw met elkaar samenwerkten in een nationale economie; boeren die van het platteland verhuisden, moesten de taal leren lezen en schrijven en voldoende onderwijs krijgen om in fabrieken en op den duur in kantoren te kunnen werken; oudere sociale verschillen in klasse, verwantschap, stam en sekte stierven uit door de voortdurende arbeidsmobiliteit en lieten de mensen geen andere vormen van sociale loyaliteit dan een gemeenschappelijke taal en een gemeenschappelijke in de taal vastgelegde cultuur

      • nationalisme was zeer zeker het gevolg van industrialisatie en de democratische egalitaire ideologieën die ermee samengingen (hoewel nationalisme soms ook los van de economische ontwikkeling ontstaat, zoals in preïndustriële landen als Cambodja of Laos na de tweede wereldoorlog)

    • het lijkt erop dat het nationalisme een bepaalde ontwikkelingsgeschiedenis kent:

      • nationalisme steekt de kop op na de overgang naar de industriële fase en wordt bijzonder sterk als een volk na economische modernisering zowel zijn nationale identiteit als zijn politieke vrijheid onthouden wordt

      • omgekeerd raakt de natie als bron van thymotische identificatie in verval, wanneer de identiteit van nationale groepen zeker is en een lange traditie heeft

      • als het nationalisme, net als het geloof, van zijn scherpe kantjes ontdaan en gemoderniseerd kan worden, zodat afzonderlijke nationalistische groepen aanvaarden dat zij dezelfde status hebben als andere groepen, zal de nationalistische basis van imperialisme en oorlog afbrokkelen

    • veel mensen denken dat de huidige tendens naar Europese eenwording een tijdelijke aberratie is, veroorzaakt door de ervaringen van de tweede wereldoorlog en de koude oorlog, maar dat de moderne Europese geschiedenis in het algemeen tendeert naar het nationalisme; maar misschien blijken de twee wereldoorlogen net zo´n rol te hebben gespeeld als de godsdienstoorlogen in de 16e eeuw en hebben ze niet alleen het bewustzijn van de generatie die er onmiddellijk op volgde, maar dat van alle generaties erna beïnvloed

      • wil het nationalisme als politieke kracht verdwijnen, dan moet het, net zoals eerder de religie, verdraagzaam worden gemaakt

      • nationale groepen kunnen hun eigen taal en gevoel van identiteit behouden, maar die identiteit moet haar uitdrukking krijgen op cultureel in plaats van op politiek niveau

        • de Fransen kunnen van hun wijnen blijven genieten en de Duitsers van hun worsten, maar alleen in hun persoonlijke leven

        • de meest radicale nationalisten van tegenwoordig, zoals Jean-Marie Le Pens Front National in Frankrijk, zijn trouwens niet geïnteresseerd in het overheersen van buitenlanders, maar in het wegjagen van hen

      • evenmin als de religie loopt het nationalisme gevaar te verdwijnen, maar net als de religie lijkt het niet meer in staat de Europeanen zo ver te krijgen dat ze hun comfortabele leventje in de waagschaal stellen om grote imperialistische daden te verrichten

    • het nationalisme is een noodzakelijk bijverschijnsel van de democratisering, met name in het Europa van na de koude oorlog, omdat lang onderdrukte nationale en etnische groepen zich uitspreken voor een soeverein en onafhankelijk bestaan

      • oorlog in Joegoslavië

      • Slowaken scheiden zich af van de Tsjechen

      • dergelijke conflicten zullen de ontwikkeling op langere termijn van Europa´s oudere vormen van nationalisme naar verdraagzaamheid echter niet schaden

      • de uitwerking van nieuwe nationalistische conflicten op de algemene vrede en veiligheid in Europa en de wereld is ook veel kleiner dan in 1914

      • de conflicten zijn te beschouwen als een overgangsfase

    • “Het is merkwaardig dat mensen geloven dat een historisch gezien nog zo jong verschijnsel als het nationalisme voortaan zo´n permanent element van het sociale landschap zal zijn. Economische krachten hebben het nationalisme gestimuleerd door het klassenonderscheid te vervangen door nationale grenzen en al doende gecentraliseerde taalkundig homogene eenheden gevormd. Dezelfde economische krachten stimuleren nu het verdwijnen van nationale grenzen door de vorming van een enkele geïntegreerde wereldmarkt. Al zal de politieke neutralisatie van het nationalisme zich niet in deze of de volgende generatie voltrekken, dat wil niet zeggen dat het uiteindelijk niet zal gebeuren.” (300)

7. OVER DE VERHOUDING TUSSEN LIBERALE EN NIET-LIBERALE STATEN (hoofdstuk 26)

  • voorlopig zal de wereld bestaan uit een posthistorisch deel en een deel dat nog in de geschiedenis vastzit

    • in de posthistorische wereld is de economie de voornaamste factor van wederzijdse beïnvloeding en zijn de oude regels van de machtspolitiek steeds minder relevant

    • de historische wereld kan daarentegen nog steeds verscheurd worden door allerlei religieuze, nationale en ideologische conflicten, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van de desbetreffende landen, waarin de oude regels van de machtspolitiek nog steeds gelden

      • landen als Irak en Libië zullen hun buurlanden blijven binnenvallen en bloedige veldslagen blijven leveren

      • in de historische wereld blijft de natiestaat het belangrijkste punt van politieke identificatie

      • <